Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200701504/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college), voor zover thans van belang, een verzoek van [verzoekers] om handhavend tegen illegale opslag- en detailhandelsactiviteiten op de percelen aan de [locatie], kadastraal bekend […] te [plaats] (hierna: de percelen) op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701504/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3740 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 januari 2007 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college), voor zover thans van belang, een verzoek van [verzoekers] om handhavend tegen illegale opslag- en detailhandelsactiviteiten op de percelen aan de [locatie], kadastraal bekend […] te [plaats] (hierna: de percelen) op te treden afgewezen.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college het door verzoekers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2007, verzonden op 24 januari 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 april 2007 hebben verzoekers een reactie ingediend.

Bij brief van 1 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college het door verzoekers tegen het besluit van 7 maart 2005 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. H.B.J. Reijnders, J. Leermakers en L. Jaakke, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Schlösser en drs. D.W. Wessels, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat verzoekers belanghebbenden zijn bij het besluit van 7 maart 2005, heeft miskend dat het perceel waarop de woning van verzoekers is gelegen niet aan de percelen grenst en dat die woning zich ongeveer 280 meter daarvandaan bevindt. Voorts heeft de rechtbank volgens hem, door te overwegen dat het besluit van invloed is op de kwaliteit van de directe leefomgeving van verzoekers, miskend dat van de detailhandelsactiviteiten geen verkeersaantrekkende werking uitgaat.

2.1.1.    Dit betoog slaagt niet. Het college heeft bevestigd dat van de detailhandelsactiviteiten, waarop het handhavingsverzoek ziet, een verkeersaantrekkende werking uitgaat. Gelet op de omstandigheid dat de Graafschedijk ter plaatse relatief smal is en verzoekers de naaste buren van appellant zijn, is aannemelijk dat een toename van dat verkeer in verband met de gestelde toename van de detailhandelsactiviteiten van appellant van invloed is op de kwaliteit van de directe leefomgeving van verzoekers. Reeds hierom zijn zij belanghebbenden bij de afwijzing van hun verzoek.

2.2.    Op de percelen rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf", met als toegelaten bedrijfsvorm "grondverzet-, sloop- en transportbedrijf". De door appellant op deze percelen uitgeoefende opslag- en detailhandelsactiviteiten zijn daarmee in strijd.

2.3.    Ingevolge artikel 5, onder A, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 5, onder B, voor zover thans van belang, moet onder strijdig gebruik van de gronden in ieder geval worden gerekend het gebruik als opslag-, stort-, en/of lozingsplaats.

   Ingevolge artikel 40, lid B, onder 1, mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan en niet krachtens de overgangsbepaling van dat plan was toegestaan.

   Ingevolge dat lid, onder 3, is het verboden om met het plan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken te wijzigen, tenzij door die wijziging de bestaande afwijking van het plan naar de aard en/of intensiteit niet wordt vergroot.

   Ingevolge het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op de percelen de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf, Ah(1)".

   Ingevolge artikel 63, lid B, onder 1, van de voorschriften van dat bestemmingsplan mag het gebruik van de grond strijdig met het plan ten tijde van het onherroepelijk worden hiervan, worden gehandhaafd en voortgezet.

   Ingevolge dat lid, onder 2, is wijziging van het met het bestemmingsplan in strijd zijnde gebruik van de grond verboden, indien door die wijziging de afwijking van het plan zal worden vergroot.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het besluit van 17 oktober 2005 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, heeft miskend dat uit de overgelegde stukken voldoende duidelijk wordt dat geen intensivering van de verkoop- en opslagactiviteiten op de percelen heeft plaatsgevonden. De in zijn onderneming ontplooide activiteiten vallen volgens hem onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" en het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied".

2.4.1.    Niet in geschil is dat op de percelen ten tijde van het van kracht zijn van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" opslag- en verkoopactiviteiten plaatsvonden en die activiteiten met de ingevolge dit bestemmingsplan daarop rustende bestemming in strijd waren. Het bestemmingsplan "Buitengebied" is na het Koninklijk Besluit van 27 december 1990 in rechte onaantastbaar geworden.

2.4.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de door het college overgelegde stukken, te weten een gemeentelijk memorandum van 18 mei 1995, een luchtfoto van 29 januari 1990 en een selectie van de bankrekeningafschriften van appellant uit de periode 1980 tot en met 1983, niet de omvang van de opslag- en verkoopactiviteiten op de percelen op de peildatum blijkt, zodat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat de afwijking van het bestemmingsplan na de peildatum niet is vergroot. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het memorandum van vijf jaar na de peildatum dateert en hierin weliswaar is vermeld dat opslag en verkoop van materialen bij appellant reeds gedurende lange tijd plaatsvindt, maar tevens dat het, om uitbreiding van de opslag en verkoop tegen te gaan, noodzakelijk is om de huidige omvang ervan vast te leggen. Hieruit kan de omvang van opslag en verkoop van materialen op de percelen ten tijde van het memorandum of daarvoor niet worden afgeleid.

   Voorts heeft het college bij zijn reactie van 1 mei 2007 financiële verslagen van de onderneming van appellant van de boekjaren 1987, 1988, 1989, 1990, 2003 en 2004 overgelegd. Volgens die verslagen zijn de inkomsten uit de verhuur en verkoop van materialen sinds 1990 niet toegenomen. Uit die verslagen valt echter niet op te maken, welk deel van de omzet is toe te rekenen aan de niet met het bestemmingsplan strijdige verhuur van machines door het grondverzet-, sloop- en transportbedrijf en welk deel aan de detailhandel. Ook daarmee is derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de detailhandel in de loop der jaren niet is toegenomen.

2.5.    De conclusie is dat de beroepsgronden falen. De rechtbank heeft met juistheid niet aannemelijk gemaakt geacht dat het strijdige gebruik, zoals dat ten tijde van het besluit op bezwaar bestond, onder de bescherming van het overgangsrecht valt.

   Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college opnieuw op het door verzoekers gemaakte bezwaar beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp van dit geding te zijn.

2.6.1.    Het college heeft in het besluit van 4 september 2007 wederom naar de financiële verslagen uit de periode 1987 tot en met 2004 verwezen. Zoals hiervoor is overwogen, is met die verslagen de toepasselijkheid van het overgangsrecht niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat een groot aantal klanten van appellant schriftelijk heeft verklaard vóór 1991 bouwmaterialen van hem te hebben gekocht die op het voorterrein waren gelegen. Uit deze verklaringen kan echter niet worden afgeleid dat de detailhandelsactiviteiten in die jaren niet zijn toegenomen. Derhalve is ook in dat besluit niet draagkrachtig gemotiveerd dat de opslag- en detailhandelsactiviteiten op de percelen onder het overgangsrecht vallen. In tegendeel, uit de vergelijking van de zich in het dossier bevindende foto van 1990 met die uit 2002 valt veeleer af te leiden dat die activiteiten zijn uitgebreid tot aan de dijk.

2.7.    Het beroep tegen het besluit van 4 september 2007 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 4 september 2007, kenmerk R&W/HH-AS-07042.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

429-488.