Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200701764/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft appellant sub 3 (hierna: het college) aan appellant sub 1 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woningen met een parkeergarage op een perceel gelegen tussen het Picképlein en de Katenblankweg te Noordwijk, aan deze woningen de huisnummers [locatie 1] en [locatie 2] toegekend en een uitwegvergunning verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701764/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3.    het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nrs. AWB 07/684 en 06/5127 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 februari 2007 in het geding tussen:

appellanten sub 2,

en

appellant sub 3.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft appellant sub 3 (hierna: het college) aan appellant sub 1 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woningen met een parkeergarage op een perceel gelegen tussen het Picképlein en de Katenblankweg te Noordwijk, aan deze woningen de huisnummers [locatie 1] en [locatie 2] toegekend en een uitwegvergunning verleend.

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college het door appellanten sub 2 (hierna: omwonenden) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door omwonenden ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief van 8 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2007, omwonenden bij brief van 28 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2007, en het college bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2007, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 29 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van omwonenden. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2007, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.R.M. van der Pluijm, advocaat te Leiden, omwonenden, vertegenwoordigd door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Steen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben omwonenden de grond dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen oordeel heeft gegeven omtrent hun bezwaar tegen de uitwegvergunning en het toekennen van huisnummers, ingetrokken.

2.2.    Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met bestemmingsplan "Oude Zeeweg en omgeving, tweede herziening" (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.3.    De voorzieningenrechter heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat het college ten tijde van het besluit van 9 mei 2006 niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan, omdat de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend ten tijde van dat besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 9 mei 2006 derhalve terecht vernietigd. Het geding spitst zich toe op de vraag of de voorzieningenrechter niettemin de gevolgen van het besluit in stand had moeten laten.

2.4.    Op de gronden waarop de te realiseren woningen zijn voorzien, rust de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing met bijbehorende erven (EO)".

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mag op de op de kaart als zodanig aangewezen gronden de goothoogte van ieder huis ten hoogste zes meter bedragen.

       Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt de goothoogte van een gebouw gemeten vanaf de horizontaal lopende snijlijn van gevelvlak en dakvlak tot aan de kruin van de weg, dan wel tot het peil, indien dit meer dan 0,20 meter boven of beneden de kruin van de weg is gelegen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder w, onderdeel 1, van de planvoorschriften wordt voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst, onder peil verstaan de door de gemeenteraad of het college vastgestelde hoogte van een weg ter plaatse van de hoofdtoegang.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder w, onderdeel 2, wordt voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg grenst, onder peil verstaan de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven de voorschriften van de bouwverordening buiten toepassing voor zover deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet blijven de voorschriften van de bouwverordening aanvullend van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

   Ingevolge artikel 2.5.24, eerste lid, van de bouwverordening Noordwijk 2004 (hierna: de bouwverordening) mag de hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk niet meer bedragen dan tien meter.

2.5.    [appellant sub 1] en het college betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de hoogtebepaling uit artikel 2.5.24, eerste lid, van de bouwverordening van toepassing is op het bouwplan. Zij stellen dat aan artikel 2.5.24, eerste lid, van de bouwverordening geen aanvullende werking toekomt, nu in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de bestemmingsplanvoorschriften de maximale goothoogte is geregeld.

2.5.1.    Dit betoog slaagt. Uit het samenstel van bestemmingsplanvoorschriften kan worden afgeleid dat per bestemming uitdrukkelijk een keuze is gemaakt met betrekking tot de gewenste maatvoering. Bij twee bestemmingen is gekozen voor het regelen van de totale hoogte van het bouwwerk. Bij onder meer de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing met bijbehorende erven (EO)" is gekozen voor het stellen van een maximale goothoogte. Gelet op de planvoorschriften, in onderlinge samenhang bezien, moet ervan worden uitgegaan dat in het bestemmingsplan de hoogte van bouwwerken uitputtend is geregeld. Dit betekent dat aan artikel 2.5.24, eerste lid, van de bouwverordening geen aanvullende werking toekomt en dat deze bepaling hier niet van toepassing is. De voorzieningenrechter heeft dat niet onderkend.

2.6.    Omwonenden betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de maximale bouwhoogte moet worden gemeten vanaf het peil op het Picképlein en niet vanaf het peil op de - hoger gelegen - Katenblankweg. Zij stellen zich op het standpunt dat artikel 2.5.24, tweede lid, van de bouwverordening aanvullende werking heeft op het bestemmingsplan, omdat in het bestemmingsplan voorschriften ontbreken hoe het peil moet worden gemeten in het geval dat een bouwwerk is gelegen aan twee wegen met verschillende hoogten. Door het peil te meten vanaf de Katenblankweg wordt de terrasbouw in de omgeving van de te realiseren woningen miskend, aldus omwonenden. Voorts betogen zij dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de hoofdtoegang van de te realiseren woningen aan het Picképlein dient te worden gerealiseerd, gelet op de ligging van de geldende voorgevelrooilijn en de omstandigheid dat aan de Katenblankweg voor het overige slechts even huisnummers zijn toegekend.

2.6.1.     Deze betogen falen. In artikel 1, aanhef en onder d en w, van de planvoorschriften is het bepalen van het peil en de wijze van meten uitputtend geregeld. Dit betekent dat voor aanvullende werking van artikel 2.5.24, tweede lid, van de bouwverordening geen plaats is. De omstandigheid dat het bestemmingsplan geen specifieke bepaling kent over het bepalen van het peil voor een bouwwerk dat is gelegen aan twee wegen met verschillende hoogten, kan daaraan niet afdoen.

   Zoals blijkt uit de aanvraag om bouwvergunning, zullen de te realiseren woningen worden gesitueerd tussen het Picképlein en de Katenblankweg en zal de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw aan de zijde van de Katenblankweg liggen. Ter zitting is vastgesteld dat deze hoofdtoegang niet direct aan de weg zal grenzen. Dit betekent dat, gelet op artikel 1, aanhef en onder w, onderdeel 2, van de planvoorschriften, de hoogte van de Katenblankweg als peil geldt. Dat aan het Picképlein een voorgevel is gelegen en de Katenblankweg geen oneven huisnummers kende, maakt dat niet anders, nu ingevolge het bestemmingsplan voor het bepalen van het peil slechts van belang is waar de hoofdtoegang na voltooiing van de bouw is gelegen. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7.    Gelet op hetgeen onder 2.5.1 is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] en het college gegrond. Het hoger beroep van omwonenden is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, vanwege het ontbreken van de bevoegdheid van het college ten tijde van het besluit van 9 mei 2006, het beroep van omwonenden gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Aangezien de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen op 6 juli 2006 op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd, ziet de Afdeling aanleiding om, doende hetgeen de voorzieningenrechter had behoren te doen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 mei 2006 in stand blijven.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van omwonenden ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] en het college gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 februari 2007, in zaak nrs. AWB 07/684 en 06/5127;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van omwonenden gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 9 mei 2006, kenmerk 20050104;

VI.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump     w.g. Van Driel

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

414.