Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200609395/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarn (hierna: het college) vrijstelling verleend van het uitbreidingsplan "Baarn in Hoofdzaak" (hierna: het bestemmingsplan) voor het aanleggen van een kinderspeelplaats op het terrein van de voormalige camping Bestevaer aan de August Janssenweg te Baarn (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/5302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609395/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Behoud de Eemvallei", gevestigd te Baarn,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 06 / 2098 van de rechtbank Utrecht van 22 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarn (hierna: het college) vrijstelling verleend van het uitbreidingsplan "Baarn in Hoofdzaak" (hierna: het bestemmingsplan) voor het aanleggen van een kinderspeelplaats op het terrein van de voormalige camping Bestevaer aan de August Janssenweg te Baarn (hierna: het project).

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2006, verzonden op 10 januari 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Zij heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 3 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [secretaris], is verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Het college heeft dat bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2007, gedaan. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, heeft appellante een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling van de zaak ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat het project buiten de in het streekplan Utrecht voor de gemeente Baarn vastgestelde bebouwingscontour is gesitueerd.

2.2.    De vrijstelling is verleend voor de aanleg van een geasfalteerd basket- en voetbalspeelveld van 15 bij 15 meter. Die aanleg is in strijd met de ter plaatse ingevolge het bestemmingsplan geldende bestemming "Agrarische bebouwing". Om de aanleg niettemin mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Ingevolge die bepaling kunnen burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen.

2.3.    Volgens paragraaf 3.1.1 van de "Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de Circulaire) van 12 november 2002 van gedeputeerde staten van Utrecht kan het college van burgemeester en wethouders, zonder vooraf een verklaring van geen bezwaar aan te vragen bij gedeputeerde staten vrijstelling verlenen voor projecten die in overeenstemming zijn met door gedeputeerde staten aanvaard gemeentelijk beleid, tenzij in het kader van de vrijstellingsprocedure zienswijzen kenbaar zijn gemaakt.

   Volgens paragraaf 3.1.2 kan het college van burgemeester en wethouders in een limitatief aantal opgesomde gevallen vrijstelling verlenen, zonder vooraf een verklaring van geen bezwaar aan te vragen bij gedeputeerde staten, ook als tegen de aanvraag om vrijstelling zienswijzen zijn ingediend. Projecten binnen deze categorie dienen, voor zover thans van belang, te liggen in het stedelijk gebied, zoals dit is begrensd door de bebouwingscontouren van het vigerende streekplan Utrecht.

2.4.    Aangezien in het kader van de vrijstellingsprocedure zienswijzen kenbaar zijn gemaakt, valt het project, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet onder de gevallen, bedoeld in paragraaf 3.1.1 van de Circulaire.

   Anders dan het college betoogt, valt het project evenmin onder de gevallen, bedoeld in paragraaf 3.1.2, aanhef en onder a., aangezien het project ten tijde van het besluit van 6 april 2006 buiten de in het streekplan Utrecht 2005-2015 voor de gemeente Baarn vastgestelde bebouwingscontour was gesitueerd. Het college kon derhalve niet krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verlenen, als het heeft gedaan.

   Het betoog slaagt.

2.5.    Het hoger beroep is reeds om die reden gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 6 april 2006 vernietigen. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt zij niet toe.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 december 2006 in zaak no. 06 / 2098;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarn van 6 april 2006, kenmerk JZ/ERM/nr.04.5995/BZW.310;

V.    gelast dat de gemeente Baarn aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 703,00 (zegge: zevenhonderddrie euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Hanrath

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

392