Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
200700729/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Elegance Health Centre Waalwijk vergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van een fitnessruimte op het perceel Eerste Zeine 120a te Waalwijk (hierna: de uitbreiding).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700729/1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/2062 van de rechtbank Breda van 19 december 2006 in het geding tussen:

[wederpartij] te [plaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Elegance Health Centre Waalwijk vergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van een fitnessruimte op het perceel Eerste Zeine 120a te Waalwijk (hierna: de uitbreiding).

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, bepaald dat de vergunning wordt verleend aan [vergunninghouder] en alsnog een binnenplanse vrijstelling verleend.

Bij uitspraak van 19 december 2006, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 23 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van de Werken en mr. R.G.L. van de Ven, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door J.C.A. Slaats, gemachtigde, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel ligt in het bestemmingsplan "Antoniusparochie" (hierna: het bestemmingsplan) en heeft daarin de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-".

    Ingevolge artikel III.3, lid A, onder I, sub b, van de planvoorschriften is het perceel bestemd voor bedrijfsdoeleinden, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en erven (…).

    Ingevolge artikel III.3, lid B, onder I, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mogen op genoemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat van de bedrijfsgebouwen de hoogte niet meer dan 5.50 meter mag bedragen (…).

    In artikel V.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van de bepalingen in de voorschriften ten aanzien van het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 10% mag worden afgeweken; de vrijstellingen mogen slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedebouwkundige hoofdstructuur van het plangebied.

2.2.    Vast staat dat de uitbreiding zich niet verdraagt met artikel III.3, lid B, onder I, aanhef en onder c, van de planvoorschriften omdat het een hoogte van 6 meter heeft. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college in het kader van de heroverweging alsnog gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel artikel V.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften en vrijstelling verleend ten aanzien van de hoogte tot 6 meter.

2.3.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd wegens strijd met de rechtsregel dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt (artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college, door de vrijstelling en de bouwvergunning te verlenen, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van privacy van [wederpartij]. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door de ramen in de uitbreiding van de fitnessruimte rechtstreeks zicht op de achtertuin van [wederpartij] is ontstaan, indien deze ramen niet zouden zijn voorzien van melkglas. De omstandigheden die het college heeft aangedragen doen, aldus de rechtbank, niet af aan de verplichting van het college om het recht op privacy en het eventueel verbinden van een voorwaarde aan de bouwvergunning tot het aanbrengen van melkglas in de ramen in de belangenafweging te betrekken. Bovendien had het college, aldus de rechtbank, in de belangenafweging moeten betrekken dat vergunninghouder ook zonder een daartoe strekkende voorwaarde reeds is overgegaan tot het aanbrengen van melkglas.

2.4.    Het college betoogt dat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd. Het college heeft daartoe aangevoerd dat aan de heroverweging in de beslissing op bezwaar een belangenafweging ten grondslag ligt waarbij de belangen van [wederpartij] zijn betrokken. Daarnaast heeft een rol gespeeld de afweging die is gemaakt bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft, aldus het college, miskend dat gegeven de omstandigheden van dit geval de belangen van [wederpartij] niet opwegen tegen de zwaarwegende belangen van vergunninghouder. Daarbij is in aanmerking genomen dat [wederpartij] nagenoeg dezelfde inbreuk op zijn woongenot zou ondervinden als gebouwd zou worden met een hoogte als in het bestemmingsplan voorzien.

2.5.    Dit betoog slaagt. Er is sprake van een geringe afwijking in de voorgeschreven maatvoering van het gebouw nu op grond van het bestemmingsplan een gebouw met een hoogte van 5,50 meter mogelijk is en het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat bebouwing in twee bouwlagen opgericht kan worden niet wordt geschonden. De vrijstelling heeft uitsluitend betrekking op een overschrijding van de maximumhoogte met 0,50 meter. De bezwaren van [wederpartij] richten zich - zo is ter zitting uitdrukkelijk aangegeven - niet tegen de bouwhoogte als zodanig maar tegen de toename van de inbreuk op zijn privacy door de inkijk die ontstaat vanuit de ramen van de uitbreiding en tegen het verlies van uitzicht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gevolgen voor de privacy en het uitzicht van [wederpartij] dezelfde zijn als bij een uitbreiding met een hoogte van 5.50 meter, die op grond van het bestemmingsplan zonder vrijstelling is toegestaan. Ook bij een uitbreiding met een hoogte van 5.50 meter met ramen op de tweede verdieping zal immers rechtstreeks zicht op de achtertuin van [wederpartij] en verlies van uitzicht ontstaan. De rechtbank heeft dan ook miskend dat de gevolgen van het bouwplan voor [wederpartij] niet worden veroorzaakt door de vrijstelling. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in zijn besluitvorming voldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van [wederpartij] en tot het oordeel heeft kunnen komen dat in de gegeven omstandigheden de belangen van [wederpartij] niet opwegen tegen de belangen van vergunninghouder. Niet kan dan ook staande worden gehouden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling als bedoeld in artikel V.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften te verlenen.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar alsnog ongegrond verklaren.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 december 2006 in zaak no. 06/2062;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump     w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007

224.