Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200701600/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2006 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 16.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [werknemer sub 1] en [werknemer sub 2].

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18
Wet arbeid vreemdelingen 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701600/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

vennootschap onder firma Perfect Kledingcorrectiebedrijf, gevestigd te Sassenheim,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/6348 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2006 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 16.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [werknemer sub 1] en [werknemer sub 2].

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 januari 2007, verzonden op 22 januari 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van [werknemer sub 2] ingekomen op 2 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 april 2007 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het ministerie, is verschenen. Appellante is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

   Ingevolge artikel 18a, derde lid, voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van het eerste lid met een rechtspersoon gelijkgesteld:

   1˚. de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door:

   a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste             € 11.250,

   b.    een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste             € 45.000.

   Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

   Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst) die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

   Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 per illegaal tewerkgestelde vreemdeling gesteld. Voor de werkgever als natuurlijk persoon wordt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

2.2.    Appellante betoogt dat, zakelijk weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat zij alles heeft gedaan om te zorgen voor een legaal dienstverband met [werknemer sub 1]     en dat aan de verklaring van één van haar vennoten dat deze ervan op de hoogte was dat [werknemer sub 1]     in Nederland geen arbeid mocht verrichten, geen waarde kan worden gehecht, omdat deze vennoot de Nederlandse taal slecht beheerst. Voorts betoogt zij dat de door haar gestelde omstandigheden dat zij [werknemer sub 1]     direct bij indiensttreding heeft aangemeld bij de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), steeds premies volks- en werknemersverzekeringen heeft afgedragen, een marktconform salaris heeft betaald en op geen enkel moment van de zijde van één van deze instanties erop is gewezen dat [werknemer sub 1]     niet in Nederland mocht werken, gelet op de doelstellingen van de Wav, van invloed dienen te zijn op de mate van verwijtbaarheid van de overtreding en derhalve op de hoogte van de op te leggen boete.

2.2.1.    In situaties van overtreding van de Wav waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient appellante aannemelijk te maken dat zij de maximale van haar te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van overtreding van de Wav. Hierin is zij niet geslaagd. Uit de verklaring van een van de vennoten van appellante behorende bij het op respectievelijk ambtseed en -belofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 30 september 2005 blijkt dat deze enige tijd voor de controle plaatsvond van het UWV had vernomen dat [werknemer sub 1]     in Nederland geen arbeid mocht verrichten. Nu het gehoor waarbij deze verklaring is afgelegd heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk, moet, anders dan appellante betoogt, van de juistheid van deze verklaring worden uitgegaan. De omstandigheid dat eerst op 27 juni 2005 een aantekening in het paspoort van [werknemer sub 1]     is geplaatst waaruit blijkt dat hij geen arbeid in Nederland mag verrichten, doet niet af aan de omstandigheid dat blijkens voormelde verklaring een van de vennoten van appellante voorafgaande aan de controle hiervan op de hoogte was.

   Voorts kan een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. Hiervan is in dit geval evenmin sprake. De omstandigheden dat appellante [werknemer sub 1]    , naar gesteld, een marktconform salaris heeft betaald en bij aanvang van het dienstverband heeft aangemeld bij de Belastingdienst en het UWV, maandelijks premies heeft afgedragen en dat [werknemer sub 1]     beschikte over een sofi-nummer, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid op grond waarvan de opgelegde boete dient te worden gematigd. Dat appellante heeft voldaan aan verplichtingen die op grond van andere wetten op haar rusten, laat onverlet dat zij niet heeft voldaan aan de uit de Wav voor haar als werkgever voortvloeiende verplichtingen. Voorts doet de gestelde omstandigheid dat voormelde betrokken instanties op de hoogte waren van de tewerkstelling zonder daarop wegens onregelmatigheden actie te ondernemen niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van appellante om als werkgever die vreemdelingen arbeid laat verrichten op de hoogte te zijn van de op haar rustende verplichtingen en daarnaar te handelen.

   De door appellante gestelde omstandigheden moeten voorts worden geacht te zijn betrokken bij de totstandkoming van de beleidsregels, zodat ook hierin geen grond bestaat voor het oordeel dat de opgelegde boete gematigd dient te worden.

   Het betoog van appellante faalt.

2.3.    Ten slotte betoogt appellante dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, nu het dienstverband met [werknemer sub 2]     dermate kort voor de controle door de Arbeidsinspectie is aangegaan en zij derhalve nog in afwachting was van de benodigde door [werknemer sub 2]     te overleggen bescheiden, ook hierom een matiging van de opgelegde boete aangewezen is voor zover het diens tewerkstelling betreft.

2.3.1.    Door [werknemer sub 2]     tewerk te stellen zonder te beschikken over de benodigde bescheiden en derhalve zonder zekerheid te hebben verkregen over diens [werknemer sub 2] , heeft appellante het risico aanvaard het in artikel 2, eerste lid, van de Wav gegeven verbod te overtreden. Ook wat [werknemer sub 2]     betreft, is van een specifieke omstandigheid waarin een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanwezig is, dan ook geen sprake. De rechtbank heeft hierin derhalve terecht evenmin een grond gevonden voor het oordeel dat de boete voor zover het de tewerkstelling van [werknemer sub 2]     betreft, diende te worden gematigd.

   Dit betoog faalt evenzeer.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Groeneweg

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

32-510.