Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200700595/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellanten vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel in het voordakvlak en het optrekken van de achtergevel van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2008/12  met annotatie van J. in 't Hout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700595/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06-6305 van de rechtbank Haarlem van 12 december 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonende te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellanten vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel in het voordakvlak en het optrekken van de achtergevel van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het college naar aanleiding van het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar de verleende lichte bouwvergunning herroepen en alsnog reguliere bouwvergunning verleend en het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2005, verzonden op 6 december 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 augustus 2005, voor zover bestreden, vernietigd.

Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het college het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2006, verzonden op 15 december 2006, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep door [wederpartijen] gegrond verklaard en het besluit van 9 juni 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

[derdebelanghebbende) is in de gelegenheid aan het geding deel te nemen en heeft op 21 maart 2007 een reactie ingediend.

Bij brief van 1 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. E. de Vilder, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is gehoord derdebelanghebbende, in persoon verschenen en bijgestaan door [gemachtigde].

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte het beroep van de derdebelanghebbende ontvankelijk heeft verklaard, nu deze  heeft nagelaten bezwaar in te dienen.

2.2.    Dit betoogt faalt. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 7 juli 1997, no. E01.94.0319,

BR 1998, 122 en Gst. 1998, 7087, 7) heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, gelet op tussen de voormalige eigenaar van de [locatie], [wederpartij], en derdebelanghebbende  gemaakte afspraken ter zake van de eigendomsoverdracht van die woning, kan worden aanvaard dat in geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel, ook de hoedanigheid van aanlegger in een eenmaal in bezwaar of beroep aanhangig gemaakt geschil overgaat van de vervreemder op de rechtverkrijgende.

2.3.    Het bouwplan voorziet onder meer in het optrekken van de achtergevel tot de aan de tweede verdiepingsvloer over de volle breedte van de woning op het perceel.

   Vast staat dat ten behoeve van het bouwplan uitsluitend met verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), bouwvergunning kan worden verleend.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet van dien aard is dat afgeweken dient te worden van de algemene beleidslijn van het college dat een beperkte verlies van vrij uitzicht, privacy, lichttoetreding en/of bewegingsvrijheid in een stedelijke omgeving behoort tot de normale maatschappelijke risico's.

   Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan een forse beïnvloeding zal hebben op de privacy van derdebelanghebbende.

2.4.1.    Uit de stukken alsmede op grond van het verhandelde ter zitting is gebleken dat alle woningen aan de [locatie] vanaf de bouw zijn voorzien van een serre over de volle breedte van de achtergevels. De serre heeft een schuin, glazen dak. Het dak van de serre grenst direct aan de dakgoot en vervolgens aan het schuine dakvlak van de woning, welke de tweede en de derde woonlaag beslaat.

2.4.2.    Bij uitspraak van 30 november 2005, no. AWB05/5322 en 05/5348, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 29 augustus 2005 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij heeft de voorzieningenrechter het navolgende overwogen:

"Het feit dat de woning - evenals alle omliggende woningen - vanaf de bouw beschikt over een serre met een glazen dak legt op verweerder een zwaardere motiveringsplicht voor zover het de invloed van het bouwplan op de privacy betreft. De voorzieningenrechter stelt namelijk vast dat, nu gebouwd wordt tot aan de scheidingsmuur van de naastgelegen woning en direct aansluitend aan het serredak er, gelet op de geringe afstand tussen de in de uitbreiding geprojecteerde raampartij en het glazen dak van de serredak van de naastgelegen woning, sprake is van een forse beïnvloeding van privacy van verzoekers.  Uit het bestreden besluit is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het college die heeft overwogen, zodat sprake is van een motiveringsgebrek.".

2.4.3.    In het thans voorliggende geschil ligt ter toetsing voor of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat, in het licht van de uitspraak van 30 november 2005, aan het besluit van 9 juni 2006 een motiveringsgebrek kleeft.

2.4.4.    De Afdeling is van oordeel dat het bij de bouw gehanteerde bouwconcept zoals onder 2.4.1. beschreven met zich brengt dat bij beoordeling van de mate van aantasting van privacy bij de bouw van een bouwwerk zoals door appellanten is aangevraagd, zwaardere eisen dienen te worden gesteld aan de bescherming van de privacy van derden.    

2.4.5.    Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat de voorzieningenrechter bij de uitspraak van 30 november 2005 heeft  geoordeeld dat het bouwplan een forse beïnvloeding op de privacy voor de derdebelanghebbende met zich zal brengen, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college bij het besluit van 9 juni 2006 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het verlenen van vrijstelling onder die omstandigheid gerechtvaardigd was.

Hetgeen het college daartoe heeft gesteld, te weten dat het raam dat het dichtst bij de scheidingsmuur is gelegen ondoorzichtig zal worden gemaakt en niet zal kunnen worden geopend, heeft de rechtbank, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007, no. 200607007/1 met juistheid onvoldoende geacht.  

2.5.    Voor zover appellanten zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel en daartoe wijzen op een vergelijkbare dakopbouw aan de [locatie], is ter zitting vast komen te staan dat de uitgangssituatie van de woningen aan die straat een andere is dan aan de [locatie].

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

328.