Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200700979/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006 heeft verweerder naar aanleiding van een melding van het college van burgemeester en wethouders van Bussum vastgesteld dat het gehele terrein van de voormalige stortplaats Gooiberg aan de Nieuwe Hilversumseweg te Bussum (hierna: de locatie) een geval van ernstige verontreiniging betreft, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 29 december 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/247
M en R 2008, 18 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Milieurecht Totaal 2007/4809
Milieurecht Totaal 2007/5331
Module Ruimtelijke ordening 2007/3096
JM 2007/156 met annotatie van Brakels
JBO 2007/110
JOM 2007/837
OGR-Updates.nl 1001492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700979/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft verweerder naar aanleiding van een melding van het college van burgemeester en wethouders van Bussum vastgesteld dat het gehele terrein van de voormalige stortplaats Gooiberg aan de Nieuwe Hilversumseweg te Bussum (hierna: de locatie) een geval van ernstige verontreiniging betreft, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Dit besluit is op 29 december 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2007, beroep ingesteld.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2007, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Bussum. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2007, waar appellanten, van wie [appellanten] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.M.A. Poppelaars, ing. E. de Chiara-Marinescu Neagu en drs. M.J. Eijndhoven, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Bussum, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, en J.H.M.F. Noteborn en ing. C. Aukes, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte opnieuw heeft beoordeeld of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en of spoedige sanering noodzakelijk is. Volgens hen was dit niet meer nodig, nu de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2005, no. 200407932/1, hierin reeds voorziet. Volgens appellanten had verweerder daarom moeten volstaan met het vaststellen van een datum waarop met de sanering moet worden aangevangen.

2.1.1.    Verweerder heeft bij besluit van 9 februari 2004 vastgesteld dat een deel van de locatie een geval van ernstige verontreiniging betreft, waarvan de sanering niet urgent is. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft hij bij besluit van 17 augustus 2004 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de beslissing op bezwaar van 17 augustus 2004 vernietigd en het primaire besluit van 9 februari 2004 herroepen bij haar uitspraak van 26 oktober 2005, in zaak no. 200407932/1. Anders dan appellanten hebben aangevoerd is in de uitspraak uitsluitend geoordeeld dat verweerder de deellocatie Gooiberg ten onrechte als afzonderlijk geval van verontreiniging heeft beschouwd, daar de verontreiniging zich mede uitstrekt tot het speelveld en een gedeelte van de begraafplaats. In de uitspraak is niet geoordeeld dat het een urgent geval van verontreiniging betreft. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

2.2.    Appellanten voeren aan dat zij economische, emotionele en welzijnsschade ondervinden als gevolg van de verontreiniging van de bodem van de voormalige stortplaats.

   De Afdeling overweegt dat deze aspecten geen rol spelen bij de beoordeling of in een geval van ernstige verontreiniging spoedige sanering noodzakelijk is, nu zij geen betrekking hebben op de bescherming van de bodem. Deze beroepsgrond faalt.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat spoedige sanering niet noodzakelijk is. Zij voeren hiertoe aan dat de ecologische en humane risico's onjuist zijn bepaald, met name nu in het bodemonderzoek ten onrechte slechts de eerste 0,5 meter van de bodem is betrokken.

2.3.1.    Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2.3.2.    Verweerder heeft de Circulaire bodemsanering 2006 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Circulaire) tot uitgangspunt genomen bij de vaststelling van de noodzaak tot spoedige sanering. Uit de Circulaire volgt dat voor landbodemverontreiniging, welke zich geheel of ten dele bevindt in de bovenste 0,5 meter van de onbedekte bodem, een combinatie van gebiedstype, oppervlakte en mate van HC50-overschrijding bepaalt of er onaanvaardbare ecologische risico's bestaan en daarmee de eventuele spoed van sanering. Volgens verweerder dient de onderhavige locatie te worden aangemerkt als gebiedstypen 'wonen met tuin' en 'grootschalig openbaar groen', als bedoeld in tabel 1 van de Circulaire. Voor voornoemde gebiedstypen bestaat volgens de Circulaire een onaanvaardbaar ecologisch risico indien de oppervlakte binnen de HC50-contour groter is dan 5.000 m³. In het bodemonderzoek van Oranjewoud, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 13 september 2006, zijn de HC50-contouren vastgesteld van een aantal verontreinigende stoffen. Uit dit rapport volgt volgens verweerder dat er geen ecologische en humane risico's zijn die sanering spoedeisend maken, nu de oppervlakte binnen de HC50-contour 4.500 m³ bedraagt.

2.3.3.    Het in de Circulaire opgenomen uitgangspunt dat de eerste 0,5 meter relevant is voor de beantwoording van de vraag of er ecologische risico's bestaan is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf als algemeen uitgangspunt niet onaanvaardbaar. Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling echter van oordeel dat dit uitgangspunt niet in alle gevallen een toereikende bescherming van het bodemleven biedt, daar de diepere bodemlagen met hun specifieke functie in de cyclus van afbraak en mineralisatie, ook een belangrijk deel van het ecosysteem vormen. Bij het hanteren van de Circulaire dient derhalve naar het oordeel van de Afdeling naast het algemene uitgangspunt ook rekening te worden gehouden met de eventuele invloed daarop van de bijzondere locatiespecifieke omstandigheden van het geval. Die omstandigheden kunnen ertoe nopen dat ook diepere lagen van de bodem worden betrokken bij de vaststelling of er ecologische risico's bestaan als gevolg van de ernstige verontreiniging. De locatie waar het bestreden besluit op ziet, bevindt zich op een voormalige stortplaats. Naar het oordeel van de Afdeling is dit een bijzondere locatiespecifieke omstandigheid waar verweerder niet zonder meer aan voorbij kon gaan bij de beoordeling van de ecologische risico's als gevolg van de ernstige verontreiniging. Nu verweerder dit heeft miskend, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten. Deze beroepsgrond slaagt.

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 19 december 2006, kenmerk 2006-69761;

III.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat    Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

407-492.