Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200605770/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2005 heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren het bestemmingsplan "Buitengebied Echt" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605770/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de raad van de gemeente Echt-Susteren,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2005 heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren het bestemmingsplan "Buitengebied Echt" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 juni 2006, kenmerk 2006/23848, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben de raad van de gemeente Echt-Susteren bij brief van 1 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2006, [appellant sub 2] bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2006, [appellanten sub 3] bij faxbericht van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en [appellant sub 3] bij brief van 16 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 september 2006, [appellanten sub 3], hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 september 2006.  

Bij brief van 10 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een schriftelijke uiteenzetting ontvangen van [partij A], die als partij tot het geding is toegelaten.

Na afloop van het vooronderzoek is een schriftelijke uiteenzetting ontvangen van [partij B], die als partij tot het geding is toegelaten.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2007, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A. Snijders, ambtenaar van de  gemeente, [appellant sub 2] in persoon en bijgestaan door N. Schoenmakers, [appellant sub 3A] in persoon en bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. T. Karasu en verweerder vertegenwoordigd door mr. drs. M. Pörteners-Dawickzyk zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [partij B], vertegenwoordigd door mr. J.C. van Vuren. [appellant sub 3B] en [appellant sub 3C] zijn niet ter zitting verschenen en hebben zich niet doen vertegenwoordigen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke  Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van de raad van de gemeente Echt-Susteren

2.2.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de nadere  aanduiding 'Agrarische bouwkavel', alsmede aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding 'tr' (transportbedrijf) ter plaatse van [locatie 1] te [plaats], nu de aanduiding 'Agrarische bouwkavel' niet overeenkomt met het feitelijk gebruik van de gronden voor de uitoefening van een transportbedrijf en de gemeenteraad voorts onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het plan niet voorziet in uitbreidingsruimte voor dit bedrijf. Gelet hierop is het plan volgens verweerder op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met het recht tot stand gekomen.

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan bovengenoemde plandelen en voert hiertoe aan dat verweerder de in het geding zijnde belangen onjuist heeft afgewogen nu aan de illegaal gerealiseerde uitbreiding een te groot belang is toegekend. Voorts stelt appellant dat het bieden van uitbreidingsmogelijkheden aan een transportbedrijf in het buitengebied in strijd is met het concentratiebeleid voor bedrijven en met het buitengebiedbeleid, zoals neergelegd in paragraaf 5.8 van de plantoelichting, aangezien de overlast voor omwonenden zal toenemen en de inbreuk op het landschap zal worden vergroot.

2.4.    Op het perceel aan de [locatie 1] is het transportbedrijf [partij B] gevestigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit transportbedrijf onder het vorige plan en in strijd daarmee is aangevangen. In het nu voorliggende plan is het voorste gedeelte van het perceel bestemd als "Niet-agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding 'transportbedrijf (tr)'. Op het achterliggende gedeelte van het perceel rust de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de nadere  aanduiding 'Agrarische bouwkavel'.

2.5.    In paragraaf 5.8 van de plantoelichting staat dat bedrijven die geen functionele binding hebben met het buitengebied niet daar thuis horen, maar op een bedrijventerrein. Bij bestaande, niet aan het buitengebied gebonden, bedrijven wordt gestreefd naar sanering of verplaatsing naar een meer geschikte locatie. Indien sanering of verplaatsing niet mogelijk is, geldt per locatie een eenmalige uitbreiding van maximaal 10 % tenzij specifieke belangen zich tegen uitbreiding verzetten.

2.6.    Als specifieke belangen die zich tegen uitbreiding verzetten, heeft appellant aangevoerd dat de vanwege het transportbedrijf uitgevoerde transportbewegingen door het buitengebied en de kern Sint Joost leiden tot geluidoverlast, verkeersoverlast, verkeersonveiligheid, schade aan lokale wegen en verstoring van de natuurlijke leefomgeving en dat een uitbreiding zal leiden tot een toename van de overlast. Voorts heeft appellant erop gewezen dat het transportbedrijf in het recente verleden illegaal is uitgebreid en dat hij dit niet wenst te legaliseren.    

2.6.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad onvoldoende heeft onderbouwd waarom het plan geen uitbreidingsmogelijkheden biedt voor het transportbedrijf. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de gemeenteraad enkel heeft gewezen op vermeende overlast nu tijdens de hoorzitting naar voren is gekomen dat het transportbedrijf geen milieuvoorschriften overtreedt.

2.6.2.    Dienaangaande overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling of sprake is van overlast, de normen die aan de milieuregelgeving kunnen worden ontleend slechts één onderdeel vormen van de in beschouwing te nemen aspecten binnen de brede afweging van alle bij een goede ruimtelijke ordening betrokken belangen. Verweerder heeft derhalve voor de beoordeling van eventuele overlast niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de milieuvergunning.

2.7.    Volgens appellant is het bestreden besluit voorts ondeugdelijk gemotiveerd nu verweerder zijn stelling, dat verplaatsing van het bedrijf financieel niet haalbaar is, onvoldoende heeft onderbouwd.

2.7.1.    Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op een namens het transportbedrijf [partij B] overgelegde notitie van Bongers, Posthumus en Verboord Accountants/Belastingadviseurs van 21 juli 2004  waarin aan de hand van een berekening wordt geconcludeerd dat na bedrijfsverplaatsing een structureel verliesgevende exploitatie zal ontstaan, zodat bedrijfsverplaatsing om bedrijfseconomische redenen niet haalbaar is.

2.7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling is deze berekening onvolledig reeds omdat de opbrengst die uit de verkoop van de bij de bedrijfsverplaatsing vrijkomende gronden kan worden gegenereerd, daarin niet is meegenomen. De stelling van verweerder ter zitting dat de grondsaneringskosten waarschijnlijk dermate hoog zullen zijn dat deze niet worden gedekt door de opbrengst die de verkoop van de bij de bedrijfsverplaatsing vrijkomende gronden zal opleveren, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien deze stelling niet is gestaafd. Voorts heeft verweerder niet bij de beoordeling betrokken dat het gemeentebestuur heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de oprichting van Ruimte voor Ruimte-woningen op de bij verplaatsing van het transportbedrijf vrijkomende locatie aan de [locatie 1].

Het bovenstaande in aanmerking nemend, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling niet op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad onvoldoende heeft beargumenteerd waarom aan het transportbedrijf geen uitbreidingsruimte is geboden.

2.8.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de nadere aanduiding 'Agrarische bouwkavel', alsmede aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding 'tr' ter plaatse van [locatie 1].

Het beroep van [appellant sub 2]

2.9.    Appellant stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woonbestemming voor zijn perceel, kadastraal bekend […], aan de [locatie 2] te [plaats]. Hij voert hiertoe aan dat een woning op dat perceel geen afbreuk zal doen aan het landschappelijk karakter van de omgeving maar dit juist zal versterken doordat meer symmetrie in de reeds aanwezige bebouwing zal ontstaan. Voorts is er aan de Weijenpasweg en de St. Joosterweg wel woningbouw toegestaan, zodat op grond van het gelijkheidsbeginsel ook op zijn perceel woningbouw mogelijk moet zijn.

2.10.    De gemeenteraad acht een woonbestemming voor het perceel ongewenst, nu dit ligt buiten de bebouwde kom, in een uitloper met verspreid liggende bebouwing. Er zijn in het gebied veel open plekken, waarvan verdichting ongewenst is. Dergelijke landschappelijke karakteristieken zijn kenmerkend voor Koningsbosch. Ook aan de Weijenpasweg en de Sint Joosterweg zijn vergelijkbare situaties te vinden. Indien op één van deze locaties woningbouw zou worden toegestaan, zou op grond van het gelijkheidsbeginsel ook op de andere locaties woningbouw moeten worden toegestaan, hetgeen ongewenst is. Ingevolge gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid geldt een restrictief beleid voor het oprichten van (woon)bebouwing in het buitengebied.

   Verweerder heeft in het bestreden besluit ingestemd met bovenstaand standpunt van de gemeenteraad. Ten aanzien van de door appellant in het kader van het gelijkheidsbeginsel gemaakte vergelijking met  Ruimte voor Ruimte-woningen stelt verweerder dat van een vergelijkbare situatie geen sprake is nu bij de Ruimte voor Ruimte-regeling sprake is van sloop van een substantiële hoeveelheid bebouwing in het buitengebied.

2.11.    Aan het perceel van appellant is de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend en het beroep richt zich tegen deze bestemming. Het perceel ligt aan de zuidzijde van de Molenweg en heeft een oppervlakte van ongeveer 2000 m². Aan de oostzijde grenst het perceel aan bestaande lintbebouwing, aan de westzijde grenst het perceel aan een onbebouwd perceel.

2.12.    In paragraaf 5.7 van de plantoelichting staat dat het oprichten van nieuwe woningen uitgesloten is in het buitengebied, gezien het ontbreken van een functionele binding met het buitengebied en de beperkingen die dit met zich brengt voor agrarische bedrijven. Wel staat de gemeente positief tegenover de zogenaamde Ruimte voor Ruimte-woningen, aldus de plantoelichting.

2.13.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het toevoegen van een woning op zijn perceel geen afbreuk zal doen aan het landschappelijk karakter van de omgeving. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel onderdeel uitmaakt van een open ruimte tussen de bestaande bebouwing. Het toevoegen van een woning op het perceel van appellant zal de openheid van de directe omgeving aantasten. Voorts heeft verweerder belang kunnen hechten aan het restrictieve beleid voor het oprichten van (woon)bebouwing in het buitengebied.

   Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de woningbouwmogelijkheden aan de Sint Joosterweg te Sint Joost en de Koestraat te Koningsbosch, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de vertegenwoordiger van de gemeenteraad ter zitting heeft aangegeven dat deze woningbouwmogelijkheden in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling zijn geschapen. Deze regeling biedt niet de mogelijkheid zonder meer nieuwe woningen in het buitengebied te bouwen en het verzoek van appellant is daar wel op gericht.

De door appellant gemaakte vergelijking met het voornemen aan de Weijenpasweg 25 woningen te bouwen leidt evenmin tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel nu de aanleg van een woonwijk van 25 woningen niet kan worden aangemerkt als een met de bouw van één woning vergelijkbare situatie. Overigens is de keuze voor deze woningbouwlocatie volgens de gemeenteraad ook ingegeven door de Ruimte voor Ruimte-regeling.

2.14.    De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.15.    Anders dan de gemeenteraad en verweerder, is de Afdeling van oordeel dat het beroep ontvankelijk is, voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische bouwkavel" met de nadere aanduiding 'minicamping (mc)' ter plaatse van het perceel aan de Waldfeuchterbaan 107, omdat in het kader van de bestemmingsplanprocedure ten onrechte geen milieubeoordeling, als bedoeld in de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna: SMB-richtlijn), is uitgevoerd. Hiertoe overweegt de Afdeling dat appellanten in hun zienswijze bezwaar hebben gemaakt tegen het genoemde plandeel. Het in beroep gestelde over de milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn kan als nader argument voor dit bezwaar worden aangemerkt.

2.15.1.    Het betoog van appellanten slaagt evenwel niet. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de verplichting tot het uitvoeren van een milieubeoordeling, ingevolge artikel 13, derde lid, van de SMB-richtlijn, van toepassing is op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004, dan wel plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan vierentwintig maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving. In aanmerking genomen dat de terinzagelegging van het voorontwerp van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden vanaf 23 januari 2004 tot en met 19 februari 2004 en het plan op 3 november 2005 is vastgesteld, is de SMB-richtlijn niet van toepassing, zodat hieruit geen verplichting voortvloeit een milieubeoordeling uit te voeren.

2.16.    Appellanten betogen voorts dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering aangezien de  exploitant van het agrarisch bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107 na de hoorzitting op 15 maart 2006 aan verweerder meitellingen van 2005 en foto's van de fruitteelt op het bedrijf heeft verstrekt ter ondersteuning van de door Area Adviseurs gemaakte berekening van de omvang van het agrarisch bedrijf van 27 januari 2006 en verweerder deze meitellingen en foto's niet aan hen heeft toegezonden.

2.16.1.    Uit de WRO noch enige andere bepaling volgt dat verweerder gehouden is de indieners van bedenkingen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan die na de terinzagelegging van het vastgestelde plan nog aan hem worden toegezonden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding aanleiding bestaan de indieners van bedenkingen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en hun de gelegenheid te bieden hierop te reageren. Daarbij acht de Afdeling in dit geval van belang dat appellanten in reactie op de door Area Adviseurs gemaakte berekening hebben aangegeven dat niet duidelijk is waarop deze berekening is gebaseerd, bijvoorbeeld omdat geen meitellingen zijn overgelegd. Voorts is in dit kader van belang dat verweerder het bestreden besluit ten aanzien van de omvang van het agrarisch bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107 uitdrukkelijk heeft gemotiveerd met een verwijzing naar de meitellingen van 2005 en de foto's van de fruitteelt op het bedrijf. Deze stukken zijn derhalve doorslaggevend geweest voor de beslissing van verweerder omtrent de door appellanten ingebrachte bedenkingen. Gelet hierop lag het naar het oordeel van de Afdeling in de rede deze stukken aan appellanten toe te zenden en hen in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bouwkavel" met de nadere aanduiding 'minicamping (mc)' ter plaatse van het perceel aan de Waldfeuchterbaan 107.

2.17.    Appellanten stellen verder dat aan het betrokken perceel ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend, nu er al tientallen jaren geen agrarische activiteiten plaatsvinden. Voorts zijn de artikelen 4.2 en 4.6.12 van de planvoorschriften innerlijk tegenstrijdig. Bovendien voorziet het plan in te ruime mogelijkheden voor recreatieve nevenactiviteiten naast kleinschalig kamperen en bevat het plan een wijzigingsbevoegdheid naar een niet-agrarisch bedrijf en meer (grootschalige) recreatieve voorzieningen. Appellanten vrezen dat hierdoor hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast doordat zij hinder zullen ondervinden van deze ontwikkelingen en deze een verkeersaantrekkende werking zullen hebben.

2.18.    Verweerder stelt dat aan het agrarisch bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107 terecht een agrarisch bouwkavel is toegekend nu in de plantoelichting staat dat de minimum bedrijfsomvang voor toekenning van een agrarisch bouwvlak is vastgesteld op 3 Nederlandse Grootte Eenheid (hierna: NGE) en de omvang van het bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107 door Area adviseurs is berekend op 5.2 NGE. Voorts stelt verweerder dat de algemene vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden binnen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" gelden voor alle agrarische bedrijven en alleen als aan de daaraan gestelde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn volgens verweerder zodanig dat de vrees van appellanten voor grootschalige recreatieve voorzieningen en bijkomende hinder niet wordt gedeeld.

2.19.    In paragraaf 5.1 van de plantoelichting staat dat NGE een economische maat is waarbij wordt uitgegaan van het saldo van de opbrengsten minus de kosten die per product gemaakt worden en dat de minimum bedrijfsomvang voor toekenning van een agrarisch bouwvlak is vastgesteld op 3 NGE.

   In paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat het opstarten van een boerderijcamping alleen is toegestaan als neventak voor agrarische bedrijven en niet bij woningen en andersoortige bedrijven is toegestaan. Reden hiervoor is dat agrarische bedrijven dragers zijn van het landelijk gebied en de neveninkomsten nodig kunnen hebben om levensvatbaar te blijven. Het toestaan bij woningen en andere bedrijfsvormen beperkt de mogelijkheden voor de agrarische sector.

2.20.    Area Adviseurs heeft in haar berekening van 27 januari 2006 de omvang van het agrarisch bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107 vastgesteld op 5.2 NGE. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het de Afdeling niet duidelijk geworden of deze berekening is gebaseerd op de juiste feitelijke gegevens. Hiertoe overweegt de Afdeling dat onduidelijk is gebleven of het grasland waar kampeermiddelen mogen worden gesitueerd in de berekening tevens is meegenomen als grasland dat wordt gebruikt voor agrarische productiedoeleinden. Voorts blijkt uit de meitellingen van 2005 dat overige pit- en steenvruchten tezamen met kleinfruit een oppervlakte van 36 are beslaan, terwijl in de berekening van Area Adviseurs deze teelten een oppervlakte van 44 are beslaan. Verweerder heeft ter zitting geen verklaring voor dit verschil kunnen geven.

Gelet op het vorenstaande had het op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te verrichten naar de omvang van het agrarisch bedrijf aan de Waldfeuchterbaan 107. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is ook op dit punt gegrond, zodat de goedkeuring van het in rechtsoverweging 2.16.1 genoemde plandeel ook hierom dient te worden vernietigd.

2.21.    In het verweerschrift alsmede ter zitting heeft verweerder aangegeven dat artikel 4.2, onder j, van de planvoorschriften niet helemaal consistent is met artikel 4.6.12 van de planvoorschriften ten aanzien van de situering van de kampeermiddelen. Daardoor is niet duidelijk of de kampeermiddelen alleen binnen het bouwvlak mogen worden gesitueerd of ook binnen een zone van 50 meter daaromheen.

2.21.1.    Dienaangaande overweegt de Afdeling dat bovengenoemde planvoorschriften evenmin consistent zijn in de omschrijving van de activiteit nu artikel 4.2, onder j, de term 'minicamping' bezigt en artikel 4.6.12 de term 'kleinschalig kamperen'. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling niet duidelijk hoe artikel 4.6.12, onder c, dient te worden gelezen indien artikel 4.6.12, onder b, niet direct van toepassing is op de niet-agrarische nevenactiviteit minicamping. Ook is de verwijzing in artikel 4.6.12 naar artikel 4.4, onder f, niet correct aangezien dit moet zijn artikel 4.4, onder g, doch dit kan worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

Gelet op het vorenstaande is het plan op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het betrokken plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is ook op dit punt gegrond, zodat de goedkeuring van het in rechtsoverweging 2.16.1 genoemde plandeel ook hierom dient te worden vernietigd. Aangezien hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding tevens goedkeuring te onthouden aan dat plandeel.

   De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.22.    Appellant stelt dat het plan ten onrechte voorziet in het legaliseren van een ongeveer tien jaar geleden illegaal op een perceel, ongenummerd, aan de Heiligenweg te Echt geplaatste zeecontainer door het toekennen van een agrarische bouwkavel voor dat perceel. Appellant betoogt dat de container in de tuin van [partij A] staat en door hem wordt gebruikt voor de opslag van tuingereedschap en dat verweerder en het gemeentebestuur er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de container in gebruik is bij [belanghebbende] ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Nu het bouwwerk niet ten dienste staat van een agrarisch bedrijf is sprake van strijd met artikel 4.2 van de planvoorschriften. Het plan voorziet voorts in te ruime bouwmogelijkheden, aangezien op het bouwvlak een bouwwerk met een bouwhoogte van maximaal 10 meter en een maximale goothoogte van 6 meter is toegestaan. Verweerder is volgens appellant voorts niet ingegaan op zijn bedenking dat de gemeenteraad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat via de welstandstoets in het kader van het verlenen van de bouwvergunning te hoge bebouwing kan worden tegengegaan, nu volgens de jurisprudentie de bouw van een bouwwerk overeenkomstig het bestemmingsplan niet middels een welstandstoets is tegen te houden. Ook omdat op nog twee onderdelen van zijn bedenkingen niet is ingegaan acht appellant het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

2.23.    Verweerder verwijst naar een positief advies van 4 februari 1998 van de provinciale Adviescommissie Agrarische Vestigingen over het bouwen van een hulpgebouw met een maximale oppervlakte van 25 m². De op de plankaart opgenomen agrarische bouwkavel is in overeenstemming met een op 12 augustus 1999 afgegeven verklaring van geen bezwaar. Voorts is bij de bestemmingsplanvoorbereiding gebleken dat de omvang van het bedrijf van [belanghebbende] 27 NGE bedraagt, zodat een agrarische bouwkavel gerechtvaardigd is. Verder zijn in het plan voor alle agrarische bouwkavels in het plangebied gelijke bouwvoorschriften opgenomen en kan verweerder zich vinden in het standpunt van de gemeenteraad dat er geen reden bestaat deze systematiek in dit geval te verlaten.

2.24.      Zowel de gemeenteraad als verweerder hebben zich gedurende de procedure op het standpunt gesteld dat het plan terecht voorziet in een agrarische bouwkavel ter plaatse van het genoemde perceel omdat de op dat perceel aanwezige zeecontainer wordt gebruikt door [belanghebbende] ten behoeve van de uitoefening van zijn agrarisch bedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerder en de gemeenteraad dit standpunt echter onvoldoende gestaafd. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit de van de gemeenteraad ontvangen pachtovereenkomst en de verklaring van PFA accountancy van 28 februari 2002 weliswaar kan worden afgeleid dat [belanghebbende] een agrarisch bedrijf uitoefent, maar niet dat de zeecontainer ten behoeve van dat bedrijf wordt gebruikt.

Verder is ter zitting gebleken dat noch de gemeenteraad noch verweerder onderzoek ter plaatse hebben verricht naar wie gebruik maakt van de zeecontainer. Ook hebben de gemeenteraad en verweerder niet bestreden dat uit de door appellant ter zitting getoonde foto's van de zeecontainer en de directe omgeving daarvan niet kan worden afgeleid dat de zeecontainer ten behoeve van het agrarisch bedrijf van [belanghebbende] wordt gebruikt.

2.25.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de aanduiding 'Agrarische bouwkavel' ter plaatse van het perceel van [partij A], ongenummerd, aan de Heiligenweg te Echt.

Proceskostenveroordeling

2.26.    Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van de raad van de gemeente Echt-Susteren is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellanten sub 3] en van [appellant sub 4] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Echt-Susteren, [appellanten sub 3] en van [appellant sub 4] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 13 juni 2006, kenmerk 2006/23848, voor zover daarbij:

a. goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" met de nadere aanduiding 'Agrarische bouwkavel', alsmede aan het plandeel met de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding 'tr' ter plaatse van [locatie 1],

b. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bouwkavel" met de nadere aanduiding 'minicamping (mc)' ter plaatse van het perceel aan de Waldfeuchterbaan 107 en

c. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de aanduiding 'Agrarische bouwkavel' ter plaatse van het perceel van [partij A], ongenummerd, aan de Heiligenweg te Echt;

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II.b genoemde plandeel;

IV.    bepaalt dat hetgeen onder III. staat in de plaats treedt van het besluit voor zover dat op dit onderdeel is vernietigd;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot een vergoeding van bij appellanten sub 3 en 4 in verband met de behandeling, van het beroep opgekomen proceskosten op de volgende wijze:

a. een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor [appellanten sub 3] gezamenlijk, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. een bedrag van € 362,93 (zegge: driehonderdtweeënzestig euro en drieënnegentig cent) voor [appellant sub 3A], waarvan een gedeelte groot € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en

c. een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshondervierenveertig euro) voor [appellant sub 4], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Limburg aan de genoemde appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten sub 1, 3 en 4 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt en wel aan de raad van de gemeente Echt-Susteren

€ 281,00 (zegge tweehonderdeenentachtig euro), aan [appellanten sub 3] gezamenlijk € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) en aan [appellant sub 4] € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto     w.g. Troost

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

234-472.