Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200705538/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2006 heeft de gemeenteraad van Oss, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 december 2006, het bestemmingsplan "Megen Kapelstraat/Meerstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705538/2.

Datum uitspraak: 4 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2006 heeft de gemeenteraad van Oss, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 december 2006, het bestemmingsplan "Megen Kapelstraat/Meerstraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juni 2007, no. 1256015, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 2 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2007, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door J.A.J.M. van Houtum, is verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Oss gehoord, vertegenwoordigd door C.M. Aarns-Hurenkamp en J.J.A.M. Wingens, ambtenaren van de gemeente. Verweerder is met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Met het plan wordt beoogd de bouw van ongeveer 70 woningen mogelijk te maken aan de zuidelijke rand van de bestaande dorpskern Megen.

2.3.    Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan en verzoekt om schorsing van het bestreden besluit.

Verzoeker voert onder andere aan dat verweerder zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd terzake van het aspect geurhinder.

Verzoeker is van mening dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, aangezien de woningen binnen de invloedssfeer van zijn agrarische bedrijf zijn voorzien. Tevens stelt verzoeker dat de geurhindercirkel vanwege zijn bedrijf ten onrechte niet vanaf de grens van het bouwblok is gemeten.

Verder wijst verzoeker erop dat de voorziene woningen een geurbelasting van tussen de 3,0 en 6,0 odour units per kubieke meter lucht zullen ondervinden. Nu geen verordening als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) is opgesteld betekent een dergelijke geurbelasting een overschrijding van de in deze wet opgenomen norm.

Voorts is volgens verzoeker geen rekening gehouden met de cumulatieve geurhinder op de in het plan voorziene woningen.

Tevens vreest verzoeker dat de bewoners van de in het plan voorziene woningen zullen klagen over geurhinder, waardoor hij in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt.

2.4.    Het bestreden besluit strekt tot goedkeuring van het bestemmingsplan. Verweerder stelt dat de gemeenteraad ten tijde van de vaststelling terecht heeft getoetst aan de Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996 en de Brochure veehouderij en hinderwet 1985. Gelet op inmiddels inwerking getreden Wet geurhinder heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden het gemeentebestuur verzocht een onderzoek te laten verrichten naar de gevolgen van de Wet geurhinder voor het onderhavige plan.

Omdat de gemeenteraad de gewenste inrichting van het plangebied heeft aangegeven en de gemeenteraad in het kader van een nog op te stellen gebiedsvisie een verordening overweegt als bedoeld in de Wet geurhinder kan bij de eventuele aanvraag om een milieuvergunning voor het bedrijf van verzoeker worden voldaan aan de normen van de Wet geurhinder, aldus verweerder. Wat betreft de in het plan voorziene woningen binnen de contour van 6,0, dan wel 3,0 odour units per kubieke meter lucht, heeft verweerder overwogen dat een dergelijk geurbelasting ter plaatse aanvaardbaar is.

2.5.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat op het bedrijf van verzoekster de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder opgenomen norm van toepassing is, hetgeen met zich brengt dat een vergunning voor een veehouderij zal worden geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deelgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder.

2.6.    Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder in werking getreden. Het bestreden besluit dateert van na genoemde datum, zodat verweerder deze wet aan het bestreden besluit ten grondslag diende te leggen.

Gelet op het overwogene onder 2.4. is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wet geurhinder voor het onderhavige bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport van het RMB van 23 mei 2007. Volgens dit rapport ligt uitgaande van het zogenoemde "worst case scenario" dan wel het "default scenario", (vrijwel) het gehele plangebied binnen de contour van 3,0 odour units per kubieke meter lucht. Volgens het rapport ligt het plangebied wanneer wordt uitgegaan van de feitelijke situatie grotendeels tussen de contour van 6,0 en 3,0 odour units per kubieke meter lucht.

Gelet op het vorenstaande heeft de Voorzitter de verwachting dat noch in de "worst case-situatie", noch in de "de default-situatie", noch uitgaande van de werkelijke situatie wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was ten tijde van het bestreden besluit geen verordening van kracht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder. Voorts is naar het oordeel van de Voorzitter in de stukken en ter zitting niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom met betrekking tot de geurbelasting op de in het plan voorziene woningen kan worden afgeweken van de op grond van de Wet geurhinder geldende normen die voor die woningen gelden bij vergunningverlening voor veehouderijen. Gezien het vorenstaande bestaat thans geen aanleiding om op voorhand de verwachting uit te spreken dat de goedkeuring van het bestemmingsplan in de bodemprocedure in stand zal blijven. Gelet hierop acht de Voorzitter, mede gezien de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van verzoeker te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 4 juni 2007, kenmerk 1256015;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 677,93 (zegge: zeshonderdzevenenzeventig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Tuit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2007

425.