Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200607541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 1984, wijziging t.b.v. een agrarisch bouwperceel aan de Voetakkerweg (Meteren)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607541/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 1984, wijziging t.b.v. een agrarisch bouwperceel aan de Voetakkerweg (Meteren)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 augustus 2004, kenmerk nr. RE2004.64825 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

De Afdeling heeft dit besluit bij uitspraak van 13 april 2005, zaak no. 200408586/1, geheel vernietigd.

Bij besluit van 22 augustus 2006, kenmerk 2006-011766, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 16 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en [appellanten sub 2] bij brief van 17 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 november 2006 heeft [belanghebbende], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 12 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellanten sub 2]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2007, waar [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. ing. T. Steenbeek, gemachtigde en het college, vertegenwoordigd door drs. R. Oldebesten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het wijzigingsplan voorziet op de gronden met kadastraal nummer […], sectie […], in een nieuw agrarisch bouwperceel voor de vestiging van een fruitteeltbedrijf aan de Voetakkerweg in Meteren. [belanghebbende] is eigenaar van het bedrijf. Verweerder heeft goedkeuring verleend aan het wijzigingsplan. Appellanten, die aan weerszijden van het agrarisch bouwperceel wonen, richten zich in beroep tegen dit goedkeuringsbesluit.

2.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust daarnaast op verweerder de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Appellanten betogen dat het bestreden besluit nog altijd niet op een deugdelijke motivering berust. Daartoe voeren zij onder meer aan dat verweerder heeft miskend dat het plan zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat, hetgeen reeds kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de geluidsvoorschriften uit het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer alleen niet toereikend zijn geacht om hinder te voorkomen.

2.3.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, op grond van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en door het vaststellen van nadere eisen, een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.3.2.    In opdracht van [belanghebbende] is door Ulehake Bouwfysica een akoestisch rapport opgesteld, "Fruitteeltbedrijf [belanghebbende] Meteren", van 30 juni 2005, gewijzigd 10 oktober 2005. Ulehake Bouwfysica heeft onderzocht of het fruitteeltbedrijf voldoet aan de geluideisen in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Met een berekening is inzicht gegeven in de gevolgen voor het woon- en leefklimaat op het aspect geluid. De voertuigbewegingen, de maximale geluidsniveaus op de naastgelegen woningen en een mogelijke koelinstallatie zijn daarbij betrokken. In het akoestisch onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geluidnormen als genoemd in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.

2.3.3.    Anders dan appellanten betogen is de indirecte hinder van verkeer van en naar de inrichting niet buiten beschouwing gelaten, maar is deze volgens het akoestisch rapport te verwaarlozen, gezien de aard van de inrichting en haar activiteiten. [belanghebbende] heeft nadrukkelijk aangegeven dat er geen kersen vanaf het huisperceel verkocht gaan worden, zodat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor meer verkeersbewegingen door thuisverkoop niet behoeft te worden gevreesd. Verder is in het rapport geen rekening gehouden met vrachtwagenbewegingen ten behoeve van laden en lossen op het perceel, aangezien de op het terrein aanwezige smalspoortractor - waarmee in het onderzoek wel rekening is gehouden - ook gebruikt wordt voor het transport van en naar de veiling.

Voor zover appellanten betogen dat ter plaatse volgens het wijzigingsplan ook een veehouderij gevestigd kan worden en dat hiermee in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat de woningen van appellanten op een afstand van ongeveer 8 meter respectievelijk 12 meter zijn gelegen van het perceel waarop het fruitteeltbedrijf zal worden gevestigd. Hieruit volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet realistisch is te veronderstellen dat aldaar de oprichting van een veehouderij zal kunnen worden toegestaan. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat uit hetgeen appellanten aanvoeren niet blijkt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

2.3.4.    Het akoestisch rapport is blijkens een memo van 29 november 2006 beoordeeld door het gemeentelijke samenwerkingsverband Regio Rivierenland. Regio Rivierenland heeft het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer vergeleken met de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Regio Rivierenland adviseert ter beperking van eventuele hinder in de toekomst voor omwonenden nadere eisen te stellen. Als belangrijkste te stellen beperking voor de bedrijfsvoering wordt voorgesteld het niet mogen rijden met voertuigen (anders dan personenauto's) en het niet mogen uitvoeren van werkzaamheden op het buitenterrein, beide tussen 19.00 uur en 07.00 uur. Bij brief van 9 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders voorgestelde nadere eisen gesteld. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat desalniettemin ter plaatse ernstige geluidsoverlast ten gevolge van het plan zal optreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door middel van het stellen van nadere eisen in het milieuspoor een acceptabel woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd. Het beroep faalt in zoverre.

2.4.    Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 2] dat de opgelegde nadere eisen niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het beroep kan dan ook in zoverre niet slagen.

2.5.    Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het plan strijdig is met het op 28 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied", omdat daaruit zou volgen dat ter plaatse geen fruitteeltbedrijf mogelijk is. Aangezien vast staat dat het in het wijzigingsplan betrokken perceel geen deel uitmaakt van het gebied van dat bestemmingsplan, faalt dit betoog.

2.6.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het fruitteeltbedrijf beter aan de Engweg kan worden gevestigd, omdat die locatie minder overlast geeft, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7.    [appellanten sub 2] voeren verder aan dat verweerder niet had mogen volstaan met het overnemen van de motivering van het college.

Verweerder heeft in zijn besluit aangegeven dat hem de weerlegging van de zienswijzen plausibel voorkomt. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit meer in het algemeen betoogd dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening noch in strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid, als neergelegd in het Streekplan Gelderland 2005, noch in strijd met het recht.

Naar het oordeel van de Afdeling dient deze weerlegging te worden beschouwd als het standpunt van verweerder. Het volgen van een dergelijke handelwijze leidt niet op voorhand tot de conclusie dat verweerder zich niet een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. In beginsel staat geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking zou komen. De beroepen van appellanten zijn in zoverre ongegrond.

2.8.    [appellanten sub 2] betogen voorts dat zij door het plan beperkt worden in de uitbreiding van hun woning.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitbreidingsmogelijkheden van de woning van appellanten als gevolg van de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel klasse A niet worden beperkt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1984" de woning onder de overgangsbepaling agrarische gebieden valt. Binnen deze overgangsbepaling mogen woningen met 25% worden uitgebreid, mits de inhoud van een woning na uitbreiding niet groter zal worden dan 500 m3. Ter zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat beperkte uitbreiding van de burgerwoning van appellanten nog steeds mogelijk is. De uitbreiding van die woning wordt volgens het college niet beperkt door het naastgelegen bedrijf, maar door de overgangsbepaling uit het ter plaatse van die woning vigerend bestemmingsplan. Gelet hierop faalt het betoog.

2.9.    [appellanten sub 2] voeren verder aan dat geen aandacht is besteed aan de waterhuishouding op het perceel.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de invloed van de voorgenomen bestemmingswijziging en de uitvoering van het bouwplan op de waterhuishouding gering zal zijn, waardoor niet te verwachten valt dat een en ander gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.10.    Voorts betogen [appellanten sub 2] dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de luchtkwaliteit en met name niet is ingegaan op de toename van zwevende deeltjes.

Uit de stukken blijkt dat onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het wijzigingsplan voor de luchtkwaliteit. Uit de berekeningen naar aanleiding van het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 gestelde grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes niet worden overschreden, alsmede dat de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes niet meer dan 35 keer per jaar wordt overschreden. Nu uit hetgeen appellanten aanvoeren niet blijkt dat het luchtkwaliteitsonderzoek onjuistheden dan wel leemten in kennis bevat, slaagt het beroep in zoverre niet.

2.11.    Ten slotte voeren [appellanten sub 2] aan dat verweerder, door in het nieuwe goedkeuringsbesluit het oude bedrijfsonderzoek te betrekken, heeft miskend dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het fruitteeltbedrijf, nu daarvoor van een verouderd bedrijfsonderzoek is uitgegaan.

   Uit de stukken blijkt dat het bedrijfsonderzoek dateert van 2003. Hieruit volgt dat het stuk naar het oordeel van de Afdeling niet dermate verouderd is dat verweerder dit niet mede aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.12.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Egmond

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

426.