Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200706684/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voor de inrichting van verzoekster verleende milieuvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007/389 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3542
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706684/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Winterswijkse Mengunie B.V.", gevestigd te Winterswijk,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voor de inrichting van verzoekster verleende milieuvergunning.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 21 september 2007 heeft verweerder een reactie op het verzoekschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [bedrijfsjurist], en H. Navis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J. Wesseling, L.P.M.J. van den Broek en J.H. ten Klooster, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 23 juni 1998 heeft verweerder aan verzoekster een revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer verleend voor een diervoedermengfabriek. Bij besluit van 20 september 2005 heeft verweerder de voorschriften van deze vergunning geactualiseerd door een nieuwe  revisievergunning te verlenen.

2.1.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat verzoekster een dwangsom verbeurt van € 250 (met een maximum van € 25.000) voor elke dag dat in strijd met voorschrift 10.1.2 van die vergunning geen doelmatige filterinstallatie in de inrichting van verzoekster is geïnstalleerd. Daarbij is begunstigingstermijn van één maand gesteld.

2.1.2.    Voorschrift 10.1.2 luidt als volgt:

"De afgassen van de afzuiging van de koeler/korrelpers moeten door een doelmatige filterinstallatie worden geleid alvorens in de buitenlucht te worden geëmitteerd. Het stofgehalte in de geëmitteerde luchtstromen afkomstig uit de filterinstallatie (...) mag ten hoogste 5 mg/m03 bedragen."

2.2.    Verzoekster betoogt dat het opleggen van een last onder dwangsom onevenredig is omdat met een cycloon, zoals die in de mengvoederfabriek is gerealiseerd, ook wordt voldaan aan de emissie-eis van 5 mg/m03 die in hetzelfde voorschrift is neergelegd. Dit blijkt, aldus verzoekster, uit het rapport van Lichtveld Buis & Partners BV van 30 januari 1997, dat is overgelegd bij de aanvraag die ten grondslag ligt aan de vergunning van 1998 (hierna: het rapport van LBP). Het aanbrengen van een filter, als in voorschrift 10.1.2 is voorgeschreven, dient aldus geen redelijk doel.    

2.2.1.    Verweerder bestrijdt de conclusie van het rapport van LBP dat met de toepassing van een cycloon wordt voldaan aan de emissie-eis. Het is volgens verweerder bekend dat hiermee slechts een stofafscheiding kan worden gerealiseerd van ongeveer 20 mg/m03. Met de toepassing van filterdoeken kan volgens hem wel worden voldaan aan de eis van 5 mg/m03. Verweerder wijst er op dat tegen het besluit van 20 september 2005 geen beroep is ingesteld, zodat het voorschrift rechtskracht heeft en aldus moet worden nageleefd.

2.2.2.    Vaststaat dat in de inrichting van verzoekster geen filterinstallatie als bedoeld in voorschrift 10.1.2 is aangebracht. Verweerder kon derhalve ter zake handhavend optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.3.    Uit het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het rapport van LBP blijkt dat met de toepassing van een cycloon in de mengvoederfabriek aan de emissie-eis van 5 mg/m03 wordt voldaan. In het besluit van 20 september 2005, waarbij voorschrift 10.1.2 is gesteld, heeft verweerder - mede naar aanleiding van door verzoekster ingebrachte bedenkingen - uitvoerig gemotiveerd waarom hij de uitkomsten van dat onderzoek niet betrouwbaar acht en derhalve niet overneemt en dat een doelmatige filterinstallatie nodig is om de eis van 5 mg/m03 te kunnen naleven. Verzoekster heeft geen beroep tegen dat besluit ingesteld. Evenmin heeft verzoekster in deze procedure de stellingname van verweerder gemotiveerd weerlegd.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht geen grond gezien om vanwege bijzondere omstandigheden af te zien van het nemen van handhavingsmaatregelen. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over de brief waarin het voornemen tot handhaving bekend is gemaakt en het tijdsverloop tussen dat voornemen en het bestreden besluit, ziet de Voorzitter evenmin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen reeds omdat deze gronden niet de inhoud van het bestreden besluit raken.  

2.4.    Verzoekster stelt ten slotte dat de begunstigingstermijn van één maand te kort is om de filterinstallatie te plaatsen.

       Volgens verweerder is voor het plaatsen van een doekfilterinstallatie een termijn van één tot drie maanden gebruikelijk. Hij heeft gekozen voor één maand omdat het voorschrift reeds lange tijd bekend was en van de zijde van verzoekster was meegedeeld dat de installatie niet zou worden gerealiseerd.

2.4.1.    Artikel 5:32 vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt - kort gezegd - dat in de beschikking een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Anders dan verweerder kennelijk veronderstelt kan de omstandigheid dat het overtreden voorschrift al lang bekend is noch de bereidwilligheid van de aangeschrevene de lengte van de begunstigingstermijn bepalen.

   Gelet op het verhandelde ter zitting moet een termijn van één maand te kort worden geacht om de installatie te plaatsen. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Een termijn van drie maanden kan in redelijkheid voldoende worden geacht om aan de last te voldoen.  

   De Voorzitter zal dienovereenkomstig een voorlopige voorziening treffen.

2.5.    Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek wat betreft de begunstigingstermijn wordt ingewilligd en voor het overige wordt afgewezen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk van 15 augustus 2007, kenmerk 008311, voor zover daarbij een begunstigingstermijn is gesteld van één maand;

II.    treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn drie maanden bedraagt, te rekenen vanaf de datum waarop deze uitspraak is verzonden;

III.    wijst het verzoek voor het overige af;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Winterswijk aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

V.    gelast dat de gemeente Winterswijk aan verzoekster het door hem  voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehondervijfentachtig euro  vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen     w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007

190.