Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200701590/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een melkrundveehouderij, gelegen aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 25 januari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/587
JOM 2009/588
JOM 2009/589
JOM 2009/586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701590/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een melkrundveehouderij, gelegen aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 25 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 6 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2007, en appellanten sub 2 bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 april 2007.

Bij brief van 26 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2007, waar appellanten sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. A. van der Leest, en appellanten sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. H.A. Wieringa, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Thole en ing. W.M. Masselink, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. K. Streutker en ing. A.U.G. Beltau.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben appellanten sub 1 hun beroep, voor zover dit betrekking heeft op het Besluit luchtkwaliteit 2005, ingetrokken. Appellanten sub 2 hebben ter zitting hun beroep, voor zover dit betrekking heeft op het verruimen van de geluidgrenswaarden, ingetrokken.

2.2.    Bij besluit van 22 februari 2005 is voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend. Bij het bestreden besluit is een veranderingsvergunning verleend. Er is onder meer vergunning verleend voor nieuwe stallen, een afvalwaterzuiveringsinstallatie, bovengrondse mestopslagbassins, een reinigingsplaats en silo's.

2.3.    Hetgeen appellanten sub 1 hebben aangevoerd over de beschrijving in de aanvraag van de afvalwaterzuiveringsinstallatie leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Deze grond kan niet slagen.

2.4.    Appellanten sub 2 stellen dat een akoestisch rapport van 17 juli 2006 ten onrechte niet met het ontwerp van het bestreden besluit ter inzage heeft gelegen.

   Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp ter inzage leggen.

   Het door appellanten bedoelde akoestisch rapport is blijkens de stukken opgesteld ter voldoening aan een voorschrift van de bij besluit van 22 februari 2005 verleende revisievergunning. Het rapport is niet opgesteld in verband met de aanvraag van de thans aan de orde zijnde veranderingsvergunning. Nu het geen op het ontwerp van de veranderingsvergunning betrekking hebbend stuk is, hoefde verweerder dit stuk niet overeenkomstig artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage te leggen. Deze grond treft geen doel.

2.5.    Appellanten sub 1 betogen dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat rekening is gehouden met de samenhang met de tevens aangevraagde vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

   Dit betoog mist feitelijke grondslag. In de considerans bij het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de samenhang tussen de twee gevraagde vergunningen.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.7.    Appellanten sub 1 en 2 betogen dat het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport onjuist is. Hiertoe voeren zij aan dat de gehanteerde uitgangspunten omtrent het aantal vrachtwagenbewegingen innerlijk tegenstrijdig zijn, nu er in het rapport aan de ene kant van wordt uitgegaan dat vrachtwagenbewegingen alleen gedurende de dag plaatsvinden, terwijl er aan de andere kant van is uitgegaan dat vrachtwagenbewegingen ook in de nachtperiode plaatsvinden. Verder betogen appellanten sub 2 dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een toename van het aantal vrachtwagenbewegingen nu de productiecapaciteit toeneemt. Voorts voeren zij aan dat nu uit de aanvraag niet blijkt waar de compressor voor de hogedrukspuit is gesitueerd, onduidelijk is of bij de berekening van de geluidbelasting is uitgegaan van de juiste modellering. Ook zou van een onjuiste duur van het gebruik van de perscontainer en de hogedrukspuit zijn uitgegaan. Tot slot stellen zij dat de dockshelter niet conform de in het geluidrapport tot uitgangspunt genomen situatie is uitgevoerd.

2.7.1.    In de tekst van het geluidrapport is - zo is door verweerder ook erkend - abusievelijk vermeld dat in de nachtperiode geen transportbewegingen plaatsvinden. In de nachtperiode vinden er wel transportbewegingen plaats, en die zijn ook betrokken bij de berekening van de geluidemissie van de inrichting. Voorts blijkt uit de stukken dat het aantal vrachtwagenbewegingen niet toeneemt, nu de aan- en afvoer zal plaatsvinden door middel van tankauto's met een grotere capaciteit waardoor per vrachtwagenbeweging meer vervoerd kan worden. Gelet op het vorenstaande is er geen reden om aan te nemen dat het geluidrapport geen juist beeld geeft van de geluidemissie van de transportbewegingen.

   De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niet van heeft kunnen uitgaan dat de compressor, de hogedrukspuit en de perscontainer niet op juiste wijze in het geluidonderzoek zijn betrokken. Tot slot is in het geluidrapport terecht uitgegaan van de aangevraagde en de bij de revisievergunning van 22 februari 2005 vergunde situatie, en niet van de - naar appellanten stellen - in de praktijk daarvan afwijkende uitvoering van de dockshelter. Bovendien is ter zitting gebleken dat de dockshelter inmiddels grotendeels conform de vergunde en in het geluidrapport als uitgangspunt genomen situatie is uitgevoerd en op zeer korte termijn zal zijn gerealiseerd. De betogen treffen geen doel.

2.8.    Appellanten sub 1 en 2 menen dat de geluidhinder onvoldoende wordt beperkt. In dat verband stellen appellanten sub 1 dat verweerder de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten onrechte heeft verruimd ten opzichte van de bij besluit van 22 februari 2005 verleende revisievergunning. Appellanten sub 2 voeren aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, met het oog op het veroorzaakte geluidniveau, het gebruik van de chillers en de dieselheftruck aan de beste beschikbare technieken voldoen.

2.8.1.    Verweerder heeft in voorschrift D.1 grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving. De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn lager dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte richtwaarden voor een landelijke omgeving. Verweerder heeft de in voorschrift D.1 opgenomen geluidgrenswaarden dan ook in redelijkheid toereikend kunnen achten. Dat in de eerder verleende revisievergunning andere geluidgrenswaarden zijn gesteld, maakt dat niet anders.

   Vergunninghoudster heeft ter zitting uiteengezet dat de in de inrichting gebruikte chillers beide voldoen aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een andere conclusie. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd weergegeven waarom de dieselheftruck als beste beschikbare technieken kan worden aangemerkt. De enkele stelling van appellanten sub 2 dat de dieselheftruck niet aan de beste beschikbare technieken voldoet, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit standpunt niet op goede gronden heeft kunnen innemen. Deze gronden slagen niet.

2.9.    Appellanten sub 1 en 2 vrezen voor stankhinder als gevolg van de stallen. Hiertoe voeren zij aan dat nu verweerder geen voorschriften omtrent het gehanteerde stalsysteem aan de vergunning heeft verbonden, onduidelijk is of de omgeving voldoende wordt beschermd tegen stankhinder. Verder betogen appellanten sub 1 dat het vergunde stalsysteem niet voldoet aan de beste beschikbare technieken.

2.9.1.    Nu de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit onderdeel is van de vergunning is, anders dan appellanten menen, in de vergunning vastgelegd welk stalsysteem moet worden toegepast. In de niet nader onderbouwde stelling dat dit stalsysteem niet een in aanmerking komende beste beschikbare techniek inhoudt, vindt de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet op goede gronden het tegendeel heeft kunnen concluderen. Deze gronden falen.    

2.10.    Appellanten sub 1 zijn voorts bevreesd voor stankhinder van de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Zij stellen dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht welke geuremissie optreedt als gevolg van het in werking zijn van de afvalwaterzuiveringsinstallatie.

   Verweerder heeft uiteengezet dat uitsluitend de beluchtingstank van de afvalwaterzuiveringsinstallatie een geurbron zou kunnen zijn. Deze tank verspreidt echter onder normale omstandigheden geen geur. Er is geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. Voor verweerder bestond gelet hierop geen reden om nader onderzoek uit te voeren naar mogelijke geur van de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Deze grond treft dan ook geen doel.

2.11.    Appellanten sub 2 stellen dat het gezien de feitelijke situatie niet mogelijk is dat spoelwater via de opvangput naar de buffertank loopt.

   Uit de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, volgt dat de spoelplaats is voorzien van een betonnen vloer en het spoelwater wordt opgevangen in een afvalwatergoot. Er is geen reden om aan te nemen dat dit spoelwater niet vervolgens naar de buffertank zou kunnen worden afgevoerd. Voor zover appellanten vrezen dat het spoelwater niet via de buffertank wordt afgevoerd, betreft dit dan ook een kwestie van handhaving van de vergunning en heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.12.    Appellanten sub 2 stellen visuele hinder te ervaren door de komst van drie silo's.

   De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze grond slaagt niet.

2.13.    Appellanten sub 2 stellen dat het gebruik van de lichtmasten en de inpandige verlichting tot onaanvaardbare lichthinder leidt.

   In vergunningvoorschrift A.6, behorende bij de revisievergunning van 22 februari 2005, is bepaald dat de in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting en de te verrichten werkzaamheden moeten zijn afgeschermd, zodat buiten de inrichting geen hinderlijke lichtstraling wordt veroorzaakt.

   De Afdeling stelt voorop dat dit voorschrift eveneens betrekking heeft op de gewijzigde activiteiten. Gelet op hetgeen is bepaald in voorschrift A.6, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat lichthinder afkomstig uit de inrichting wordt voorkomen dan wel zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.14.    Wat betreft het betoog van appellanten sub 2 dat de (bedrijfs)woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] deel uitmaken van de onderhavige inrichting, omdat naar deze percelen vervoersbewegingen en op deze percelen activiteiten ten behoeve van de inrichting plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat op deze percelen geen activiteiten zijn aangevraagd en vergund. In zoverre mist het beroep feitelijke grondslag.

2.15.    De enkele stelling van appellanten sub 2 dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de mogelijkheid van het verpompen van melk en het gedeeltelijk op stal houden van vee, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in dit opzicht in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.16.    Voor zover appellanten sub 1 en 2 zich tot slot in het beroepschrift voor het overige hebben beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat verweerder in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. Appellanten sub 1 en 2 hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

2.17.    De beroepen van appellanten sub 1 en 2 zijn ongegrond.

2.18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink     w.g. Van der Zijpp

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

262-517