Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200608850/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 1998 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/1604
JOM 2009/551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608850/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats], zich noemend "Werkgroep Nijmeegs Spoor",

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 1998 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement op het perceel Stationsplein 1-5 te Nijmegen.

Bij uitspraak van de Afdeling van 5 september 2001, no. E03.98.1223, is dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 5 februari 2002 een nieuw besluit genomen.

Bij uitspraak van 12 februari 2003, no. 200201738/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 17 juni 2003 een nieuw besluit genomen.

Bij uitspraak van 21 juli 2004, no. 200305297/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 10 oktober 2006 de voorschriften 10.4 en 10.5 aan de bij besluit van 6 juli 1998 verleende revisievergunning verbonden. Dit besluit is op 30 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 mei 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2007, waar [namen 2 appellanten], bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. van den Bergh en B. Overes, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. C.T.M. Bomers.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3.    Bij het besluit van 6 juli 1998 is een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor onder meer een rangeer- en opstelemplacement met bijbehorende voorzieningen. Bij het bestreden besluit zijn aan deze vergunning de voorschriften 10.4. en 10.5 verbonden, waarin geluidgrenswaarden voor de inrichting zijn gesteld.

2.4.    Appellanten kunnen zich allereerst niet met voorschrift 10.4 verenigen. Ingevolge dit voorschrift mag, kort weergegeven, het piekgeluidniveau, met uitzondering van de onvermijdbaar optredende boog-, rem-, rol- en stootgeluiden, de in het voorschrift nader aangeduide grenswaarden niet overschrijden.

2.4.1.    Appellanten betogen dat booggeluiden ten onrechte van de gestelde grenswaarden voor het piekgeluidniveau zijn uitgezonderd, nu uit een geluidrapport van 15 december 2005, opgesteld door DGMR, blijkt dat de optredende booggeluiden niet bepalend zijn voor de hoogte van de piekgeluiden.

   In het rapport is vermeld dat het optredende booggeluid door het aanbrengen van spoorstaafconditioneerinstallaties bijna geheel is teruggebracht, echter booggeluiden kunnen - zij het zeer beperkt - blijven optreden. Uit het deskundigenbericht blijkt dat dan niet wordt voldaan aan de in voorschrift 10.4 gestelde piekgeluidgrenswaarden. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat booggeluiden niet in alle gevallen aan de in voorschrift 10.4 gestelde piekgeluidgrenswaarden kunnen voldoen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4.2.    Voorts is volgens appellanten onduidelijk wat onder onvermijdbaar booggeluid als bedoeld in voorschrift 10.4 moet worden verstaan.

   Naar het oordeel van de Afdeling moet onder onvermijdbaar booggeluid als bedoeld in dit voorschrift worden verstaan: booggeluid dat ondanks het treffen van maatregelen, zoals het aanbrengen van spoorstaafconditioneerinstallaties, optreedt als gevolg van het in het gebruik zijn van de inrichting en niet aan de in voorschrift 10.4 gestelde piekgeluidgrenswaarden voldoet. Het voorschrift is in dit opzicht voldoende duidelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4.3.    Verder betogen appellanten dat in voorschrift 10.4 ten onrechte naast boog- en remgeluiden ook rol- en stootgeluiden van de gestelde grenswaarden voor het piekgeluidniveau worden uitgezonderd, nu de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2004 - naar aanleiding waarvan het voorschrift is gesteld - daarop geen betrekking had.

   In de uitspraak van 21 juli 2004 is geen oordeel gegeven over het uitzonderen van piekgeluid van rol- en stootgeluiden. Deze uitspraak verzet zich dan ook niet tegen het uitzonderen van dergelijke geluiden van toetsing aan de piekgeluidgrenswaarde. Uit een notitie van 27 april 2006, opgesteld door DGMR, blijkt dat door optredende rol- en stootgeluiden in ieder geval gedurende de nachtperiode niet aan het gestelde piekgeluidniveau kan worden voldaan. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat zonder een uitzondering voor de rol- en stootgeluiden niet aan de in voorschrift 10.4 gestelde piekgeluidgrenswaarden kan worden voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.4.4.    Tot slot voeren appellanten met betrekking tot voorschrift 10.4 aan, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat verweerder de daarin opgenomen uitzonderingen ten onrechte niet heeft beperkt tot piekgeluid van het zogenoemd blokgeremd materieel.

   Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de overschrijding van de in voorschrift 10.4 gestelde grenswaarden niet slechts door blokgeremd materieel worden veroorzaakt, heeft verweerder de uitzondering in voorschrift 10.4 op goede gronden niet beperkt tot blokgeremd materieel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5.    Appellanten kunnen zich evenmin verenigen met voorschrift 10.5. Ingevolge dit voorschrift mogen piekgeluidniveaus als gevolg van

boog-, rem-, rol- en stootgeluiden maximaal twee maal per uur de waarde uit tabel B met maximaal 8 dB(A) overschrijden. In tabel B zijn voor een aantal woningen in de omgeving van de inrichting grenswaarden opgenomen tot een maximum van 75 dB(A). In het voorschrift is bepaald dat de beoordelingsperiode van één uur ieder heel uur gestart kan worden en alleen gepauzeerd wordt bij het optreden van stoorgeluiden door niet inrichtinggebonden bronnen. Als definitie van boogpiek is gegeven: "Een signaal dient onderbroken te worden gedurende ten minste twee seconden of aanwijsbaar van een andere wissel en/of bak afkomstig te zijn. Indien het booggeluid door twee draaistellen van twee verschillende bakken wordt veroorzaakt (waar te nemen als zeer kort op elkaar volgend piepen die als één wissel worden waargenomen), wordt deze als piek beoordeeld."

2.5.1.    Met betrekking tot voorschrift 10.5 betogen appellanten dat dit voorschrift onvoldoende bescherming biedt, nu dit voorschrift een piekgeluidbelasting van ruim 80 dB(A) toestaat. Verder zou de in dit voorschrift geregelde beoordelingsperiode van één uur op een andere wijze kunnen worden vormgegeven, en vragen zij zich af of de definitie van 'boogpiek' juist is. Tot slot hebben zij ter zitting gesteld dat voorschrift 10.5 onduidelijk is geformuleerd omdat gedurende één beoordelingsperiode nooit twee keer een maximaal piekgeluid zou kunnen optreden.

2.5.2.    In voorschrift 10.5 is geregeld dat de in tabel B van dat voorschrift genoemde piekgeluidniveaus maximaal twee maal per uur mogen worden overschreden. Dit is, anders dan appellanten betogen, niet onduidelijk.

   Verder is in het deskundigenbericht zowel ten aanzien van de definitie van 'boogpiek' als ten aanzien van de systematiek van de beoordelingsperiode geconcludeerd dat er geen reden is om aan de juistheid ervan te twijfelen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander standpunt.

   De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.    

2.5.3.    Blijkens het bij de aanvraag van de op 6 juli 1998 verleende vergunning behorende geluidrapport is het gebruik op het emplacement van materiaal met gietijzeren blokremmen, waaronder het zogenoemde reizigersmaterieel Mat'64, aangevraagd. Met name dit materiaal veroorzaakt blijkens het deskundigenbericht de hoge geluidniveaus waarop de in voorschrift 10.5 opgenomen piekgeluidgrenswaarden zijn gebaseerd.

   Bij het besluit van 6 juli 1998 is de vergunning overeenkomstig de aanvraag verleend; de aanvraag maakt blijkens het dictum van dat besluit ook deel uit van de vergunning. De vergunning als zodanig is in de daartegen gerichte beroepsprocedure(s) in stand gebleven. Dit brengt mee dat de aangevraagde activiteiten, waaronder het gebruik van treinen met gietijzeren blokremmen, mogen plaatsvinden. De op een later moment aan deze vergunning te verbinden voorschriften mogen deze activiteiten niet onmogelijk maken. Dit zou in strijd zijn met het systeem van de Wet milieubeheer.

   Thans staat gelet hierop ter beoordeling of verweerder heeft mogen oordelen dat met voorschrift 10.5 de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting zo veel mogelijk wordt beperkt zonder de vergunde activiteiten onmogelijk te maken.

   Mede gezien een nadere notitie van 9 december 2005, opgesteld door DGMR moet ervan worden uitgegaan dat de in voorschrift 10.5 gestelde geluidgrenswaarden aansluiten bij het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau. Ter zitting is door verweerder uiteengezet dat hierbij alle maatregelen ter beperking van de geluidbelasting die binnen de vergunde situatie mogelijk zijn, zijn getroffen. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. Hierbij acht zij in het bijzonder van belang dat gesteld noch gebleken is dat er momenteel technieken bestaan die het door het vergunde materiaal met gietijzeren blokremmen veroorzaakte piekgeluid verder kunnen beperken.

   Gezien het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat voorschrift 10.5 het piekgeluid zo veel mogelijk beperkt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5.4.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink     w.g. Van der Zijpp

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

262-517.