Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200702010/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) geweigerd het rijbewijs van appellant te vernieuwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702010/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1607 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) geweigerd het rijbewijs van appellant te vernieuwen.

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft de burgemeester het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2007, verzonden op 5 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 mei 2007 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.M.C. de Kok, advocaat te Liempde, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.G.L. Landman-Kop, ambtenaar der gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 26, eerste volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) zijn allen voor de wet gelijk en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de richtlijn no. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (Pb L 237 van 24 augustus 1991; zoals nadien gewijzigd; hierna: de richtlijn) is de afgifte van het rijbewijs aan de volgende voorwaarden onderworpen:

b. de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.

   Ingevolge artikel 9, eerste alinea, van de richtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder 'gewone verblijfplaats' verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

   Ingevolge artikel 111, derde lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) wordt een rijbewijs aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet.

   Ingevolge artikel 119, eerste lid, onder a, van de WVW 1994 geeft degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen een nieuw rijbewijs af bij vernieuwing van het eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs.

   Ingevolge artikel 32, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het reglement) dient de aanvrager, indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs aan een aanvrager aan wie nog niet eerder een rijbewijs is afgegeven voor de rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs in verband met een gevorderd onderzoek naar diens rijvaardigheid tot het besturen van motorrijtuigen ongeldig is verklaard, dan wel de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor een categorie of categorieën waarvoor een eerder aan de aanvrager afgegeven rijbewijs ongeldig is verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de WVW 1994

a. op het moment van de aanvraag in Nederland woonachtig te zijn en tevens

I. in de onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaande periode van één jaar ten minste 184 dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest of

II. gedurende een periode van ten minste zes maanden te zijn ingeschreven aan een in Nederland gevestigde universiteit, school voor middelbaar, voortgezet of hoger beroepsonderwijs of andere school voor middelbaar, voortgezet of hoger onderwijs, dan wel

b. in de onmiddellijk aan het moment van de aanvraag voorafgaande periode van één jaar ten minste 185 dagen in Nederland woonachtig te zijn geweest.

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester de vervolgafgifte van het rijbewijs van appellant heeft mogen weigeren omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. De toepassing die de burgemeester geeft aan artikel 111, derde lid, van de WVW 1994 is, zo overweegt de rechtbank, niet in strijd met artikel 26 van het IVBPR. De rechtbank acht de richtlijn niet van toepassing in het onderhavige geval.

2.3.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het niet vernieuwen van zijn rijbewijs in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR omdat bij vernieuwing zijn rechtspositie gelijk zal blijven en dat van opbouw daarvan geen sprake zal zijn. Voorts betoogt appellant, met een verwijzing naar artikel 7 in samenhang met artikel 9 van de richtlijn, dat deze wel in zijn geval van toepassing is.

2.4.    Niet in geschil is dat appellant, die de Armeense nationaliteit heeft, vreemdeling is, geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

2.5.    Vast staat dat op de voet van artikel 111, derde lid, eerste volzin, van de WVW 1994 de aanvrager van een rijbewijs die vreemdeling is en niet voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden, anders wordt behandeld dan andere aanvragers die wel rechtmatig in Nederland verblijven. De Afdeling is van oordeel dat in de doelstelling van dit onderdeel van de WVW 1994 - inhoudende dat alleen zij die rechtmatig in Nederland verblijven, de gelegenheid hebben hier een rechtspositie op te bouwen - een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid is gelegen.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 september 2000 in zaak no. 199903656/1 (AB 2001, 52) wordt het met het maken van het onderscheid door de wetgever beoogde doel gediend met de in geding zijnde weigering. De afgifte van een rijbewijs zou immers tot gevolg hebben dat appellant, in strijd met artikel 111, derde lid, eerste volzin, van de WVW 1994, in Nederland een rechtspositie opbouwt. Dat appellant gedurende tien jaar in het bezit is geweest van een rijbewijs doet hieraan niet af. De geldigheidsduur van het oude rijbewijs was verstreken en appellant diende opnieuw een rijbewijs aan te vragen, bij verkrijging waarvan hij opnieuw een rechtpositie opbouwt.

   De Afdeling komt, evenals de rechtbank, tot de slotsom dat de toepassing die de burgemeester aan artikel 111, derde lid, eerste volzin, van de WVW 1994 heeft gegeven niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR.

2.6.    De wetgever heeft beoogd in artikel 32 van het reglement uitvoering te geven aan de in artikel 7, eerste lid, onder b, van de richtlijn gegeven basiseis dat de lidstaten hun nationale rijbewijzen slechts afgeven aan personen die in de lidstaat van afgifte hun gewone verblijfplaats hebben. Gelet op de bewoording van artikel 32 van het reglement, die vrijwel identiek is aan die van artikel 7, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 9, eerste alinea, van de richtlijn, moet het bepaalde uit de richtlijn worden geacht op correcte wijze te zijn geïmplementeerd in het reglement.

   Het begrip 'woonachtig zijn' wordt blijkens de toelichting bij het reglement gebezigd in de zin van feitelijk woonachtig zijn. Artikel 111, derde lid, van de WVW 1994 heeft een geheel andere achtergrond. Het ziet op de rechtmatigheid van het verblijf van de aanvrager. De tekst van de richtlijn en de toelichting daarbij sluiten niet uit dat lidstaten een dergelijk nader voorschrift voor het verkrijgen van een rijbewijs in hun nationale wetgeving opnemen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de definiëring van het begrip 'woonachtig zijn' niet aan de in artikel 111, derde lid, van de WVW 1994 gestelde voorwaarde in de weg staat.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met enige aanvulling van de gronden te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens     w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

290.