Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB5200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
200701911/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) geweigerd de door appellante gevraagde documenten volledig openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701911/1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], verblijvende te [plaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/3682 en 06/236 van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) geweigerd de door appellante gevraagde documenten volledig openbaar te maken.

Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 15 en 16 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 april 2007 heeft appellante de toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij brief van 16 mei 2007 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, en de Minister, vertegenwoordigd door M.M.A. Reith, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp), tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder persoonsgegeven verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

   Ingevolge artikel 16 van de Wbp, voor zover van belang, is de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid en van strafrechtelijke persoonsgegevens verboden.

2.2.    Naar aanleiding van een melding van de curator van appellante inzake enige voorvallen die zouden hebben plaatsgevonden in het centrum voor Gespecialiseerde Psychiatrie Wolfheze, 'De Gelderse Roos' (hierna: het GPW) alwaar appellante verblijft, heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de IGZ) een onderzoek verricht. Appellante heeft met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van diverse stukken die betrekking hebben op dat onderzoek.

2.3.    Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft de Minister zijn weigering om het dossier van het onderzoek van de IGZ volledig openbaar te maken in stand gelaten. De Minister heeft twee documenten op basis van de Wbp aan appellante verstrekt. De overige documenten zijn onder weglakking van persoonsgegevens openbaar gemaakt.

2.4.    De Minister heeft zich beroepen op de belangen die gediend zijn met het niet openbaar maken van de identiteit van de betrokken personen, als ook van bijzondere gegevens, omdat het hier gaat om informatie over kwetsbare patiënten in een privacygevoelige context. Deze gegevens zijn door de Minister aangemerkt als persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wbp. Om het risico op herleidbaarheid tot de betrokken personen te vermijden, heeft de Minister niet alleen de namen van patiënten weggelakt maar ook andere naar zijn oordeel identificerende gegevens. De namen zijn niet vervangen door initialen noch zijn de betrokkenen ter bevordering van de leesbaarheid van de stukken anderszins aangeduid. Dit is achterwege gelaten om te voorkomen dat door het leggen van verbanden, gelet op de beperkte kring van betrokkenen, dezen alsnog zouden kunnen worden geïdentificeerd. Ook de naam van de curator is weggelakt, omdat via de vermelding van zijn naam, degene van wie hij curator is zou kunnen worden achterhaald.

2.5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van de aan de orde zijnde belangenafweging, te weten enerzijds het publieke belang bij openbaarmaking en anderzijds de door de weigeringsgronden van de Wob beschermde belangen, in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van het GPW, de Minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het laatste belang dient te prevaleren boven het eerste belang. De Minister heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd de desbetreffende documenten geheel openbaar te maken.

2.6.    Appellante heeft betoogd dat er geen reden is om de naam van de curator niet openbaar te maken nu hij in die hoedanigheid optreedt en zijn privacy daarmee niet wordt geschonden. Tevens betoogt zij toestemming te hebben gegeven om haar eigen naam openbaar te maken.

   Uit de stukken is echter niet gebleken dat appellante die toestemming eerder in de procedure heeft gegeven, zodat reeds hierom moet worden geoordeeld dat haar persoonsgegevens terecht zijn weggelakt. Voorts is de naam van de curator evenzeer terecht weggelakt aangezien openbaarmaking ervan herleiding tot appellante eenvoudiger zou kunnen maken.

2.7.    Appellante heeft voorts, onder overlegging van enige stukken waaruit de patiëntenaantallen binnen het GPW blijken, aangevoerd dat in het GPW een groot aantal patiënten woonachtig is. Derhalve was er geen reden voor de Minister om de namen van de betrokkenen volledig onleesbaar te maken. Op zijn minst hadden de namen vervangen kunnen worden door initialen of hadden de betrokken patiënten op een andere wijze kunnen worden aangeduid.

   Dit betoog kan niet worden gevolgd, omdat de voorvallen waarop de stukken betrekking hebben slechts een selecte groep patiënten raken die woonachtig was in de betrokken woning. Die groep bestond uit ongeveer 15 personen. Vervanging van persoonsgegevens door initialen of door een andere wijze van geïndividualiseerde aanduiding kan ertoe leiden dat door het leggen van verbanden alsnog wordt achterhaald welke patiënten het betreft.

2.8.    Voor het overige volstaat appellante met de enkele verwijzing naar de door haar in eerste aanleg aangevoerde gronden, welke door de rechtbank gemotiveerd zijn weerlegd.

   Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de volledige inhoud van de desbetreffende stukken, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de Minister zich heeft beroepen bij de weggelakte gegevens aan de orde zijn. Ten aanzien van de belangenafweging onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

2.9.    Appellante heeft tot slot nog betoogd dat zij ten gevolge van de te lange duur van de procedure immateriële schade heeft geleden. Zij wenst daarvoor een vergoeding. De Afdeling begrijpt deze grond aldus dat appellante aanvoert dat de duur van de procedure die is gevolgd op haar aanvraag de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het  Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) overschrijdt. Gelet op het tijdsbeslag van de rechtsgang in beroep en hoger beroep, kan deze grond naar het oordeel van de Afdeling slechts zien op de bestuurlijke fase welke ruim elf maanden heeft geduurd. Appellante heeft deze grond niet aan de rechtbank voorgelegd, noch heeft zij redenen aangevoerd waarom dit niet van haar kon worden gevergd. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak. Er is geen reden waarom de hier bedoelde beroepsgrond niet reeds bij de rechtbank ter sprake had kunnen worden gebracht. Nu appellante dit daarom uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient het betoog dat gehandeld is in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM buiten beschouwing te blijven.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Den Broeder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007

187-384.