Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
200701294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellant om toezending van alle op het deelrapport "Het derde klaphek voorbij?" betrekking hebbende stukken, waaronder gespreksverslagen met respondenten, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 1
Wet openbaarheid van bestuur 1a
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 1.6
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 9.5
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 9.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 1979
Gst. 2007, 153 met annotatie van R. Kooper
JB 2007/212 met annotatie van M.O-V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701294/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/1387 van de rechtbank Alkmaar van 16 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van appellant om toezending van alle op het deelrapport "Het derde klaphek voorbij?" betrekking hebbende stukken, waaronder gespreksverslagen met respondenten, afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2007, verzonden op 17 januari 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen, advocaat te Breda, en bijgestaan door mr. E. Jasper, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt onder document een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat verstaan.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wob is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a. de Ministers;

b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.2. Aan zijn in bezwaar gehandhaafde weigering de gevraagde informatie te verstrekken heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat de gevraagde informatie niet bij het college berust dan wel zou behoren te berusten, en dat die informatie geen betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid.

2.3. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gevraagde informatie niet bij het college behoort te berusten.

2.3.1. Onbestreden is dat de verzochte documenten feitelijk niet bij het college berusten, maar bij de betrokken onderzoekers, werkzaam bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen (hierna: de faculteit) van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 november 2003 in zaak no. 200205863/1, www.raadvanstate.nl, kan een bestuursorgaan informatie waarover een andere instelling, dienst of bedrijf 'fysiek' beschikt, uitsluitend verstrekken indien moet worden aangenomen dat door zo'n organisatie onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan wordt gewerkt. De rechtbank heeft ter beantwoording van de vraag in hoeverre de faculteit, waaraan de onderzoekers zijn verbonden, werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college, verwezen naar een aantal artikelen uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW). Daaruit heeft zij de conclusie getrokken dat de faculteit ten opzichte van het college autonoom functioneert. Voor zover de rechtbank daarmee heeft geoordeeld dat de faculteit ook voor de toepassing van de Wob niet onder de verantwoordelijkheid van het college valt, is dat onjuist reeds omdat dit niet volgt uit de desbetreffende artikelen. In dit verband is van belang dat het college de decaan, als hoofd van de faculteit, ingevolge artikel 9.13 van de WHW benoemt, schorst en ontslaat, dat het college ingevolge artikel 9.5 van de WHW richtlijnen kan vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, van de WHW bedoelde bevoegdheden van de decaan, dat de decaan ingevolge artikel 9.14, derde lid, onverminderd artikel 9.5, ter nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de faculteit het faculteitsreglement vaststelt, maar dat dit reglement ingevolge het vierde lid van dit artikel goedkeuring behoeft van het college, en tot slot dat de decaan van de faculteit ingevolge artikel 9.16 van de WHW verantwoording verschuldigd is aan het college en het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit verstrekt. Dit leidt tot de slotsom dat de aan een faculteit werkzame personen tevens werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van het college en dat het college in zoverre een instantie is die de verzochte en zich aldaar bevindende informatie kan verstrekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het betoog van appellant slaagt.

De omstandigheid dat aan de onderzoekers van de faculteit bij het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ingevolge artikel 1.6 van de WHW academische vrijheid toekomt, zoals het college heeft gesteld, maakt niet dat zij niet onder de verantwoordelijkheid van het college werkzaam zouden zijn. Naar aanleiding van het betoog van het college dat de academische vrijheid in het algemeen in geding is bij verzoeken om openbaarmaking, wijst de Afdeling op de weigeringsgronden van de artikelen 10 en 11 van de Wob, over de toepassing waarvan het college bij een nieuw te nemen besluit zal moeten beslissen.

2.4. Het betoog van appellant, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob, slaagt eveneens.

2.4.1. De term "bestuurlijk" moet in dit verband ruim worden opgevat en heeft betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten (aldus ook de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 25). Het onderzoek waarop het verzoek van appellant betrekking heeft, is uitgevoerd door onderzoekers verbonden aan de faculteit, betrof de bestuurscultuur binnen de gemeente Edam-Volendam en werd verricht in opdracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties in verband met zijn verantwoordelijkheid. Het geheel van deze omstandigheden maakt dat hier sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid. Dat het onderzoek op wetenschappelijke wijze is verricht en op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst is geschied, zoals het college heeft gesteld, is daarbij niet van belang.

De overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid omdat het college ten aanzien van de bestuurscultuur van de gemeente Edam-Volendam geen beleid voert dan wel kan voeren, berust op de opvatting dat eerst sprake kan zijn van een bestuurlijke aangelegenheid indien het door verzoeker aangezochte bestuursorgaan ten aanzien van die gelegenheid zelf beleid kan voeren. Een dergelijke opvatting vindt geen steun in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob, waarin een bestuurlijke aangelegenheid is gedefinieerd als een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, en is voorts niet in overeenstemming met de systematiek van de Wob, inhoudende dat eenieder een verzoek kan richten tot een bestuursorgaan en dat, in het geval zo'n verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuurorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, verzoeker zo nodig naar dat orgaan wordt verwezen, dan wel dat zijn verzoek wordt doorgezonden. De rechtbank heeft het begrip bestuurlijke aangelegenheid te beperkt opgevat.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 januari 2007 in zaak no. 06/1387;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam van 30 maart 2006, kenmerk JZ/MC/213.398;

V. gelast dat de Erasmus Universiteit Rotterdam aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007

318.