Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
200701608/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest (hierna: het college) vrijstelling verleend ten behoeve van het verbreden van een gedeelte van het Meerpad te Uitgeest en het gebruik daarvan als ontsluitingsweg voor hulpvoertuigen naar en van het appartementencomplex aan de Langebuurt te Uitgeest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701608/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/2915 van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest (hierna: het college) vrijstelling verleend ten behoeve van het verbreden van een gedeelte van het Meerpad te Uitgeest en het gebruik daarvan als ontsluitingsweg voor hulpvoertuigen naar en van het appartementencomplex aan de Langebuurt te Uitgeest.

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2007, verzonden op 23 januari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college zijn besluit van 31 januari 2006 gewijzigd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door J.N. Stuifbergen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Kom" van de gemeente Uitgeest (hierna: het bestemmingsplan) rust op het vanaf de Langebuurt bezien eerste deel van het Meerpad de bestemming "Erven II" en op het volgende deel de bestemming "Erven I".    

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Erven I" aangewezen gronden bestemd voor open erven/bedrijfserven met de daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken - geen gebouwen zijnde.

   Ingevolge artikel 30, lid B, onder 1, van de planvoorschriften is het behoudens het bepaalde in artikel 33 ('overgangsbepalingen') verboden de in het plan begrepen gronden, voorzover zij onbebouwd blijven, anders te gebruiken dan in overeenstemming met de in het plan aan die gronden gegeven bestemming.

2.2.    In de uitspraak van 20 april 2005 in zaak nr. 200405688/1 heeft de Afdeling geoordeeld dat de bestemming "Erven I" in combinatie met de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan zich tegen de voorgenomen verbreding van het Meerpad en het gebruik daarvan ten behoeve van het te realiseren appartementencomplex aan de Langebuurt verzet.

    Om de verbreding en het in geding zijnde gebruik van het Meerpad mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3.    Ten behoeve van het perceel Meerpad 2 van appellant is op het Meerpad als erfdienstbaarheid het recht van weg gevestigd om naar het heersende erf te komen en te gaan van en naar de openbare weg de Langebuurt.

   De bouwvergunning voor het appartementencomplex aan de Langebuurt is verleend aan [vergunninghoudster], waarvan [naam] directeur is. Het perceel waarvan het betreffende gedeelte van het Meerpad deel uitmaakt is eigendom van [belanghebbende].

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij de besluitvorming ten aanzien van de vrijstelling onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Daartoe voert hij aan dat de vrijstelling een belemmering van de ten behoeve van zijn perceel op het Meerpad gevestigde erfdienstbaarheid vormt, omdat daardoor meer verkeer van het Meerpad gebruik zal gaan maken. Voorts voert hij aan dat nu het privéterrein betreft geen garantie bestaat dat van de vrijstelling gebruik zal kunnen worden gemaakt.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 december 2006 in zaak nr. 200604465/1 (Gst. 2007, 42), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter is om die vraag te beantwoorden.

   De eigenaar van het perceel waarvan het betreffende gedeelte van het Meerpad deel uitmaakt heeft schriftelijk toestemming verleend voor het in de vrijstelling bedoelde gebruik daarvan als ontsluitingsweg voor hulpvoertuigen naar en van het appartementencomplex aan de Langebuurt. Niet is gebleken dat de ten behoeve van het perceel van appellant gevestigde erfdienstbaarheid op het Meerpad er aan in de weg staat dat tevens door anderen dan appellant van dit pad gebruik wordt gemaakt. Het overige verkeer zal gebruik maken van de hoofdingang in het poortgebouw van het appartementencomplex. De woning van appellant blijft onverminderd bereikbaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het gebruik van het Meerpad dat door de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt, inbreuk zal maken op de ten behoeve van het perceel van appellant gevestigde erfdienstbaarheid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige privaatrechtelijke belemmeringen dat geen vrijstelling kon worden verleend voor de verbreding van een gedeelte van het Meerpad en het gebruik daarvan als ontsluitingsweg voor hulpvoertuigen naar en van het appartementencomplex aan de Langebuurt.

2.5.    Hetgeen appellant overigens aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld en dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot handhaving van de vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college zijn besluit van 31 januari 2006 gewijzigd. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.    

2.8.    Tegen het besluit van 7 augustus 2007 zijn geen andere gronden aangevoerd dan tegen het besluit van 31 januari 2006.

   Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.4. tot en met 2.6. is overwogen bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college niet bij besluit van 7 augustus 2007 tot handhaving van de vrijstelling mocht besluiten.

2.9.    Het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2007 is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2007 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Wijers

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007

444