Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
200702080/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit verzonden op 14 juli 2004 heeft appellant (hierna: het college) de aanvraag van [vergunninghouder]) om een vergunning voor het innemen van een standplaats met een mobiele wagen voor de verkoop van brood en banket bij winkelcentrum De Bus, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 4:82
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/222 met annotatie van Michiel Heldeweg
JOM 2007/576 met annotatie van Michiel Heldeweg, Bron «JB» 2007/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702080/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/94 en 06/236 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 februari 2007 in het geding tussen:

de vereniging "Coöperatieve Vereniging van Eigenaren in het Winkelcentrum De Bus U.A.", gevestigd te Helmond,

[wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit verzonden op 14 juli 2004 heeft appellant (hierna: het college) de aanvraag van [vergunninghouder]) om een vergunning voor het innemen van een standplaats met een mobiele wagen voor de verkoop van brood en banket bij winkelcentrum De Bus, afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college het door [vergunninghouder] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de gevraagde vergunning onder voorwaarden en bepalingen verleend.

Bij uitspraak van 13 februari 2007, verzonden op 14 februari 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door [wederpartij sub 2] en de vereniging "Coöperatieve Vereniging van Eigenaren in het Winkelcentrum De Bus U.A." (hierna: de vereniging) ingestelde beroepen gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw beslist op het bezwaar van [vergunninghouder]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 21 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 april 2007, aangevuld bij brief van 19 april 2007, heeft de vereniging van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente Helmond, [wederpartij sub 2], vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en de vereniging, vertegenwoordigd door mr. T. Peters, advocaat te Helmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Algemene Politieverordening Helmond 1978 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders, op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a. met een voertuig, een kraam, of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden;

b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan het publiek.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder f, kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 12, van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan "Helmond Noord" van 30 november 2004 (hierna: de bestemmingsplanvoorschriften), wordt onder "detailhandel" verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden - waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop - het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 22, wordt onder "maatschappelijke doeleinden" verstaan: openbaar bestuur, dienstverlening van overheidswege, godsdienstuitoefening, verenigingsleven, onderwijs, volksgezondheid en andere culturele of daarmee gelijk te stellen doeleinden, zoals een dansschool, sportschool of kinderdagverblijf;

Ingevolge artikel 11 zijn de op de plankaart voor "maatschappelijke voorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke doeleinden;

b. bedrijfswoningen, op de met "b" aangeduide percelen;

c. groenvoorzieningen, tuin en erf, een en ander met inbegrip van alle daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden grond en/of opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan opgenomen bestemmingen.

Volgens de Beleidsregel standplaatsen ingevolge artikel 8 APV Helmond 1978 (hierna: de beleidsregel), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, vormt strijd met het bestemmingsplan een zelfstandige weigeringsgrond voor het verlenen van een standplaatsvergunning en zal bij het innemen van een standplaats altijd worden gelet op de voorschriften uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts volgt uit de beleidsregel dat nabij winkelcentrum Helmond-Noord/De Bus minstens één dag per week één standplaats per dag mag worden ingenomen.

2.2. De locatie waarop de aanvraag van [vergunninghouder] om een standplaatsvergunning betrekking heeft, bevindt zich op gronden waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "maatschappelijke voorzieningen" is toegekend. De locatie is gelegen nabij winkelcentrum Helmond-Noord/De Bus dat is gesitueerd op gronden met de bestemming "wijkvoorzieningen". Het hoger beroep is slechts gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het innemen van een standplaats op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan.

Indien de rechtbank een besluit van een bestuursorgaan heeft vernietigd, heeft dat bestuursorgaan in beginsel procesbelang bij het instellen van het hoger beroep indien het bestuursorgaan met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit moet nemen. Van omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de Afdeling niet gebleken. Het college heeft dan ook, anders dan [wederpartij sub 2] betoogt, belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.3. Het college betoogt dat met het bestemmingsplan niet is beoogd om de mogelijkheden tot het innemen van standplaatsen te reguleren en dat hierin geen expliciet verbod voor het innemen van standplaatsen is opgenomen. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat het op de plankaart aangeduide gebied met de bestemming "maatschappelijke voorzieningen" mede openbare ruimte omvat. Het getuigt volgens het college van een te strikte interpretatie van het bestemmingsplan wanneer wordt aangenomen dat deze openbare ruimte slechts ten dienste van maatschappelijke voorzieningen mag worden gebruikt. In dit verband verwijst het college naar de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006 in zaak no. 200502800/1 (www.raadvanstate.nl). Dat de betrokken locatie in het bestemmingsplan niet de bestemming "detailhandel" heeft gekregen hoeft aan vergunningverlening niet in de weg te staan, aangezien het voor straathandel vanaf een standplaats kenmerkend is dat deze zich in de openbare ruimte afspeelt, aldus het college. Tot slot stelt het college dat [vergunninghouder] vergunning heeft gevraagd voor een locatie waar volgens de beleidsregel een standplaats mag worden ingenomen.

2.3.1. Gelet op de invulling die in artikel 1 en artikel 11 van de bestemmingsplanvoorschriften is gegeven aan de begrippen "maatschappelijke doeleinden" en "maatschappelijke voorzieningen", bezien ook tegen de achtergrond van de omschrijving van de bestemming "detailhandel", kan de Afdeling evenmin als de rechtbank het college volgen in zijn betoog dat het innemen van een standplaats op de wijze waarop en met het doel waarvoor [vergunninghouder] om vergunningverlening heeft verzocht, kan worden begrepen onder de aan de betrokken gronden gegeven bestemming "maatschappelijke voorzieningen". Daarmee is, ingevolge artikel 18, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften, het innemen van een standplaats op deze wijze en met dit doel op de betrokken locatie verboden.

De rechtbank heeft het college terecht niet gevolgd in het standpunt dat de openbare ruimte in het gebied met de bestemming "maatschappelijke voorzieningen", niet slechts ten dienste van deze bestemming mag worden gebruikt. De verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006 baat het college niet. Het betrof hier een geval waarin gronden met de bestemming "industriedoeleinden", blijkens de omschrijving van deze bestemming in het bestemmingsplan, mede bestemd waren voor openbare wegen, waaraan de functie "verkeersdoeleinden" was toegekend. Uit deze uitspraak kan derhalve niet worden afgeleid dat de openbare ruimte binnen een gebied, niet slechts ten dienste van de op dat gebied rustende bestemming mag worden gebruikt.

Ter invulling van de in artikel 8, zesde lid, aanhef en onder f, van de APV neergelegde weigeringsgrond, is in de beleidsregel vermeld dat strijd met het bestemmingsplan een zelfstandige weigeringsgrond is voor het verlenen van een standplaatsvergunning. Tevens is in de beleidsregel de nabijheid van winkelcentrum Helmond-Noord/De Bus aangewezen als locatie waar standplaats kan worden ingenomen. Deze aanwijzing omvat echter mede de onderhavige locatie, ten aanzien waarvan reeds in het voorgaande is overwogen dat het innemen van een standplaats op de beoogde wijze en met het beoogde doel in strijd is met het bestemmingsplan. Aangezien de beleidsregel geen consistente uitgangspunten bood voor de beoordeling van de aanvraag van [vergunninghouder], kon het bestreden besluit niet deugdelijk worden gemotiveerd met een verwijzing naar de beleidsregel.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van 22 november 2005 in zoverre in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Helmond tot vergoeding van bij de vereniging "Coöperatieve Vereniging van Eigenaren in het Winkelcentrum De Bus U.A." in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,13 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en dertien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Helmond aan de vereniging "Coöperatieve Vereniging van Eigenaren in het Winkelcentrum De Bus U.A." onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Helmond tot vergoeding van bij [wederpartij sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Helmond aan [wederpartij sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van de gemeente Helmond (het college van burgemeester en wethouders van Helmond) een griffierecht van € 428,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Können

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007

301-546.