Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
200701119/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2006 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 6.9 van de bij besluit van 17 december 1993 verleende revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet, thans Wet milieubeheer, voor haar inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats]. De lastgeving houdt in dat appellante een bedrag van € 2.500,00 met een maximum van € 15.000,00 verbeurt voor iedere keer dat er in strijd met voorschrift 6.9 van de vergunning wordt geconstateerd dat de in dat voorschrift genoemde eigenschappen niet bekend zijn voordat met de reiniging wordt begonnen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.18
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/639
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701119/1.

Datum uitspraak: 3 oktober 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2006 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 6.9 van de bij besluit van 17 december 1993 verleende revisievergunning als bedoeld in de Hinderwet, thans Wet milieubeheer, voor haar inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats]. De lastgeving houdt in dat appellante een bedrag van € 2.500,00 met een maximum van € 15.000,00 verbeurt voor iedere keer dat er in strijd met voorschrift 6.9 van de vergunning wordt geconstateerd dat de in dat voorschrift genoemde eigenschappen niet bekend zijn voordat met de reiniging wordt begonnen.

Bij besluit van 4 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2007.

Bij brief van 13 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, en E. Korevaar, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. Bagcivan en ir. A.C.G.J.M. van Roosmalen, ambtenaren van DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante stelt dat haar door verweerder ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd. Voorschrift 6.9 betekent volgens haar, zo verstaat de Afdeling haar betoog, dat zij bekend moet zijn met de stofeigenschappen van de vervoerde stof, maar alleen dan van inwendige reiniging van spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers moet afzien indien door onbekendheid met deze eigenschappen de reiniging niet zonder gevaar kan worden uitgevoerd. Appellante voert aan dat zij alle reinigingen waarop de last betrekking heeft zonder gevaar heeft kunnen uitvoeren omdat de stofeigenschappen van de vervoerde stoffen bekend waren bij haar medewerkers dan wel terug te vinden waren in de bibliotheek op het terrein en de diverse databases en dat zij dientengevolge niet in strijd handelde met het voorschrift.

2.1.1.    Verweerder, zo verstaat de Afdeling zijn betoog, stelt zich op het standpunt dat voorschrift 6.9 betekent dat vergunninghoudster bekend moet zijn met de stofeigenschappen van de zich in de spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers bevindende stoffen voor en tijdens de reiniging ervan om te kunnen beoordelen welke gevaarsaspecten of mogelijke hinder aan een bepaalde reiniging verbonden zijn. Het voorschrift beoogt, door het bekend zijn met de te reinigen stoffen, het risico op gevaar, ernstige hinder en bodem- en/of luchtverontreiniging te minimaliseren.

2.1.2.    Ingevolge artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning, verboden.

   Voorschrift 6.9 van de hiervoor genoemde vergunning luidt als volgt: "Voordat met het inwendig reinigen van spoorketelwagens, tankopleggers, tankwagens en tankcontainers begonnen wordt, moet bij de vergunninghouder van de als laatste hierin vervoerde stoffen de volgende eigenschappen bekend zijn, voor zover deze in gangbare literatuur vermeld zijn:

a) vlampunt;

b) de onderste en bovenste explosiegrens;

c) de giftigheid;

d) de MAC-waarde;

e) de reukgrens;

f) de dampspanning bij 20ºC.

Indien onvoldoende van deze eigenschappen bekend is om een reiniging zonder gevaar of ernstige hinder voor de omgeving uit te voeren, is deze reiniging niet toegestaan".

2.1.3.    De Afdeling stelt vast dat voorschrift 6.9 enerzijds bestaat uit een verplichting en anderzijds uit een verbod. De eerste volzin van het voorschrift behelst een plicht voor appellante om bekend te zijn met de stofeigenschappen van de stof die laatstelijk is vervoerd in de spoorketelwagen, tankoplegger, tankwagen of tankcontainer voordat een inwendige reiniging ervan plaatsvindt. De tweede volzin van het voorschrift behelst een verbod voor appellante om de inwendige reiniging uit te voeren indien onvoldoende van de stofeigenschappen bekend zijn om een reiniging zonder gevaar of ernstige hinder voor de omgeving uit te kunnen voeren.

   Na een controle op 8 februari 2006 heeft verweerder in het besluit van 27 maart 2006 de last onder dwangsom opgelegd wegens het niet bekend zijn van appellante met de in voorschrift 6.9 genoemde eigenschappen van de stof trimethylphenol, voordat een tankwagen met deze stof werd gereinigd, derhalve gebaseerd op de eerste volzin van het voorschrift. In het bestreden besluit van 4 januari 2007 is dit besluit gehandhaafd en aangevuld met de motivering van de Algemene bezwaarschriftencommissie. Dit bestreden besluit gaat eveneens uit van schending van de eerste volzin van het voorschrift.

   Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de last onder dwangsom zag op het uiteindelijke doel van het gehele voorschrift 6.9, namelijk het uitvoeren van een inwendige reiniging zonder gevaar of ernstige hinder voor de omgeving. De last onder dwangsom was echter gebaseerd op een door hem bij de controle van 8 februari 2006 geconstateerde overtreding van de eerste volzin van het voorschrift. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in het bestreden besluit niet duidelijk gemaakt dat appellante op het moment van de controle op geen enkele wijze bekend was met de in de eerste volzin van het voorschrift opgesomde eigenschappen van de stof trimethylphenol, voordat met het inwendig reinigen van de tankwagen werd begonnen.

   Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet is gebaseerd op een deugdelijke motivering.

2.2.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 4 januari 2007, kenmerk A.B.2006.2.02967/TPI;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 653,83 (zegge: zeshonderddrieënvijftig euro en drieëntachtig cent); het dient door de gemeente Rotterdam aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Rotterdam aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2007

195-495.