Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
200702843/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / inherente afwijkings-bevoegdheid

[Aanvraag vergunning tot verblijf met als doel 'medische behandeling'. De vreemdeling is aangewezen op zorg in een verpleeghuis (ADL en rolstoelafhankelijk). Er wordt geen verbetering van haar gezondheidssituatie verwacht. De dochter van de vreemdeling verblijft in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en bezoekt de vreemdeling dagelijks.]

Dat in het besluit niet uitdrukkelijk is vermeld dat de minister in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan de zogenoemde inherente afwijkingsbevoegdheid, laat onverlet dat de minister gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom zowel de medische als niet-medische omstandigheden niet leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de minister aldus niet tekortgeschoten in de motivering van dat besluit. Voorts is in het BMA-advies en de overigens overgelegde stukken geen steun te vinden voor de overweging van de rechtbank dat de in Nederland verblijvende dochter van de vreemdeling de enige persoon is die met haar kan communiceren. Verder heeft de rechtbank, door te overwegen dat de vreemdeling in Letland niemand heeft om op terug te vallen, niet onderkend dat, zoals de minister in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift ter nadere toelichting van het besluit terecht heeft betoogd, op geen enkele wijze is onderbouwd dat er geen gezins- of familieleden in Letland verblijven op wie de vreemdeling kan terugvallen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/502

Uitspraak

200702843/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/32076 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 21 maart 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van R. Rolenoka (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 29 april 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 maart 2007, verzonden op 26 maart 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2007, waar de staatssecretaris, zonder bericht van verhindering, en de vreemdeling, met bericht van verhindering, niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel, waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdend met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.

2.2. Volgens het in onderdeel B8/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) vermelde beleid wordt Nederland in beginsel niet aangemerkt als het meest aangewezen land voor de medische behandeling van de desbetreffende vreemdeling, indien dit niet volgt uit de in dat onderdeel geformuleerde criteria.

2.3. In grief 1 klaagt de staatssecretaris samengevat weergegeven en voor zover thans van belang dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het besluit van 29 april 2005 niet blijkt dat de door de vreemdeling gestelde persoonlijke omstandigheden gemotiveerd en in onderlinge samenhang zijn afgewogen bij de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde inherente afwijkingsbevoegdheid. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank aldus heeft miskend dat in het besluit is ingegaan op deze omstandigheden, die deels medisch en deels niet-medisch van aard zijn, en dat deze niet kunnen leiden tot het oordeel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van de vreemdeling.

2.3.1. Aan het besluit van 29 april 2005 heeft de minister, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van de vreemdeling.

Ten aanzien van de door de vreemdeling gestelde medische omstandigheden, dat zij Activiteiten Dagelijks Leven- en rolstoelafhankelijk is en dat geen verbetering van haar gezondheidssituatie wordt verwacht, heeft de minister verwezen naar de conclusie in het advies van 29 maart 2005 van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA-advies), dat de vreemdeling is aangewezen op zorg in een verpleeghuis en dat deze zorg in Letland voorhanden is. De niet-medische omstandigheden, dat de dochter van de vreemdeling in Nederland verblijft, de Nederlandse nationaliteit heeft en de vreemdeling dagelijks bezoekt, laten volgens de minister onverlet dat de vreemdeling uitsluitend is aangewezen op zorg in een verpleeghuis en derhalve niet op zorg van haar dochter. Indien de vreemdeling, gelet op haar hoge leeftijd, in Nederland wil verblijven op grond van het ouderenbeleid, kan zij hiertoe een aparte aanvraag indienen, aldus de minister.

2.3.2. Dat in het besluit niet uitdrukkelijk is vermeld dat de minister in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, geen aanleiding heeft gezien om toepassing te geven aan de zogenoemde inherente afwijkingsbevoegdheid, laat onverlet dat de minister gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom zowel de medische als niet-medische omstandigheden niet leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de minister aldus niet tekortgeschoten in de motivering van dat besluit. Voorts is in het BMA-advies en de overigens overgelegde stukken geen steun te vinden voor de overweging van de rechtbank dat de in Nederland verblijvende dochter van de vreemdeling de enige persoon is die met haar kan communiceren. Verder heeft de rechtbank, door te overwegen dat de vreemdeling in Letland niemand heeft om op terug te vallen, niet onderkend dat, zoals de minister in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift ter nadere toelichting van het besluit terecht heeft betoogd, op geen enkele wijze is onderbouwd dat er geen gezins- of familieleden in Letland verblijven op wie de vreemdeling kan terugvallen. Ook in zoverre is derhalve geen sprake van strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke en kenbare motivering. De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5. Anders dan de vreemdeling heeft betoogd, zijn de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet bijzonder in de zin van

artikel 4:84 van de Awb, aangezien die omstandigheden, gelet op de inhoud en strekking van onderdeel B8/2.1 van de Vc 2000, geacht moeten worden te zijn betrokken bij de vaststelling van dit beleid. De minister heeft reeds daarom geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van dat wetsartikel van zijn beleid af te wijken.

2.6. Overigens merkt de Afdeling nog op dat de minister in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de in het BMA-advies omschreven voorwaarden bij uitzetting van de vreemdeling aanvaardt en dat hij, indien tot uitzetting kan worden overgegaan, de verantwoordelijkheid draagt voor de vervulling van die voorwaarden.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 21 maart 2007 in zaak no. AWB 06/32076;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

418

Verzonden: 19 september 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak