Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
200705709/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewijzigde waardering individuele ambtsberichten Syrië

In de uitspraak van 1 december 2006 [in zaak no. 200606303/1 (JV 2007/47)] heeft de Afdeling overwogen dat uit de brief van de minister van 24 oktober 2006 blijkt dat sprake is van een gewijzigde waardering van onderzoeksresultaten door de Minister van Buitenlandse Zaken, ten gevolge waarvan door de staatssecretaris inmiddels een andere waarde wordt gehecht aan individuele ambtsberichten, voor zover daarin wordt vermeld dat een vreemdeling niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten. Een dergelijke vermelding wordt thans als aanvullende aanwijzing bij de beoordeling betrokken en zal derhalve niet uitsluitend ten grondslag worden gelegd aan de afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De minister heeft de eerdere aanvragen niet uitsluitend afgewezen op grond van de vermelding in het individuele ambtsbericht (…), dat de vreemdeling niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten, maar heeft daarbij tevens betrokken het toerekenbaar ontbreken van documenten en de vermelding in dat ambtsbericht dat de vreemdeling niet bekend is als actief lid van de Communistische Partij–Politiek Bureau (CP-PB) dat vanwege politieke activiteiten voor deze partij in de problemen is gekomen met de Syrische autoriteiten.

Derhalve heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat op voorhand is uitgesloten dat de gewijzigde waardering van de onderzoeksresultaten, die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht (…), kan afdoen aan de [eerdere] besluiten (…)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/498

Uitspraak

200705709/1.

Datum uitspraak: 14 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

De Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/28662, 07/28669, 07/28660 en 07/28667 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 3 augustus 2007 in de gedingen tussen:

[de vreemdelingen],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 juli 2007 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van [de vreemdelingen] (hierna: de vreemdelingen; de laatste hierna: de vreemdeling) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2007 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdelingen aan hun herhaalde aanvraag feiten of omstandigheden ten grondslag hebben gelegd die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen. Daartoe stelt hij dat de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) van 24 oktober 2006 inzake de waardering van individuele ambtsberichten over Syrische vreemdelingen reeds is betrokken bij het hoger beroep dat de vreemdelingen in de vorige procedure hebben ingesteld. Voorts betoogt hij daartoe dat de eerdere aanvragen van de vreemdelingen niet uitsluitend zijn afgewezen op grond van de mededeling in het individuele ambtsbericht van 24 februari 2004, dat de vreemdeling niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten, zodat op voorhand is uitgesloten dat de gewijzigde waardering van de onderzoeksresultaten, die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht van 24 februari 2004, kan afdoen aan de besluiten van 3 mei 2004.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1; JV 2007/263) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing kan afdoen.

2.1.3. Bij onderscheiden besluiten van 3 mei 2004 zijn eerdere aanvragen van de vreemdelingen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze besluiten zijn met de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2007 in rechte onaantastbaar geworden.

2.1.4. Aan hun aanvragen van 10 juli 2007 om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, hebben de vreemdelingen ten grondslag gelegd dat de betekenis van het individuele ambtsbericht van 24 februari 2004, dat ten aanzien van de vreemdeling is opgesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken, in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2006 in zaak no. 200606303/1 (JV 2007/47) dient te worden herzien en dat de gewijzigde waardering van dit ambtsbericht als novum moet worden aangemerkt.

2.1.5. In de uitspraak van 1 december 2006 heeft de Afdeling overwogen dat uit de brief van de minister van 24 oktober 2006 blijkt dat sprake is van een gewijzigde waardering van onderzoeksresultaten door de Minister van Buitenlandse Zaken, ten gevolge waarvan door de staatssecretaris inmiddels een andere waarde wordt gehecht aan individuele ambtsberichten, voor zover daarin wordt vermeld dat een vreemdeling niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten. Een dergelijke vermelding wordt thans als aanvullende aanwijzing bij de beoordeling betrokken en zal derhalve niet uitsluitend ten grondslag worden gelegd aan de afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.1.6. De minister heeft de eerdere aanvragen niet uitsluitend afgewezen op grond van de vermelding in het individuele ambtsbericht van 24 februari 2004, dat de vreemdeling niet wordt gezocht door de Syrische autoriteiten, maar heeft daarbij tevens betrokken het toerekenbaar ontbreken van documenten en de vermelding in dat ambtsbericht dat de vreemdeling niet bekend is als actief lid van de Communistische Partij–Politiek Bureau (CP-PB) dat vanwege politieke activiteiten voor deze partij in de problemen is gekomen met de Syrische autoriteiten.

Derhalve heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat op voorhand is uitgesloten dat de gewijzigde waardering van de onderzoeksresultaten, die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht van 24 februari 2004, kan afdoen aan de besluiten van 3 mei 2004.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de voorgedragen beroepsgronden gelet op het hiervoor overwogene geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 3 augustus 2007 in de zaken nos. AWB 07/28660 en 07/28667;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Kammeraat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007

295.

Verzonden: 14 september 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak