Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200700911/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college de door appellant gevraagde huisvestingsvergunning geweigerd te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700911/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Texel,

tegen de uitspraak in zaak nos. HUISV 06/3341 en 06/3343 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 19 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college de door appellant gevraagde huisvestingsvergunning geweigerd te verlenen.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2005 heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar van 22 juni 2004 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Bij uitspraak van 24 mei 2006 in zaak 200500711/1 heeft de Afdeling de uitspraak van 25 augustus 2005 bevestigd, met verbetering van de gronden.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het college voor zover van belang opnieuw beslissend op het door appellant gemaakte bezwaar tegen de weigering, dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2006, verzonden op 21 december 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn bij brief van 15 juli 2007 aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2007, waar appellant en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is het naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 in zaak 200508700/1 genomen besluit van 4 oktober 2006 van het college, voor zover dat strekt tot handhaving van de weigering van de door appellant op 14 augustus 2003 gevraagde huisvestingsvergunning voor het pand [locatie] te [plaats], gemeente Texel.

2.2.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 mei 2006 overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een persoon voldoet aan de gestelde criteria van economische binding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van de Huisvestingswet zal moeten worden gekeken naar de inkomstenbron of -bronnen waarover deze persoon beschikt, teneinde te kunnen beoordelen of "voor de voorziening in het bestaan aangewezen" een substantieel deel van de inkomensverwerving betreft. In de situatie van Apeldoorn (thans: appellant) was, aldus de Afdeling, inzicht in de aard en hoogte van zijn overige inkomsten noodzakelijk voor het antwoord op de vraag of de inkomsten uit zijn op Texel gevestigde en gevoerde bedrijf "substantieel" zijn in relatie tot zijn overige inkomsten. Voor het stellen van die vraag bestond te meer aanleiding nu dit inkomen, naar appellant in de zitting van de commissie bezwaarschriften mededeelde, boven het niveau van het minimumloon ligt en voor hem een basisinkomen is.

   De Afdeling heeft geconcludeerd dat het college het voorgaande onvoldoende had onderzocht.

2.3.    Aan het besluit van 4 oktober 2006 ligt een nieuw onderzoek ten grondslag waaruit naar voren komt dat het inkomen van appellant in de jaren 2003 en 2004 en ook later was samengesteld uit een pre-pensioen ten bedrage van om en nabij € 43.000,00 per jaar en een inkomen uit de antiekhandel van om en nabij € 9.000,00.

   Het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college gezien die verstrekte gegevens terecht heeft geconcludeerd dat de inkomsten van appellant uit zijn Texelse bedrijf geen substantieel deel uitmaken van zijn totale inkomen, is juist. Eveneens juist is het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college terecht de conclusie daaraan heeft verbonden dat appellant niet voldoet aan de criteria voor economische binding, als bedoeld in de Huisvestingsverordening Texel 1994.

2.4.    Appellant betoogt, evenals in beroep, dat het inkomen uit pre-pensioen na pensionering zal afnemen, en derhalve een minder substantieel deel zal uitmaken van zijn totale inkomen. Nog daargelaten dat de rechterlijke toetsing in een geschil als de onderhavige met zich brengt dat met veranderingen sinds het besluit van 4 oktober 2006 geen rekening kan worden gehouden, heeft de voorzieningenrechter kunnen oordelen dat de verwachte, geschatte vermindering van ongeveer € 10.000,00 nog niet maakt dat de inkomsten uit het bedrijf, in aanmerking genomen de vooralsnog bescheiden omvang ervan, wel als substantieel zijn aan te merken. Dat overigens, zoals betoogd, een onvolledig onderzoek ter zake heeft plaatsgevonden en de van belang zijnde feiten anders liggen, is niet aannemelijk gemaakt.

2.5.    Voor zover het betoog van appellant tevens is gericht tegen overweging 2.7. en verder, waarin de voorzieningenrechter ingaat op het ingezetenschap van appellant in de gemeente Texel en de maatschappelijk binding, als mogelijke grond voor een huisvestingsvergunning, dient dit naar het oordeel van de Afdeling buiten beschouwing te blijven. Het besluit van het college van 4 oktober 2006 ziet niet op deze grond, omdat de op 14 augustus 2003 ingediende aanvraag van appellant, die zich enkele maanden eerder op 1 mei 2003, op Texel had gevestigd, ertoe strekte een huisvestingsvergunning te verkrijgen op grond van economische binding.

2.6.    Appellant heeft ter aanvulling van het hoger beroep betoogd dat het college hem destijds toezeggingen heeft gedaan om de combinatie van wonen en werken in het pand [locatie] in [plaats] mogelijk te maken, zodat op grond hiervan het college de weigering van de gevraagde huisvestingsvergunning niet mocht handhaven.

   Blijkens de overgelegde brief van 25 juli 2003 heeft het college zich bereid verklaard in beginsel medewerking te verlenen aan de inwilliging van het verzoek van appellant om vrijstelling ter zake van een gedeeltelijke wijziging van de woonbestemming van het pand [locatie] in de bestemming detailhandel, doch naar het oordeel van de Afdeling laat dit onverlet dat appellant voor het in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning economisch gebonden moet zijn.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

221.