Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200604609/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2005 heeft de gemeenteraad van Sluis het bestemmingsplan "Stampershoek Zuid en Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/624
Module Ruimtelijke ordening 2007/5011

Uitspraak

200604609/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2005 heeft de gemeenteraad van Sluis het bestemmingsplan "Stampershoek Zuid en Noord" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 april 2006, kenmerk RMW0604652139/8, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 17 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2006, [appellanten sub 2] bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2006, en [appellant sub 3] bij brief van 17 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 december 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad, [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en van verweerder. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 2]. Deze stukken zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2007, waar [appellanten sub 2], in persoon, [appellanten sub 1] en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellanten sub 2], en verweerder, vertegenwoordigd door M. de Koeijer en ir. P. Goossen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Sluis, vertegenwoordigd door J. Ocké en F. van den Hemel, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

2.2.    [appellant sub 3] betoogt dat de gemeenteraad haar ten onrechte geen persoonlijke reactie heeft gegegeven op de door haar ingediende zienswijze tegen het ontwerp-plan. Voorts voert zij aan dat degenen die bedenkingen hebben ingebracht, ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om het overleg bij te wonen, dat na afloop van de hoorzitting bij verweerder tussen hem en de gemeenteraad heeft plaatsgevonden.

2.2.1.    Ter zitting is vanwege de gemeenteraad verklaard en namens appellante niet weersproken dat de reactie op de door appellante ingebrachte zienswijze per post aan haar is verzonden. Gelet op het ter zitting gedane bewijsaanbod acht de Afdeling deze verklaring geloofwaardig. Het betoog van appellante mist derhalve feitelijke grondslag.

2.2.2.    Ingevolge artikel 10:30 van de Awb vindt gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden.

Tussen partijen is niet in geschil dat het overleg dat na afloop van de hoorzitting bij verweerder tussen hem en de gemeenteraad heeft plaatsgevonden, het in artikel 10:30 van de Awb bedoelde overleg betreft.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 juli 2002, no. 200201532/1, kan aan deze bepaling niet het recht worden ontleend om in dat stadium van de procedure bij het overleg tussen verweerder en de gemeenteraad te worden betrokken. Dit betoog van appellante slaagt niet.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Stampershoek dat ten noordoosten van de kern Oostburg is gelegen.

Het plangebied is gelegen ten oosten van de Maaidijk en bestaat uit een deel ten noorden (hierna: deelgebied Noord) en een deel ten zuiden (hierna: deelgebied Zuid) van de provinciale weg N58.

Bezwaren tegen de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder acht het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B(3.2)" in deelgebied Noord, voor zover dit is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van de woningen Maaidijk 5 en 8, in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Daartoe stelt hij dat op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) ten aanzien van bedrijven in categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in het plan, een afstand van 100 meter moet worden aangehouden tot een rustige woonwijk.

Verweerder stelt dat de omgeving van deelgebied Noord niet zonder meer is aan te merken als rustige woonwijk, zodat de richtafstand zou kunnen worden verkleind. Door ter plaatse slechts bedrijven van ten hoogste categorie 3.1 toe te laten, is het evenwel goed mogelijk om de door de VNG-brochure gestelde afstanden te respecteren, aldus verweerder.

Het standpunt van appellanten

2.4.1.    [appellanten sub 2] voeren aan dat verweerder ten onrechte niet mede aan de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd dat de omgeving van het plangebied een rustige woonwijk is als bedoeld in de VNG-brochure. Hierbij stellen zij dat de waterzuiveringsinstallatie voor omwonenden niet zichtbaar is en geen overlast geeft. Verweerder heeft zich volgens hen dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat ten aanzien van bedrijvigheid in categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kan worden afgeweken van de afstanden in de VNG-brochure.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.2.    Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad, indien door het college van gedeputeerde staten goedkeuring is onthouden aan een vastgesteld bestemmingsplan, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van het college van gedeputeerde staten in acht wordt genomen.

Uit het bestreden besluit volgt dat het nieuw vast te stellen plan, wat betreft het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden, ten hoogste mag voorzien in de vestiging van bedrijven in de categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zodat ten aanzien van bedrijven in categorie 3.2 een afstand van ten minste 100 meter tot de woningen Maaidijk 5 en 8 in acht wordt genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat deze nieuw vast te stellen planologische regeling in overeenstemming is met de richtlijnen in de VNG-brochure ten aanzien van de bedrijvigheid in categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. In zoverre is met het bestreden besluit tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellanten met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B(3.2)". Aan de opmerking van verweerder dat de omgeving niet zonder meer kan worden aangemerkt als rustige woonwijk en dat derhalve de afstand als bedoeld in de VNG-brochure met één stap kan worden verlaagd, komt in het licht van de onthouding van goedkeuring geen zelfstandige betekenis toe. Deze opmerking behoeft derhalve geen bespreking.

Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond.

Bezwaren tegen deelgebied Noord

Het standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan deelgebied Noord van het plan.

2.5.1.    [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] voeren aan dat het plan wat betreft deelgebied Noord in strijd is met het provinciaal beleid.

Appellanten stellen dat geen sprake is van een ruimtelijke inpassing van deelgebied Noord. [appellant sub 3] voert aan dat met deelgebied Noord niet wordt voldaan aan de criteria zoals gesteld in het Streekplan Zeeland 1997 (hierna: streekplan). Voorts achten appellanten de ontwikkeling van deelgebied Noord strijdig met de belangen van zuinig ruimtegebruik en het tegengaan van versnippering van het landelijke gebied.

[appellant sub 3] acht het plan in zoverre ook in strijd met de streekplanherziening West Zeeuws-Vlaanderen (hierna: de streekplanherziening) en het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal (hierna: het gebiedsplan) en wijst hierbij op het advies van de Provinciale Commissie Omgevingsbeleid (hierna: de PCO).

Appellanten merken op dat de PCO twee maal negatief heeft geadviseerd over deelgebied Noord van het plan. [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van deze adviezen.

2.5.2.    [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] voeren aan dat het plan ten aanzien van deelgebied Noord niet in overeenstemming is met het rijksbeleid in de Nota Ruimte. Appellanten stellen dat realisering van het plan de kernkwaliteiten van het nationaal landschap Zuidwest-Zeeland zal aantasten.

2.5.3.    [appellanten sub 2] betogen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B(4.1)", voor zover dit is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van de woningen aan de Maaidijk. Appellanten stellen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de omgeving van deelgebied Noord niet kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure en dat ten aanzien van bedrijvigheid in categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kan worden afgeweken van de richtafstand in de VNG-brochure.

[appellant sub 3] voert aan dat, in strijd met het beleid in de Nota Ruimte en het streekplan, de vestiging van risicovolle bedrijven is toegelaten in deelgebied Noord.

2.5.4.    Appellanten stellen dat geen behoefte bestaat aan de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] stellen dat het plan slechts kan leiden tot een verplaatsing van bestaande bedrijven. Daarmee wordt ten onrechte niet voorzien in nieuwe arbeidsplaatsen.

[appellanten sub 2] en [appellant sub 3] stellen dat nog voldoende ruimte beschikbaar is op het bestaande deel van Stampershoek en op de overige bedrijventerreinen in de gemeente Sluis en in West Zeeuws-Vlaanderen.

2.5.5.    [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat verweerder onvoldoende heeft weerlegd dat deelgebied Noord slechts uit financiële motieven wordt ontwikkeld. [appellanten sub 2] betwijfelen of ten aanzien van deelgebied Noord een ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden.

Het standpunt van verweerder en de gemeenteraad

2.5.6.    Verweerder acht het plan wat betreft deelgebied Noord niet in strijd met het provinciaal beleid. Daartoe merkt hij op dat de kern Oostburg in het streekplan is aangewezen als dragende kern, op grond waarvan ter plaatse bedrijventerreinen met een regionale opvangfunctie kunnen worden ontwikkeld. Voorts stelt verweerder dat het plan wat betreft oppervlakte en opzet voldoet aan de uitgangspunten van de streekplanherziening en het gebiedsplan.

2.5.7.    Verweerder acht het plan wat betreft deelgebied Noord niet strijdig met de aanwijzing van Zuidwest-Zeeland als nationaal landschap in de Nota Ruimte. Daartoe voert hij aan dat uitsluitend lokale en regionale bedrijven zijn toegelaten en dat de Nota Ruimte hieraan niet in de weg staat. Voorts voert verweerder aan dat het bedrijventerrein zal worden voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

2.5.8.    Verweerder meent dat ten aanzien van een gering deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B(4.1)" kan worden afgeweken van de afstand van 200 meter tot bedrijvigheid in categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals gesteld in de VNG-brochure.

Voorts merkt hij op dat bedrijven in categorie 5 niet zijn toegelaten in deelgebied Noord.

2.5.9.    Met betrekking tot de behoefte aan bedrijventerrein onderschrijft verweerder de onderbouwing van de gemeenteraad, die op dit punt in de plantoelichting heeft verwezen naar de behoefteraming in de "Integrale Ontwikkelingsvisie Bedrijventerreinen".

2.5.10.    Verweerder onderschrijft het principe van segmentering en clustering van bedrijven op een noordelijk en zuidelijk deel van het bedrijventerrein. Mitsdien acht hij de kostenverdeling tussen deelgebied Noord en Zuid niet doorslaggevend.

Toepasselijke regelgeving

2.5.11.    Aan de gronden van deelgebied Noord van het plan zijn de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden B(3.2)" en "Bedrijfsdoeleinden B(4.1)" toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" bestemd voor: (…)

c.    ter plaatse van de bestemmingsaanduiding B(4.1); bedrijven voor zover deze voorkomen in categorie 1 tot en met 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; (…)

met dien verstande dat voor beide deelgebieden geldt dat:

k.    uitsluitend lokale en regionale bedrijven zijn toegestaan;

(…)

m.    niet zijn toegestaan:

   1.    risicovolle inrichtingen; (…)

2.5.12.    Ingevolge artikel 4, zesde lid van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in:

a.    lid 1 teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in één categorie hoger dan genoemd in lid 1, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; (…)

met dien verstande dat niet zijn toegestaan:

c.    bedrijven voor zover deze voorkomen in categorie 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

(…)

e.    risicovolle inrichtingen; (…)

2.5.13.    Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder risicovolle inrichtingen verstaan: inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi).

Toepasselijk beleid

2.5.14.    In het streekplan is de kern Oostburg aangewezen als dragende kern voor de regio West Zeeuws-Vlaanderen. Volgens het streekplan hebben dragende kernen een verzorgingsfunctie voor de regio waarin zij liggen. De uitstraling blijft beperkt tot het regionale niveau. Ook bij de dragende kernen geldt dat zij door bundeling van bevolking, voorzieningen en werkgelegenheid kunnen bijdragen aan het kwaliteitsniveau van de regio, aldus het streekplan.

   Ten aanzien van de totstandkoming, uitbreiding, inrichting en beheer van werklocaties stelt het streekplan onder meer de volgende criteria voor ruimtelijke inpassing:

-    aangesloten dient te worden bij bestaande bebouwing, zo mogelijk bij bestaande goed gesitueerde bedrijfsbebouwing;

(…)

-    gelegen binnen natuurlijke en kunstmatige barrières, zo veel mogelijk gebruik makend van "restruimten";

(…)

-    natuur-, cultuur- en landschappelijke waarden ter plaatse/in de omgeving dienen ontzien te worden.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.15.    Bij zijn beoordeling van deelgebied Noord is verweerder voorbij gegaan aan het in het streekplan vastgelegde beleid, waarin criteria voor ruimtelijke inpassing van bedrijventerreinen zijn gesteld. Hij is in zijn motivering niet ingegaan op de criteria dat dient te worden aangesloten bij bestaande bebouwing, zo mogelijk bij bestaande goed gesitueerde bedrijfsbebouwing, dat het bedrijventerrein is gelegen binnen natuurlijke en kunstmatige barrières, zo veel mogelijk gebruik makend van "restruimten", noch op het vereiste dat de natuur-, cultuur- en landschappelijke waarden ter plaatse en in de omgeving worden ontzien. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de PCO zich in haar advies op het standpunt heeft gesteld dat deelgebied Noord niet aan voornoemde criteria voldoet.

Het door verweerder bedoelde beleid in de streekplanherziening en het gebiedsplan ziet op de ontwikkeling van extra ruimte voor bedrijventerreinen in West Zeeuws-Vlaanderen alsmede de landschappelijke inpassing daarvan, de zogeheten rood-voor-groen-regeling, en vormt in zoverre slechts een aanvulling op het streekplanbeleid. Het betoog van verweerder dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van de streekplanherziening en het gebiedsplan, leidt niet ertoe dat aan het voornoemde streekplanbeleid voorbij kon worden gegaan. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb volgens welke bepaling een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.5.16.    Ten aanzien van het betoog dat het plan wat betreft deelgebied Noord niet in overeenstemming is met beleid in de Nota Ruimte, overweegt de Afdeling het volgende.

    In de Nota Ruimte worden provincies en gemeenten gevraagd in hun beleid rekening te houden met de inhoud van de planologische kernbeslissingen in de Nota Ruimte. Op grond van de Nota Ruimte is het plangebied gelegen binnen het als zodanig aangewezen nationaal landschap Zuidwest-Zeeland. Als planologische kernbeslissing is geformuleerd dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt.

Daarbij bieden nationale landschappen ruimte voor aanwezige regionale en lokale bedrijvigheid.

Blijkens het bestreden besluit en het raadsbesluit hebben verweerder en de gemeenteraad beoogd om bij voornoemde planologische kernbeslissing aan te sluiten. Hierbij zijn zij ervan uitgegaan dat de Nota Ruimte niet in de weg staat aan de ontwikkeling van bedrijventerrein voor nieuwe lokale en regionale bedrijvigheid binnen een als zodanig aangewezen nationaal landschap. Deze veronderstelling hebben verweerder en de gemeenteraad, in het licht van het beleid dat nationale landschappen ruimte bieden voor aanwezige regionale en lokale bedrijvigheid, onvoldoende gemotiveerd. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

   Voorts is in geschil of de kernkwaliteiten van het nationaal landschap bij realisering van deelgebied Noord ten minste worden behouden. Volgens de Nota Ruimte kent de regio West-Zeeuws-Vlaanderen eigen kernkwaliteiten, waaronder een overgang van zandige kust, via kleipolders, naar dekzandgebied met verschillende mate van openheid en de aanwezigheid van historische verdedigingswerken. De stelling van de gemeenteraad dat het plangebied een voor Zeeuws-Vlaanderen gangbare jonge zeekleipolder betreft, kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de kernkwaliteiten van het nationaal landschap worden behouden. Voorts is uit het deskundigenbericht gebleken dat het landschap ter plaatse van deelgebied Noord zich kenmerkt als een overwegend onbebouwd agrarisch polderlandschap en dat aan het noordelijke uiteinde van de Maaidijk de resten van een fort van de Staats-Spaanse Linies zijn gelegen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het door verweerder en de gemeenteraad omarmde beleid in de Nota Ruimte in zoverre geen betekenis toekomt voor het plan.

Ten aanzien van de vraag of de kernkwaliteiten van het nationaal landschap bij realisering van deelgebied Noord worden behouden, worden in de Nota Ruimte maatvoering, schaal en ontwerp bepalend geacht. Zoals [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, heeft de PCO zich in dit kader op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft deelgebied Noord massief van omvang is, ver van de bebouwde kom af ligt en relatief ver de open polder insteekt. Hieraan kan niet afdoen dat het plan voorziet in een landschappelijke inpassing met beplantingsstroken en een aarden wal of dijkje aan de noordzijde van de N58. Daarmee is verweerder ook voorbijgegaan aan de opmerking van de PCO dat het aanbrengen van boombeplantingen het ongewenst verdichtend effect van het bedrijventerrein zal versterken. Bovendien heeft verweerder daarmee niet onderkend dat de ruimtelijke uitstraling van het plan zich niet beperkt tot de directe omgeving van het plangebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het plan een bouwhoogte van 10 meter is toegelaten.

Ten slotte is verweerder in zijn besluit niet ingegaan op de vraag in hoeverre in het licht van de Nota Ruimte rekening is gehouden met de aanwezigheid van de resten van een fort van de Staats-Spaanse Linies nabij het plangebied.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd dat de kernkwaliteiten van het nationaal landschap Zuidwest-Zeeland bij uitvoering van het plan worden behouden of worden versterkt en dat in zoverre rekening is gehouden met het beleid van de Nota Ruimte.

2.5.17.    De stellingen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] met betrekking tot de toegelaten bedrijvigheid begrijpt de Afdeling aldus dat ten onrechte op relatief korte afstand van hun woningen risicovolle bedrijvigheid is toegelaten. Hierbij heeft [appellant sub 3] verwezen naar de Nota Ruimte en het provinciaal beleid in het streekplan, op grond waarvan de vestiging van basis- en procesindustrie niet is toegelaten bij dragende kernen als Oostburg in verband met de aard, schaal en functie van deze kernen.

Uit de plankaart, bezien in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, volgt dat bij recht bedrijvigheid in ten hoogste categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegelaten op een afstand van ten minste 184 respectievelijk 197 meter van de woningen aan de Maaidijk. Niet in geschil is dat in de VNG-brochure ten aanzien van deze bedrijvigheid als richtlijn is neergelegd dat een afstand van 200 meter tot een rustige woonwijk wordt aangehouden.

Dienaangaande acht de Afdeling van belang dat bij recht noch na vrijstelling van het plan bedrijven zijn toegelaten waarop het Bevi van toepassing is. Voorts is de vestiging van bedrijven in categorie 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten uitgesloten en zijn uitsluitend lokale en regionale bedrijven toegestaan. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid ermee kunnen instemmen dat ten aanzien van de woningen aan de Maaidijk in geringe mate wordt afgeweken van de richtlijn in de VNG-brochure en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende rekening is gehouden met de aard, schaal en functie van de kern Oostburg als bedoeld in het streekplan. In het betoog van [appellant sub 3] ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de Nota Ruimte in zoverre aan het plan in de weg staat. Deze betogen van appellanten slagen derhalve niet.

2.5.18.    In het kader van de door appellanten weersproken behoefte aan bedrijventerrein heeft de gemeenteraad een lijst overgelegd van potentiële bedrijven voor vestiging in het plangebied. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben gemotiveerd bestreden dat deze bedrijven bereid zijn om zich in deelgebied Noord te vestigen. Zoals verweerder en de gemeenteraad echter hebben gesteld, kan een dergelijke lijst onderhevig zijn aan wijzigingen. Daarnaast is het plan mede gericht op de vestiging van nieuwe bedrijvigheid. De door appellanten gestelde onjuistheden in de door de gemeenteraad overgelegde lijst leiden dan ook niet tot het oordeel dat geen behoefte bestaat aan het bedrijventerrein.

Voorts is gebleken dat een behoefteraming is uitgevoerd ten behoeve van de "Integrale Ontwikkelingsvisie Bedrijventerreinen". Blijkens de plantoelichting is deze visie uitdrukkelijk aan het plan ten grondslag gelegd. Appellanten hebben niet bestreden dat de daadwerkelijke uitgifte van bedrijventerrein in de gemeente Sluis reeds jaren hoger is dan voornoemde behoefteraming.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de aan het plan ten grondslag gelegde behoefteraming. Mitsdien slaag dit betoog van appellanten evenmin.

2.5.19.     Volgens de plantoelichting is de gelijktijdige ontwikkeling van deelgebied Noord en Zuid ook vanuit het oogpunt van financiële uitvoerbaarheid noodzakelijk. Niet in geschil is dat de ontwikkelingskosten per vierkante meter voor deelgebied Zuid zodanig hoog zijn dat een kostendekkende uitgifteprijs van die gronden niet mogelijk is zonder de ontwikkeling van deelgebied Noord. Gelet hierop, alsmede hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het provinciaal beleid en het rijksbeleid, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd dat de kostenverdeling tussen deelgebied Noord en deelgebied Zuid niet van doorslaggevend belang is geweest bij de vaststelling van de plandelen betreffende deelgebied Noord.

Overige bezwaren

Het standpunt van appellanten

2.6.    [appellanten sub 2] stellen dat geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de bedrijven die in deelgebied Noord zijn toegelaten.

[appellanten sub 1] stellen dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Appellanten twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het luchtkwaliteitonderzoek en de invoergegevens van het akoestisch onderzoek. Hierbij merken zij op dat de resultaten in het ontwerp-plan niet overeenkomen met de gegevens in het vastgestelde plan. Voorts stellen appellanten dat de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in Zeeland reeds worden overschreden.

2.6.1.    [appellanten sub 2] stellen te vrezen voor waardevermindering van hun woning door realisering van deelgebied Noord.

Voorts stellen zij dat door een ambtenaar van de gemeente de toezegging is gedaan dat het bedrijventerrein niet binnen deelgebied Noord zou worden gerealiseerd.

Het standpunt van verweerder en de gemeenteraad

2.6.2.    Verweerder stelt dat uit het luchtkwaliteitonderzoek is gebleken dat realisering van het plan niet leidt tot een overschrijding van de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) gestelde grenswaarden.

2.6.3.    Ten aanzien van de door [appellanten sub 2] gestelde waardevermindering van hun woning wijst verweerder op de mogelijkheid om een vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de WRO aan te vragen.

Wat betreft de door hen gestelde toezegging verwijst verweerder naar de weerlegging van de desbetreffende zienswijze door de gemeenteraad. Daarbij heeft de gemeenteraad gesteld dat niet is gebleken van enige correspondentie of mondelinge toezeggingen van (een lid van) het gemeentebestuur.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.4.    Uit het aan het plan ten grondslag gelegde luchtkwaliteitonderzoek blijkt dat na realisering van het plan ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) alsmede de vierentwintig-uurgemiddelde en jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10), zoals gesteld in het Blk 2005.

Voorts geeft het betoog van [appellanten sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat het luchtkwaliteitonderzoek, dan wel de daarvoor gehanteerde invoergegevens van het akoestisch onderzoek, zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich bij het nemen van zijn besluit hierop niet had mogen baseren.

Ten slotte hebben appellanten op geen enkele wijze onderbouwd dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 in de provincie Zeeland in het algemeen reeds worden overschreden.

   Ten aanzien van de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellanten sub 2] hebben zij niet gesteld en onderbouwd dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Wat betreft de gestelde toezegging door een ambtenaar van de gemeente overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een ambtenaar, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Gelet hierop bestond voor verweerder geen aanleiding goedkeuring aan het plan te onthouden op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad.

   Deze beroepsgronden treffen geen doel.

Conclusie

2.7.    Uit hetgeen is overwogen in 2.5.15., in 2.5.16. en in 2.5.19. volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van appellanten zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft deelgebied Noord wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan deelgebied Noord.

Nu ter zitting vanwege de gemeenteraad is verklaard dat deelgebied Zuid ook zal worden gerealiseerd zonder de (gelijktijdige) ontwikkeling van deelgebied Noord, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft deelgebied Zuid niet uitvoerbaar is en dat om die reden tevens het bestreden besluit betreffende deelgebied Zuid dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.8.    Ten aanzien van [appellanten sub 2] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] geheel en het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 25 april 2006, kenmerk RMW0604652139/8, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan deelgebied Noord;

III.    verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 38,53 (zegge: achtendertig euro en drieënvijftig cent); dit bedrag dient door de provincie Zeeland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Zeeland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 1], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 2] en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. De Rooy

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

417-516.