Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200605945/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft de gemeenteraad van Stein, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2005 en 22 december 2005, het bestemmingsplan "Kern Elsloo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605945/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Stein,

gevestigd te Stein,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7.    [appellanten sub 7], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft de gemeenteraad van Stein, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 22 september 2005 en 22 december 2005, het bestemmingsplan "Kern Elsloo" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juli 2006, kenmerk 2006/30459, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders van Stein (hierna: het college) bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2006, [appellant sub 2] bij brief van 11 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2006, [appellant sub 3] bij faxbericht van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, [appellanten sub 4] bij brief van 18 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2006, [appellant sub 5] bij brief van 25 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2006, [appellant sub 6] bij brief van 31 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2006, en [appellanten sub 7] bij brief van 24 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2006, beroep ingesteld. [appellant sub 6] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 29 september 2006.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder, het college en [appellanten sub 4]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2007, waar het college, vertegenwoordigd door J.H. Jansen, ambtenaar van de gemeente, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. Ph.W.A.M. van Royen, advocaat te Beek, [appellant sub 3], in persoon en bijgestaan door mr. L.P. Berg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 5], in persoon, [appellant sub 6], in persoon en bijgestaan door mr. A.J. Likkel, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand, [appellanten sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.R. Boer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Stein, evenals het college vertegenwoordigd door J.H. Jansen.

2.    Overwegingen

2.1.    Hetgeen het college naar voren heeft gebracht met betrekking tot het ontbreken van overleg als bedoeld in artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" dat betrekking heeft op een gedeelte van het perceel van [appellant sub 5], heeft hij ter zitting ingetrokken.

Toetsingskader

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Daalstraat en aan de Aan de Gellik

2.3.    Het college en [appellant sub 3] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan, voor zover het plan de bouw van nieuwe woningen mogelijk maakt aan de Daalstraat en aan de Aan de Gellik. Volgens [appellant sub 6] heeft verweerder ten onrechte goedkeuring onthouden aan de nieuwbouwlocatie aan de Daalstraat.

2.4.    De Afdeling overweegt dat verweerder blijkens het dictum van het bestreden besluit goedkeuring heeft verleend aan het plan, met uitzondering van de op de plankaart in rode omlijning aangegeven plandelen.

Ter zitting is gebleken dat van de plankaart twee verschillende versies bestaan, beiden door verweerder gewaarmerkt.

Op de ene plankaart zijn de plandelen waarop de gestelde onthouding van goedkeuring ziet en waartegen het college, [appellant sub 3] en [appellant sub 6] opkomen, rood omlijnd, op de andere plankaart is dit niet het geval.

De Afdeling stelt vast dat door de verschillen tussen de twee gewaarmerkte plankaarten onduidelijkheid bestaat omtrent het antwoord op de vraag of aan deze plandelen al dan niet goedkeuring is onthouden.

De Afdeling acht dit uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar.

De beroepen zijn derhalve op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidbeginsel, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Daalstraat en aan de Aan de Gellik, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart.

De onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied"

2.5.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", ten westen van de Mergelakker, naar aanleiding van de door [appellanten sub 4] ingebrachte bedenkingen. Dit plandeel heeft betrekking op de gronden van [appellanten sub 4]. Ten noorden van deze gronden is een doodlopende weg aangelegd met aan weerszijden gronden die zijn bestemd voor "Woondoeleinden". Aan de zuidkant van het gebied Mergelakker maakt het plan de aanleg van nog een doodlopende weg mogelijk, welke weg uitloopt op gronden met de bestemming "Woondoeleinden". Direct ten zuiden van de gronden van [appellanten sub 4] liggen gronden waaraan eveneens de bestemming "Agrarisch gebied" is toegekend. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de bestemming "Agrarisch gebied" voor de gronden van [appellanten sub 4], omdat hij van mening is dat onduidelijk is wat de beweegredenen van de gemeenteraad zijn geweest om te kiezen voor een afronding met woonbebouwing aan de zuidzijde van het gebied Mergelakker, maar niet voor eenzelfde logische afronding aan de noordzijde.

2.6.    Het college en [appellanten sub 7] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan dit plandeel heeft onthouden. Het beroep van [appellanten sub 4] richt zich tegen de motivering van deze onthouding van goedkeuring.

   Volgens [appellanten sub 4] is verweerder ten onrechte niet ingegaan op hun bezwaren tegen de huns inziens onzorgvuldige voorbereiding van het plan op dit punt. Zij stellen dat uit de motivering onvoldoende blijkt wat wel een logische bestemming zou zijn voor het desbetreffende plandeel. Ook achten zij de onthouding van goedkeuring ondoelmatig, nu niet vaststaat dat de hiermee beoogde functie binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Verder zijn zij van mening dat verweerder hun bedenkingen onvoldoende gemotiveerd heeft beantwoord.

   Het college is van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij goedkeuring aan het plandeel heeft onthouden, terwijl verweerder in het verleden nooit bezwaren heeft geuit tegen het sinds 1980 bij de gemeenteraad bestaande streven voor Mergelakker om de woningbouw ter plaatse te beperken. Volgens het college heeft verweerder de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht, miskend. Bovendien is het college van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen goedkeuring heeft onthouden aan de beide plandelen met de bestemming "Agrarische gebied" in Mergelakker, maar slechts aan het noordelijke plandeel. Verweerder had in zijn brief van 19 mei 2006 immers nog gesteld goedkeuring te zullen onthouden aan beide plandelen.

   Volgens [appellanten sub 7] heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij van mening is dat het noordelijke deel van Mergelakker op dezelfde wijze dient te worden afgerond als het zuidelijke deel, nu het reeds is afgerond met een groenbestemming. Voorts stellen [appellanten sub 7] dat woonbebouwing afbreuk zou doen aan de groene omgeving van hun woonhuizen in het noordelijk deel van Mergelakker. Daarnaast zijn zij van mening dat sprake is van rechtsongelijkheid, nu verweerder goedkeuring aan het plandeel heeft onthouden naar aanleiding van bij hem ingebrachte bedenkingen, terwijl [appellanten sub 7] niet in staat zijn gesteld om hun mening te geven over deze onthouding van goedkeuring. Voorts leidt het realiseren van woningen ten zuiden van de woningen van [appellanten sub 7] volgens hen tot een tekort aan parkeerplaatsen en een slechtere bereikbaarheid voor veiligheidsdiensten, door een toenemend aantal op de weg geparkeerde auto's. Verder stellen zij dat het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden betrekking heeft op een te kleine oppervlakte om ruimte te bieden aan woningen die qua omvang aansluiten bij hun woonhuizen.

2.7.    Onder verwijzing naar hetgeen in overweging 2.2. is vermeld, stelt de Afdeling voorop dat verweerder bij zijn besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan rekening moet houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het primaat in de ruimtelijke ordening ligt aldus bij de gemeenteraad.

   Blijkens het besluit tot vaststelling van het plan van 22 december 2005 en de voorstellen van het college waarnaar de gemeenteraad heeft verwezen, ligt aan de keuze van de gemeenteraad om op de in geding zijnde gronden geen woningbouw toe te staan, onder meer de wens ten grondslag om de bebouwing landschappelijk beter in te passen en een meer open bebouwingsbeeld te houden, en om de belasting van het bestaande wegennetwerk beperkt te houden.

   Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder nagelaten deze aspecten in zijn besluitvorming te betrekken en heeft hij nagelaten te motiveren waarom de planologische keuze van de raad de toets der kritiek niet zou kunnen doorstaan. Dat verweerder het logisch acht om de bebouwing aan de noordzijde van Mergelakker op dezelfde wijze af te ronden als de wijze waarop deze afronding in het zuidelijke deel is voorzien, betekent immers niet dat de door de raad beoogde invulling van het gebied niet zou stroken met de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

2.7.1.    Uit overweging 2.7. volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied".

   Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de in dit verband door appellanten naar voren gebrachte argumenten voor het overige geen bespreking meer.

De onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden"

2.8.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de westzijde van het gebied Mergelakker, dat betrekking heeft op een gedeelte van het perceel van [appellant sub 5]. Blijkens het bestreden besluit heeft hij hiertoe aanleiding gevonden in het licht van de afronding van de twee woongebieden en het bewaren van meer afstand tot het ten westen daarvan gelegen hellingbosje en de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarde.

2.9.    Het college en [appellant sub 5] betogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in verband met de aanwezigheid van het hellingbosje aan dit plandeel goedkeuring heeft onthouden.

2.10.    Ter zitting is gebleken dat de gronden waarop de in geding zijnde bestemming rust zich bevinden op een grotere afstand van het hellingbosje dan de ten zuiden hiervan gelegen gronden, waaraan eveneens een woonbestemming is toegekend. Aan de woonbestemming van deze gronden heeft verweerder wel goedkeuring verleend. De redenen om goedkeuring te onthouden aan de bestemming van een deel van de gronden van [appellant sub 5] blijken niet uit het bestreden besluit. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting die redenen niet kunnen noemen.

2.10.1.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat het niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de westzijde van het gebied Mergelakker, dat betrekking heeft op een gedeelte van het perceel van [appellant sub 5]. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" achter het perceel [locatie 1]

2.11.    [appellant sub 2] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" dat betrekking heeft op het perceel, grenzend aan de achterzijde van het perceel [locatie 1]. Aan de noordzijde grenst het perceel aan de gronden van [appellanten sub 4]. Op het moment dat [appellant sub 2] het perceel met de door hem bestreden bestemming aankocht, rustte hierop nog een woonbestemming. [appellant sub 2] is van mening dat de gemeenteraad het vertrouwen heeft geschonden dat deze bestemming behouden zou blijven. De gemeenteraad heeft dit vertrouwen opgewekt door de eigenaren van de gronden in het zuidelijke deel van Mergelakker in staat te stellen plannen in te dienen voor woningbouw. Hij is verder van mening dat de gemeenteraad noch verweerder hebben gemotiveerd waarom de door hem ingediende bouwplannen niet realiseerbaar zouden zijn. Hij acht de in het plan opgenomen bestemmingswijziging ten opzichte van het vorige bestemmingsplan daarnaast in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voorts vreest hij waardevermindering van zijn perceel als gevolg van voornoemde bestemmingswijziging. Volgens [appellant sub 2] heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan deze bestemmingswijziging, terwijl hij goedkeuring heeft onthouden aan dezelfde bestemming van het perceel van [appellanten sub 4].

2.12.    Verweerder stelt dat [appellant sub 2] geen rechten kan ontlenen aan de bouwmogelijkheden die op zijn gronden rustten toen het vorige bestemmingsplan nog van kracht was, nu hij aan deze mogelijkheden geen invulling heeft gegeven. Bovendien zijn de stedenbouwkundige inzichten sterk veranderd sinds het van kracht worden van het vorige bestemmingsplan in 1980.

2.13.    Blijkens het besluit tot vaststelling van het plan door de gemeenteraad van 22 december 2005 en de voorstellen van het college waarnaar de gemeenteraad heeft verwezen, heeft de gemeenteraad op 22 september 2005 de besluitvorming over het ontwerpbestemmingsplan "Kern Elsloo" opgeschort tot 22 december 2005, om de eigenaren van de binnen het gebied Mergelakker-zuid gelegen gronden in de gelegenheid te stellen een bouwplan te ontwikkelen. De naar aanleiding hiervan mede door [appellant sub 2] toegezonden bouwplannen stroken naar de mening van de gemeenteraad niet met de uitgangspunten zoals deze in de raadsvergadering van 22 september 2005 zijn verwoord, met name wat betreft de groenstrook en het aantal bouwmogelijkheden. De gemeenteraad heeft in de gepresenteerde bouwplannen wat betreft het perceel van [appellant sub 2] geen aanleiding gezien om af te wijken van de in het ontwerp opgenomen regeling.

2.14.    De Afdeling is van oordeel dat verweerder in de omstandigheid dat de eigenaren van gronden in Mergelakker-zuid in staat zijn gesteld om een voorstel in te dienen voor woningbouw in het gebied, terwijl de ingediende voorstellen niet zijn gevolgd, geen aanleiding heeft hoeven zien om goedkeuring te onthouden aan de door [appellant sub 2] bestreden bestemming. Niet gebleken is immers, dat de gemeenteraad toezeggingen heeft gedaan om eventuele voorstellen over te nemen. Bovendien blijkt uit de begeleidende brief bij de bouwplannen van 8 november 2005, die is ondertekend door de eigenaren van de gronden in Mergelakker-zuid, dat zij zelf reeds bij het indienen van de bouwplannen ervan op de hoogte waren dat hun voorstellen niet voldeden aan de door de gemeenteraad daaraan gestelde eisen.

2.14.1.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op het rechtszekerheidsbeginsel, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

   Wat betreft de eventueel te lijden schade door [appellant sub 2] als gevolg van de door hem bestreden bestemming, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Voor zover de in het plan neergelegde beperkingen van het gebruik van de gronden al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom, laat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. De ter plaatse geldende bestemmingsplanregeling is een zodanige regulering.

2.14.2.    Voor zover [appellant sub 2] zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, nu verweerder wel goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" ten noorden van zijn perceel, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens het bestreden besluit is verweerder van mening dat de stedenbouwkundige opzet van het gebied Mergelakker een verbetering vormt ten opzichte van het voorheen geldende plan, vanwege de inrichting van het gebied met een noordelijk en een zuidelijk deel bestemd voor woningbouw, gescheiden door gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". Het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag in een inrichting van een gebied met een doorlopende weg in de richting noord-zuid, met aan weerszijden van deze weg de mogelijkheid tot het bouwen van woningen.

Het thans bij de beoordeling van de stedenbouwkundige opzet gehanteerde uitgangspunt van verweerder komt de Afdeling niet onredelijk voor.

   Indien aan het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden de bestemming "Woondoeleinden" zou worden toegekend, zou het door verweerder gehanteerde uitgangspunt niet worden verlaten. Zou zowel aan het plandeel waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden als aan het door [appellant sub 2] bestreden plandeel een woonbestemming worden toegekend, dan wordt dit uitgangspunt wel verlaten.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat op dit punt sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit betoog derhalve niet.

   Overigens volgt uit het bestreden besluit niet, anders dan [appellant sub 2] stelt, dat verweerder van mening is dat per definitie de bestemming "Woondoeleinden" moet worden toegekend aan het plandeel waaraan hij goedkeuring heeft onthouden. Blijkens het bestreden besluit is verweerder van mening dat de gemeenteraad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij wat betreft dit plandeel niet voor de bestemming "Woondoeleinden" heeft gekozen.

2.14.3.    De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 2] bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

De percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] met de bestemmingen "Recreatieve doeleinden" en "Groenvoorzieningen" aan de Daalstraat

2.15.    [appellant sub 3] en [appellant sub 6] richten zich tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Recreatieve doeleinden" en "Groenvoorzieningen" die betrekking hebben op hun percelen aan de Daalstraat. Zij stellen deze gronden al geruime tijd als weidegrond te gebruiken en zij zijn van mening dat verweerder dit aspect had moeten betrekken in zijn besluitvorming. [appellant sub 3] betwijfelt voorts of de recreatieve bestemming binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Voorts stelt [appellant sub 3] dat verweerder zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, door als motivering te volstaan met de opmerking dat onder het vorige plan op het perceel ook een recreatieve bestemming rustte. [appellant sub 6] is verder van mening dat de gemeenteraad aan zijn perceel geen recreatieve bestemming had mogen toekennen vanwege de ligging van zijn perceel binnen de stankcirkel van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 2].

2.16.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een wijziging van de bestaande situatie, nu de percelen van appellanten onder het voorheen geldende plan waren bestemd tot sportterrein. Derhalve acht hij niet van belang dat een gedeelte van deze gronden binnen de hindercirkel ligt. Aan de percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] is een recreatieve bestemming toegekend in verband met de mogelijke verplaatsing van een tenniscomplex dat in juli 2004 door brand is verwoest, aldus de gemeenteraad. Verweerder kan zich met het standpunt van de gemeenteraad verenigen.

2.17.    Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) rust op het college van burgemeester en wethouders de verplichting om ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gemeentelijke gebied onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Hieruit volgt dat in het kader van de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan op het gemeentebestuur de verplichting rust tot het verrichten van het benodigde onderzoek.

   De gemeenteraad heeft niet gekozen voor een positieve bestemming van het gebruik van de percelen van appellanten als weiland. Bij de vaststelling van het plan heeft hij voor de situatie van appellanten ter motivering van de daaraan toegekende bestemming volstaan met het verwijzen naar de vorige bestemmingsregeling en heeft hij, vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek naar de mogelijke verplaatsing van het tenniscomplex, een bestemming aan de percelen van appellanten toegekend die reeds op de realisering van het tenniscomplex is toegesneden. In zoverre heeft hij derhalve ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende onderzoek verricht als bedoeld in artikel 9 van het Bro 1985. Verweerder heeft dit miskend.

   Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met artikel 9 van het Bro 1985. Door het plan niettemin op dit punt goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Recreatieve doeleinden" en "Groenvoorzieningen", voor zover deze betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] aan de Daalstraat.

   Hieruit volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan vorenbedoelde plandelen.

De bestemming "Agrarisch gebied" van het perceel [locatie 3]

2.18.    [appellant sub 6] richt zich verder tegen de goedkeuring van de bestemmingsregeling van het perceel [locatie 3], waar zijn agrarische bedrijf is gevestigd. Hij stelt dat de nu opgenomen bestemmingsregeling onvoldoende ruimte biedt voor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing, met onder meer een loods, op het perceel. Verder biedt het plan zijns inziens onvoldoende flexibiliteit om de activiteiten op het perceel zo in te richten dat het bedrijf zo min mogelijk overlast veroorzaakt bij de omliggende woningen. [appellant sub 6] heeft voorts bezwaar tegen het feit dat op een deel van zijn gronden een vrijstelling is vereist om bebouwing op te richten, als gevolg van de bestemmingswijziging van een deel van zijn gronden van "Agrarische doeleinden klasse B" in de bestemming "Agrarisch gebied".

2.19.    Onder het vorige plan was het op het gehele perceel [locatie 3] toegestaan om bebouwing op te richten ten behoeve van het bedrijf van [appellant sub 6]. Vanwege de ligging van het bedrijf in de nabijheid van woningen heeft de gemeenteraad dit niet langer aanvaardbaar geacht, en is bij het onderhavige plan gekozen voor een zo compact mogelijk bouwvlak. Volgens de gemeenteraad biedt het opgenomen bouwvlak [appellant sub 6] voldoende uitbreidingsmogelijkheden op voldoende afstand van de omliggende woningen.

2.20.    Zoals reeds overwogen in 2.14.1., kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

   Het ten behoeve van [appellant sub 6] opgenomen bouwvlak biedt hem nog ruimte voor het uitbreiden van de bebouwing op zijn perceel, dat is gelegen temidden van verscheidene woningen. Voorts is van de zijde van [appellant sub 6] niet gebleken van concrete bouwplannen op zijn perceel. Gelet hierop en gelet op de mogelijke hinder die bedrijfsbebouwing op delen van het perceel die dichterbij de woningen liggen, met zich zou kunnen brengen voor deze woningen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling bij het standpunt van de gemeenteraad, zoals hiervoor weergegeven, kunnen aansluiten.

2.20.1.    De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming van het perceel Op de Dries 4, voor zover door [appellant sub 6] bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.21.    Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6]. Ten aanzien van het college en [appellanten sub 7] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Stein, [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], en [appellanten sub 7] geheel, en het beroep van [appellant sub 6] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 4 juli 2006, kenmerk 2006/30459, voor zover daarbij:

a. is beslist omtrent de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Daalstraat en aan de Aan de Gellik, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

b. goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", voor zover dat betrekking heeft op de gronden van [appellanten sub 4], en aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", voor zover dat betrekking heeft op het perceel van [appellant sub 5];

c. goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Recreatieve doeleinden" en "Groenvoorzieningen", voor zover deze betrekking hebben op de gronden van [appellant sub 3] en [appellant sub 6] aan de Daalstraat;

III.    onthoudt goedkeuring aan de plandelen, hiervoor genoemd onder II.c.;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder III. gestelde in de plaats treedt van het bestreden besluit;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] geheel en het beroep van [appellant sub 6] voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een totaalbedrag van € 1.839,95 (zegge: achttienhonderdnegenendertig euro en vijfennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.610,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant op de volgende wijze, onder vermelding van het zaaknummer, te worden betaald:

- aan [appellant sub 3] een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- aan [appellanten sub 4] een bedrag van € 467,69 (zegge: vierhonderdzevenenzestig euro en negenenzestig cent);

- aan [appellant sub 5] een bedrag van € 42,13 (zegge: tweeënveertig euro en dertien cent);

- aan [appellant sub 6] een bedrag van € 686,13 (zegge: zeshonderdzesentachtig euro en dertien cent);

VII.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor het college van burgemeester en wethouders van Stein, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 3], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 4], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 5], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 6] en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 7] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven     w.g. Broekman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

12-528.

plankaart