Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200700098/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas het bestemmingsplan "Landgoed De Roode Vennen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700098/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas het bestemmingsplan "Landgoed De Roode Vennen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 december 2005, kenmerk 2005/55990, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 6 december 2005 bij uitspraak van 7 juli 2006, no. 200601185/3, geheel vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 november 2006, kenmerk 2006/49722, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Horst aan de Maas en [belanghebbende] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.T.J. Zandvoort, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Horst aan de Maas, vertegenwoordigd door ir. M.F. van Heereveld en G.F.M. Brugmans, ambtenaren van de gemeente, en [belanghebbende] en anderen, eigenaar van Landgoed de Roode Vennen, vertegenwoordigd door mr. A.J. Likkel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Landgoed -L-" en de aanduidingen "bouwvlak landhuis -Ll-" en 'bouwvlak recreatieverblijf -Lr-", nu hij door de voorziene bebouwing in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt. Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de bedenkingen buiten de termijn zijn ingediend, nu deze termijn per 1 juli 2005 zes weken bedraagt. Voorts betoogt hij dat verweerder de voorziene bebouwing ten onrechte heeft aangemerkt als "voor stank gevoelige objecten" die vallen in milieucategorie III, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie), nu de voorziene bebouwing in milieucategorie I of II valt. Verweerder is, volgens appellant, ten onrechte voorbijgegaan aan de omstandigheid dat niet de burgerwoning aan de Horsterweg 16c de meest beperkende factor is, maar de in het plan voorziene bebouwing nu deze in milieucategorie I valt. Tevens is verweerder ten onrechte voorbijgegaan aan de bedenking van appellant met betrekking tot de wijziging van de plantoelichting.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe heeft hij gesteld dat de bedenkingen van appellant verschoonbaar te laat zijn ingediend en derhalve niet buiten beschouwing zullen worden gelaten. Voorts sluit hij zich aan bij het standpunt van de gemeenteraad van Horst aan de Maas dat het landgoed een kleinschalige toeristische activiteit is die valt onder categorie III zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Wet stankemissie. Verweerder stelt dat in die wet zowel bij de beschrijving van objecten behorende tot categorie I als bij de beschrijving van objecten behorende bij categorie III sprake is van recreatieobjecten. Voorts blijkt volgens verweerder uit de memorie van toelichting bij de Wet stankemissie dat met die wet is beoogd de uitgangspunten van de voorheen geldende regelgeving in een wet vast te leggen. Gelet daarop kan, volgens hem, aansluiting worden gezocht bij diverse uitspraken van de Afdeling met betrekking tot de voorheen geldende regelgeving waaruit blijkt dat niet elk object van verblijfsrecreatie onder categorie I valt en dat onderscheid gemaakt moet worden. Verweerder acht de gemeentelijke afweging betreffende de categorie-indeling en de daarbij betrokken aspecten zoals de kleinschaligheid van de verblijfsrecreatie, de eenvoud van de te bieden voorzieningen en de omstandigheid dat geen sprake is van een recreatiebedrijf dat "regelmatig door een niet onaanzienlijk aantal mensen zal worden bezocht", alleszins redelijk en stemt in met de uitkomst van deze afweging. Verweerder stelt zich, gelet op de categorie-indeling en de afstand tussen het bedrijf van appellant en de voorziene verblijfsrecreatie, op het standpunt dat de vrees van appellant voor belemmeringen in de bedrijfsvoering ongegrond is.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plan voorziet in een landgoed, bestaande uit een woning, een complex voor verblijfsrecreatie, een theehuis en een oranjerie, op gronden van een voormalig agrarisch bedrijf. Appellant exploiteert een varkenshouderijbedrijf dat ten oosten van het in het plan voorziene landgoed is gelegen. De afstand van de grens van het bouwvlak op de gronden van appellant tot de grens van het bouwvlak voor het voorziene complex voor verblijfsrecreatie is ongeveer 185 meter. In de plantoelichting is vermeld dat de projectlocatie is gelegen in een gebied dat in het reconstructieplan "Noord- en Midden-Limburg" is aangeduid als extensiveringsgebied waarin natuur en landschap centraal staan.

2.5.2.    Ingevolge artikel 4, onder 4.2.3., van de planvoorschriften betreffende de gronden met de bestemming "Landgoed -L-", voor zover thans van belang, zijn recreatieverblijven toegelaten in de vorm van 6 appartementen en 5 kamers met bijbehorende voorzieningen.

   Ingevolge dit artikel, onder 4.3.1., sub b en c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen binnen het bouwvlak op de plankaart aangeduid met "Ll" uitsluitend het landhuis met bijbehorende voorzieningen alsmede recreatieverblijven in de vorm van 2 kamers worden gebouwd en mogen binnen het bouwvlak op de plankaart aangeduid met "Lr" uitsluitend recreatieverblijven bestaande uit 6 appartementen, 3 kamers en bijbehorende voorzieningen worden gebouwd.

   Ingevolge dit artikel, onder 4.3.2., aanhef en onder f, voor zover thans van belang, met betrekking tot het bouwvlak met de aanduiding "Ll", mag de inhoud van een kamer als recreatieverblijf niet meer bedragen dan 150 m³.

   Ingevolge dit artikel, onder 4.3.3, aanhef en onder c, met betrekking tot het bouwvlak met de aanduiding "Lr", mag de inhoud van een appartement of kamer niet meer bedragen dan 300 m³.

2.5.3.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet stankemissie, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder een voor stank gevoelig object categorie I verstaan bebouwde kom met stedelijk karakter, een ziekenhuis, sanatorium en internaat en objecten voor verblijfsrecreatie.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder een voor stank gevoelig object categorie III verstaan verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het standpunt van verweerder dat de bedenkingen van appellant die ná de wettelijke termijn van vier weken, maar binnen de gepubliceerde termijn van zes weken, verschoonbaar te laat zijn ingediend is juist. Op dit geding is namelijk, zoals in overweging 2.1. is weergegeven, de Awb zoals deze gold vóór 1 juli 2005 van toepassing. Ingevolge die wetgeving is de termijn voor het indienen van bedenkingen vier weken.

2.7.    Niet in geschil is dat, indien de voorziene verblijfsrecreatie als een voor stank gevoelig object behorende tot categorie I moet worden aangemerkt, niet aan de minimaal vereiste afstand wordt voldaan. Evenmin is in geschil dat, indien voornoemde verblijfsrecreatie als een voor stank gevoelig object behorende tot categorie III moet worden aangemerkt, wel aan de minimaal vereiste afstand wordt voldaan.

   Gelet op de in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet stankemissie opgenomen kwalificatie van een voor stank gevoelig object behorende tot categorie III, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verblijfsrecreatieve bebouwing tot deze categorie kan behoren. Uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer 2000-2001, 270835, nr. 3) blijkt voorts dat met de Wet stankemissie niet is beoogd een andere invulling te geven aan de categorie-indeling dan daaraan werd gegeven vóór de inwerkingtreding van die wet. Tevens blijkt daaruit dat de categorie-indeling erop is gericht dat het percentage stankgehinderden daalt, door onder meer objecten met een hoge bevolkingsconcentratie een hoge(re) beschermingsgraad te geven.

   Gelet hierop acht de Afdeling het uitgangspunt van verweerder bij zijn beoordeling onder welke categorie in de zin van de Wet stankemissie het voorziene landgoed valt, dat het bij een object behorende tot categorie III niet mag gaan om een recreatieobject dat regelmatig door een niet onaanzienlijk aantal mensen zal worden bezocht, niet onjuist. De voorziene verblijfsrecreatie bestaat uit 5 kamers en 6 appartementen. Dit aantal en de inhoud van de kamers en appartementen is in de planvoorschriften vastgelegd en daarvan is geen uitbreiding mogelijk. Onder die omstandigheden heeft verweerder het voorziene landgoed op goede gronden niet aangemerkt als een recreatiebedrijf dat regelmatig door een niet onaanzienlijk aantal mensen zal worden bezocht. Voorts is niet in geschil dat het desbetreffende buitengebied na de realisering van het voorziene landgoed een overwegende woon- en recreatieve functie heeft.

   Gelet op het bovenstaande is niet gebleken dat verweerder de verblijfsrecreatie op het voorziene landgoed ten onrechte heeft aangemerkt als een voor stank gevoelig object behorende tot categorie III in de zin van de Wet stankemissie. Nu niet in geschil is dat bij die categorie wordt voldaan aan de minimaal vereiste afstand op grond van de Wet stankemissie en de daarbij behorende bijlage 1, acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de vrees van appellant voor belemmeringen in zijn bedrijfsvoering ongegrond is, juist.

2.8.    Nu appellant bij het bezwaar betreffende de woning aan de Horsterweg 16c als uitgangspunt heeft genomen dat het voorziene landgoed gekwalificeerd moest worden als een voor stank gevoelig object behorende tot categorie I, slaagt dit bezwaar gelet op het vooroverwogene niet.

2.9.    In de bezwaren van appellant tegen de wijziging van de plantoelichting, behoefde verweerder geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden, nu de toelichting geen deel uitmaakt van het plan en daaraan derhalve geen bindende betekenis toekomt.

2.10.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin     w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

12-458.