Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200702027/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen (hierna: het college) het aan appellanten in eigendom toebehorende pand op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Ooij, sectie […], nummer […] (hierna: het pand), aangewezen als beschermd gemeentelijk monument en op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702027/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/5072 van de rechtbank Arnhem van 8 februari 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen (hierna: het college) het aan appellanten in eigendom toebehorende pand op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Ooij, sectie […], nummer […] (hierna: het pand), aangewezen als beschermd gemeentelijk monument en op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Bij besluit van 27 september 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2005 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door appellanten gemaakte bezwaar en dat bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, alsmede het besluit van 27 april 2004 met een nadere motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 8 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 3 augustus 2007 hebben appellanten een nadere reactie ingediend. Deze is aan de andere partij gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden, en drs. Th. M. Elsing, werkzaam bij het Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg te Schoonhoven, en het college, vertegenwoordigd door drs. M. Jetten en drs. C.H. van Marle, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening Ubbergen 2002 (hierna: de verordening), voor zover thans van belang, verstaat de verordening onder monument: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of (cultuur)historische waarde.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de verordening verstaat de verordening onder beschermd gemeentelijk monument: een monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de verordening vragen burgemeester en wethouders, voordat zij over de aanwijzing een besluit nemen, advies aan de monumentencommissie.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, en onder a, van de verordening is het verboden zonder, of in strijd met een vergunning van burgemeester en wethouders een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte de beleidsnota monumentenzorg "Gezien worden" van de gemeente Ubbergen bij haar oordeel heeft betrokken, nu deze nota in het besluit van 27 april 2004 noch in de beslissing op bezwaar van 19 oktober 2005 is vermeld.

2.2.1.    In de stukken is toegelicht dat voornoemde nota het gemeentelijk beleid ter zake van de plaatsing van object op de gemeentelijke monumentenlijst bevat en voorts een toelichting inhoudt op de criteria die het college bij de aanwijzing van beschermde gemeentelijke monumenten hanteert. Nu deze nota wel is vermeld in het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank deze nota niet bij haar oordeel mocht betrekken. Het betoog faalt derhalve.

2.3.    Verder betogen appellanten - samengevat weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 19 oktober 2005 gehandhaafde aanwijzing van hun pand als beschermd gemeentelijk monument niet deugdelijk is gemotiveerd. Daartoe voeren zij aan dat gezien de door het college bij de aanwijzing gehanteerde criteria, als ook de bij besluit van 19 oktober 2005 gewijzigde redengevende omschrijving, gerede twijfel bestaat omtrent de monumentwaardigheid van hun pand.

2.3.1.    De wijziging van de aan de aanwijzing ten grondslag liggende redengevende omschrijving is ingegeven door de bevindingen van het door appellanten overgelegde deskundigenrapport van drs. Th. M. Elsing (hierna: Elsing) van het Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg te Schoonhoven van 2 juli 2004. De monumentencommissie van de gemeente Ubbergen heeft het college naar aanleiding van deze bevindingen alsmede naar aanleiding van eigen nader onderzoek naar het pand geadviseerd ten behoeve van de nieuwe beslissing op bezwaar de redengevende omschrijving en waardering van het pand op de door haar voorgestelde wijze gedeeltelijk aan te passen en te wijzigen, welk advies door het college is overgenomen. In deze gewijzigde redengevende omschrijving is uiteengezet waarom het pand vanwege zijn cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarde aangewezen blijft als beschermd gemeentelijk monument. Nu hiermee blijkens de stukken is aangesloten bij landelijk erkende criteria voor de beoordeling van de monumentwaardigheid van objecten, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op deze criteria mocht baseren. Voorts acht de Afdeling gezien de stukken en hetgeen ter zitting desgevraagd door het college is toegelicht, genoegzaam onderbouwd dat het pand als voormalige bazenwoning met kantoren van de steenfabriek "De Ooij" een aspect van de economische en sociale geschiedenis van de streek vormt en tevens van architectuurhistorische waarde is als een voorbeeld van de Delftse Schoolstijl. De kritiek van Elsing op onderdelen van de redengevende omschrijving en diens andere visie op monumentwaardigheid dan die van het college leiden derhalve niet tot het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de aanwijzing buiten de hem daarvoor toekomende beoordelingsvrijheid is getreden.

   Voor zover appellanten in dit verband verder hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de zogenoemde belvedèregedachte betekenis kan toekomen in het kader van de beoordeling van de monumentwaardigheid van het object, overweegt de Afdeling dat, wat daarvan ook zij, de rechtbank reeds op grond van het vorenoverwogene terecht heeft geoordeeld het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de monumentale waarde van het pand van appellanten voldoende is om tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument over te gaan.

   Het betoog faalt.

2.4.    Ook het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college gezien de uit de aanwijzing voortvloeiende gevolgen voor hun privésfeer daartoe niet in redelijkheid kon beslissen, faalt. Voor zover de aanwijzing tot gevolg zou hebben dat appellanten niet meer vrij over het pand kunnen beschikken en dat ook voor wijzigingen van het interieur een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de verordening moet worden gevraagd, onderscheiden appellanten zich niet van andere eigenaren dan wel gebruikers van als beschermd monument aangewezen panden. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde gevolgen voor de privésfeer van appellanten in het bijzonder onevenredig zouden zijn. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college heeft kunnen besluiten dat het pand van appellanten aangewezen blijft als beschermd gemeentelijk monument.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart     w.g. Poot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

164-496.