Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200702110/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) de aan appellant op 20 januari 2003 afgegeven verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702110/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/53 en 06/2331 van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) de aan appellant op 20 januari 2003 afgegeven verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2007, verzonden op 13 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 23 maart 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt onder een verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wvo, voor zover van belang, wijst de Minister functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties.

       Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wvo wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.

       Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende het onder a tot en met d vermelde. Onder a zijn vermeld de justitiële gegevens die ten behoeve van het veiligheidsonderzoek zijn verkregen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

       Ingevolge artikel 9 van de Wvo is de Minister bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

       Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvo, voor zover thans van belang, is de Minister bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.2.    In de "Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens" van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, nr. 35, p. 9; hierna: de Beleidsregel) heeft de Minister een leidraad gegeven voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

   In artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel is als uitgangspunt neergelegd dat indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a van de Wvo, bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

   Blijkens artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel wordt bij voormelde beoordeling in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

[…]

g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

[…].

2.3.    Blijkens de stukken was appellant werkzaam bij [Security BV] te Schiphol alwaar hij een vertrouwensfunctie in de zin van de Wvo bekleedde. Ten behoeve van deze functie is aan appellant op 20 januari 2003 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. De Minister heeft deze verklaring bij besluit van 28 oktober 2005 ingetrokken omdat uit informatie uit het documentatieregister van de Centrale Justitiële Documentatie is gebleken dat appellant op 7 mei 2003 is veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling. Uit de informatie bleek voorts dat appellant ten tijde van voornoemd besluit werd verdacht van poging tot mishandeling. Deswege is appellant bij uitspraak van de Politierechter van 4 november 2005 veroordeeld.

2.4.    De voorzieningenrechter heeft overwogen - samengevat weergegeven - dat de veroordeling van appellant in 2005 voor de Minister op zichzelf al voldoende basis bood om zich op het standpunt te mogen stellen dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat appellant de uit zijn vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Minister van zijn beleid had moeten afwijken, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat het delict waarvoor appellant in 2003 is veroordeeld, in 2001, derhalve vijf jaar voor het bestreden besluit, is gepleegd en dat de beide delicten niet zijn gepleegd in de uitoefening van de functie, doet daaraan niet af, aldus de voorzieningenrechter. Ook het feit dat appellant zowel door de Koninklijke Marechaussee als door de politie is onderzocht, leidt niet tot een ander oordeel nu het onderzoek door de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van andere aard is en een ander doel heeft.

2.5.    Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Minister een poging tot - eenvoudige - mishandeling kon kwalificeren als een poging tot een zware vorm van mishandeling in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Beleidsregel. De veroordeling in 2005, zo stelt appellant, zag op de gewone vorm van mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Deze is weliswaar onder strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in artikel 304 WvSr gepleegd, maar is niet als zodanig te kwalificeren als een zware vorm van mishandeling. De Minister had deze veroordeling dan ook niet mogen meewegen in zijn besluit tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar. Bovendien, zo voert appellant aan, kan de veroordeling in 2003 het intrekkingsbesluit van de Minister niet dragen, aangezien hij tussen het tijdstip van die veroordeling en het intrekkingsbesluit in de vervulling van zijn functie ongemoeid is gelaten en hij deze functie zonder incidenten heeft vervuld.

2.6.    Uit de stukken blijkt dat appellant in 2003 is veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling en in 2005 voor mishandeling van zijn echtgenote. Op grond van deze gegevens, ook in onderlinge samenhang bezien tegen de achtergrond van het gestelde in de Beleidsregel, mocht de Minister in dit geval toepassing geven aan artikel 10, eerste lid, van de Wvo.

2.7.    De Minister voert het beleid om, indien hij op grond van artikel 10 van de Wet bevoegd is een verklaring van geen bezwaar in te trekken, in beginsel van deze bevoegdheid gebruik te maken. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit beleid in rechte geen stand kan houden. Het uitgangspunt dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, acht de Afdeling, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk.

2.8.    Appellant heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het doel van het onderzoek van de AIVD een ander is dan het doel van het door de Koninklijke Marechaussee en de politie ingestelde onderzoek heeft miskend, dat beide onderzoeken, dus ook dat van de AIVD, zijn gericht op het waarborgen van de betrouwbaarheid van de betrokkenen, in het bijzonder vanuit veiligheidsoogpunt. De positieve uitkomst van het onderzoek door de Koninklijke Marechaussee en de politie betekent dat van appellant geen veiligheidsrisico uitgaat. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat onder deze omstandigheden het onverkort vasthouden aan de Beleidsregel onevenredig nadeel aan hem toebrengt.

2.9.    Het toetsingskader waarvan de Minister dient uit te gaan, is neergelegd in artikel 7 van de Wvo. Bij de beoordeling van het resultaat van het door de AIVD ingestelde onderzoek, dient de Minister de in die wettelijke bepaling opgenomen maatstaf te hanteren. De uitkomst van onderzoek door de Koninklijke Marechaussee en de politie staat los van die door de Minister te verrichten beoordeling.

   In hetgeen door appellant is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval had moeten worden afgeweken van het beleid dat de Minister voert bij de aanwending van zijn in artikel 10 van de Wvo neergelegde bevoegdheid.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Den Broeder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

187-384.