Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200700311/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 27 oktober 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kas op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700311/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3358 van de rechtbank

's-Gravenhage van 8 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle.

1.    Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 27 oktober 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kas op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het perceel).

Bij besluit, verzonden op 2 maart 2006, heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 11 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, verzonden op 22 februari 2007, heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2007, waar namens appellante [gemachtigde], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door A. de Vries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is en ook de Afdeling is van oordeel dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1990" (hierna: het bestemmingsplan).

2.2.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, sub a, van de WRO kan bij bestemmingsplan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in dat plan vervatte regelen bevoegd zijn van de bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

   Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming agrarische doeleinden (A) en is het perceel bestemd voor glastuinbouw.

   Ingevolge artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen met betrekking tot het bouwen in de perceelsgrens.

   Ingevolge artikel 11, negende lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de in artikel 11, derde lid, onder a, genoemde maten.

   Ingevolge artikel 11, tiende lid, van de planvoorschriften winnen burgemeester en wethouders, alvorens omtrent het verlenen van een bouwvergunning of vrijstelling te beslissen, schriftelijk advies in bij de agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is, waarbij onder andere de continuïteit van het bedrijf van belang is.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 9, zesde lid, en artikel 11, negende lid, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen.

2.3.1.    Aan de weigering vrijstelling te verlenen heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet past binnen de toekomstige planologische ontwikkelingen, nu het gebied waarin het perceel is gelegen in het vastgestelde Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (hierna: het structuurplan) is aangewezen voor wonen, werken en voorzieningen.

In hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.

2.3.2.    Voorts betoogt appellante in dit verband dat het college onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: de bezwaarschriftencommissie), door aan de beslissing op bezwaar, verzonden op 2 maart 2006, een gedateerd advies van de Agrarische beoordelingscommissie (hierna: de Abc) ten grondslag te leggen.

2.3.2.1.    Aan zijn besluit, verzonden op 2 maart 2006, heeft het college een in het kader van een beslissing op een eerdere bouwaanvraag van appellante uitgebracht advies van de Abc van 11 maart 2005 (hierna: het advies) ten grondslag gelegd. Voor de beoordeling of het bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is, heeft de Abc gebruik gemaakt van de in de handleiding "Agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen" van de provincie Zuid-Holland, de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap voor Zuid-Holland en de Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeenten (hierna: de handleiding) vervatte richtlijnen. Volgens de handleiding moet bij de beoordeling van de continuïteit van het bedrijf kritisch gekeken worden naar een aantal aspecten, waaronder de vraag of er voldoende grond is die duurzaam ter beschikking staat, hetzij op basis van eigendom, hetzij op basis van langdurige pachtcontracten.

   De Abc heeft ten aanzien van het eerdere bouwplan geadviseerd om daaraan geen medewerking te verlenen, omdat appellante de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd niet in eigendom heeft en deze ook niet pacht. Alleen gronden die duurzaam ter beschikking staan, komen in aanmerking voor het realiseren van het bouwplan, aldus de Abc.

2.3.2.2.    Voor zover appellante betoogt dat het college het advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen, omdat dit advies in het kader van een eerdere bouwaanvraag van appellante van 23 december 2004 was opgesteld, is dat tevergeefs. De aanvraag uit 2004 zag eveneens op het oprichten van een kas op het perceel. Nu de onderhavige aanvraag ziet op hetzelfde perceel als de aanvraag uit 2004 en niet aannemelijk is geworden dat de situatie ten aanzien van de beschikbaarheid van gronden ten tijde van de beslissing op bezwaar niet meer dezelfde was als ten tijde van het advies van de Abc, heeft het college dat advies aan zijn besluitvorming ten grondslag kunnen leggen.

   Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de continuïteit van het bedrijf niet verzekerd is. In dit verband is van belang dat, met het oog op de aanwijzing van het betrokken gebied in het structuurplan voor wonen, werken en voorzieningen, op het perceel een voorkeursrecht in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten is gevestigd. In hetgeen appellante terzake betoogt, kan geen grond gevonden worden voor een ander oordeel. Appellante heeft geen advies van een deskundige overgelegd, waaruit zou kunnen blijken dat de continuïteit van het bedrijf wel verzekerd is. Uit het bedrijfsplan van appellante blijkt dit evenmin.

   Het betoog slaagt niet.

2.3.3.    De conclusie is dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

2.4.    De door appellante aan de orde gestelde vraag of, nu het college niet op de door haar op 30 maart 2007 ingediende gewijzigde bouwaanvraag heeft beslist, van rechtswege bouwvergunning is verleend, is in dit geding niet aan de orde.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink     w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

218-476.