Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200700069/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) aan [wederpartij] € 5.000,00 ter vergoeding van planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/630
O&A 2007, 112

Uitspraak

200700069/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Gorinchem,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/222 van de rechtbank Dordrecht van 24 november 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) aan [wederpartij] € 5.000,00 ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 22 december 2005 heeft de gemeenteraad het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad binnen tien weken na verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2007. Deze brieven is aangehecht.

Bij brief van 26 februari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2007, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A. Rietveld en T. Sprong, beiden in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A.P. Luijendijk, werkzaam bij Adviesbureau 't Witte Huis te Klaaswaal, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    [wederpartij] is eigenaar van het perceel met woning plaatselijk bekend [locatie] te [plaats]. Hij heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem", omdat op grond daarvan op een naastgelegen perceel een verkeersoefencentrum is toegestaan. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Hoofdzaak" uit 1943 was op dit perceel geen verkeersoefencentrum toegestaan.

   [wederpartij] heeft eerder bij brief van 17 juli 2000 het toenmalige NS-Railinfrabeheer verzocht om vergoeding van schade vanwege de aanleg van de Betuweroute. Overeenkomstig de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute van 6 september 1996 (Stcrt. 1996, 189) is de Schadecommissie Betuweroute (hierna: de Schadecommissie) daarover advies gevraagd. Deze heeft, samengevat en voor zover thans van belang, geadviseerd aan [wederpartij] een schadevergoeding van € 29.600,00 toe te kennen, waarvan € 11.350,00 ter vergoeding van schade ten gevolge van het krachtens het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem" toegestane verkeersoefencentrum. De Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) heeft [wederpartij] een vergoeding voor schade ten gevolge van het Tracébesluit Betuweroute toegekend, maar hem, in afwijking van dit advies, geen vergoeding toegekend voor schade ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem", op de grond dat die schade geen gevolg is van het Tracébesluit Betuweroute.

2.3.    De gemeenteraad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). Deze heeft in haar advies van 1 maart 2005 vooropgesteld dat aan [wederpartij] in een andere procedure al een vergoeding is toegekend vanwege schade ten gevolge van de aanleg van de Betuweroute en dat daarom in dit advies alleen de gevolgen van de planologische inpassing van het verkeersoefencentrum beoordeeld zullen worden.

   De SAOZ heeft vervolgens voornoemde bestemmingsplannen ten aanzien van het naastgelegen perceel met elkaar vergeleken. Volgens de SAOZ leidt de planologische mutatie, met name door de korte afstand waarop het verkeersoefencentrum ten opzichte van het perceel van [wederpartij] mag worden gerealiseerd, tot een beperkt planologisch nadeel. Zij heeft dit planologisch nadeel getaxeerd op € 5.000,-- en geadviseerd dit bedrag als planschadevergoeding aan [wederpartij] toe te kennen. De gemeenteraad heeft dit advies aan zijn besluit van 30 juni 2005 ten grondslag gelegd en dit besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen, samengevat en voor zover thans van belang, dat voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO een volledige vergelijking van opeenvolgende planologische regimes dient plaats te vinden. Volgens de rechtbank heeft de SAOZ dit niet gedaan, omdat zij in haar advies alleen de gevolgen van de planologische inpassing van het verkeersoefencentrum heeft beoordeeld. De SAOZ had volgens de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of de vergoeding van de schade ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem" gedeeltelijk anderszins is verzekerd, het besluit van de Minister en het daaraan ten grondslag liggende advies van de Schadecommissie moeten betrekken, wat niet is gebeurd.

   Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het advies van de SAOZ niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de gemeenteraad zijn besluit dientengevolge niet op dit advies had mogen baseren.

2.5.    De gemeenteraad betoogt dat [wederpartij] het verzoek om planschadevergoeding niet meer aan hem mocht voorleggen omdat de Minister over de vergoeding van die schade, op verzoek van [wederpartij], reeds in het kader van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute een inmiddels rechtens onaantastbaar besluit heeft genomen. Een dergelijk uitleg volgt echter niet uit artikel 49 van de WRO, enige andere wettelijke bepaling of een algemeen rechtsbeginsel, zodat het betoog faalt.

2.6.    De gemeenteraad betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van de SAOZ zorgvuldig tot stand is gekomen en dat hij dit derhalve aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de SAOZ geen volledige planvergelijking heeft gemaakt, aangezien [wederpartij] in zijn inleidende verzoekschrift expliciet heeft gesteld ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem" schade te lijden, omdat dit plan het verkeersoefencentrum planologisch mogelijk maakt.

2.6.1.    Blijkens de bewoordingen van het verzoekschrift heeft [wederpartij] gesteld schade te lijden ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem", omdat de realisering van het verkeersoefencentrum daarin planologisch mogelijk is gemaakt. De Afdeling deelt dan ook niet de overweging van de rechtbank dat de SAOZ ten onrechte alleen de maximale invulling van de bestemmingsplannen ten aanzien van het naastgelegen perceel, waarop het verkeersoefencentrum kan worden gerealiseerd, met elkaar heeft vergeleken. Nu de Minister het verzoek van [wederpartij] om vergoeding van schade ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem" geheel heeft afgewezen, bestond voor de SAOZ, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voorts geen reden dit besluit en het advies van de Schadecommissie te betrekken bij de beantwoording van de vraag of de door haar getaxeerde schade reeds anderszins was verzekerd.

2.7.    De Afdeling is van oordeel dat het vorenstaande evenwel niet leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en dat de vernietiging van de beslissing op bezwaar van 22 december 2005 in stand kan blijven. Zij overweegt daartoe het volgende.

2.8.    [wederpartij] heeft, voor het eerst in bezwaar, betoogd dat de verschillen in de taxaties van de SAOZ en van de Schadecommissie dermate groot zijn, dat de gemeenteraad niet zonder nader onderzoek op de taxaties van de SAOZ mocht afgaan. In dit verband heeft hij bij de rechtbank een door mr. J.A.P. Luijendijk, rentmeester en taxateur, opgesteld rapport overgelegd. Hierin is gesteld, samengevat en voor zover thans van belang, dat de Schadecommissie zich in haar advies heeft gebaseerd op de uitgangspunten en de systematiek van artikel 49 van de WRO, dat geen twijfel bestaat aan de deskundigheid en onafhankelijkheid van haar leden en dat in haar advies is vermeld dat bij de planvergelijking is uitgegaan van de maximale invulling van de planologische regimes. Het standpunt van de gemeenteraad dat het advies van de Schadecommissie niet is gebaseerd op artikel 49 van de WRO en daarom buiten beschouwing diende te blijven, is volgens deze deskundige dan ook onjuist.

2.8.1.    Blijkens pagina's 5 en 6 van het advies van de Schadecommissie hanteert zij bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade de in dit kader gebruikelijke systematiek, zoals het uitgangspunt dat bij de planvergelijking moet worden uitgegaan van de maximale invulling van de planologische regimes. Nu de Schadecommissie op grond daarvan de schade van [wederpartij] ten gevolge van het bestemmingsplan "Betuweroute gemeente Gorinchem" aanzienlijk hoger heeft getaxeerd dan, nadien, de SAOZ heeft gedaan, mocht de gemeenteraad niet zonder meer afgaan op de taxaties van de SAOZ. Het had in de rede gelegen de SAOZ te vragen in een nader advies te reageren op de taxatie van de Schadecommissie en [wederpartij] de gelegenheid te bieden daarop een reactie te geven. Nu de gemeenteraad dit heeft nagelaten en niettemin het advies van de SAOZ aan het besluit van 22 december 2005 ten grondslag heeft gelegd, is dit besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.9.    De conclusie is dat het hoger beroep gelet op het in 2.6.1 overwogene weliswaar gegrond is, maar dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, dient te worden bevestigd. De gemeenteraad dient met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen.

2.10.    Nu de vernietiging van het besluit op bezwaar in stand blijft behoort de gemeenteraad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld, voor zover deze zijn gemaakt bij het indienen van een memorie naar aanleiding van het hoger beroep van de gemeenteraad. Van andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gorinchem aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    bepaalt dat van de gemeente Gorinchem een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak     w.g. Poot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

164-507.