Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200701280/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2006 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/491

Uitspraak

200701280/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bussum,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/34 en AWB 07/33 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats], Venezuela,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2006 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van het gebouw op het perceel [locatie] te beëindigen.

Bij besluit van 23 november 2006 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat het gebouw waar de last op ziet, wordt geduid als "het gebouw op het perceel [locatie b]".

Bij uitspraak van 1 februari 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 23 november 2006 vernietigd, dat bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 12 juli 2006 (lees: 30 juni 2006) herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 19 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

[belanghebbenden] zijn in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij brief van 27 maart 2007 heeft [belanghebbende 1] een reactie ingediend.

Bij brief van 22 mei 2007 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [belanghebbenden]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.E. Creijghton-Sluijk, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. R. Verduijn, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbenden] daar als belanghebbenden gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het gebouw is in circa 1920 opgericht en behoorde tot het perceel [locatie]. In 1987 is dat perceel gesplitst in de huidige percelen [locatie en locatie a en b]. Niet in geschil is dat het gebouw op het perceel [b] nadien als zelfstandige bedrijfsruimte in gebruik is geweest. [wederpartij] heeft het gebouw in 1997 als zodanig in eigendom verkregen en is het daarna gaan gebruiken voor huisvesting van zijn werknemers.

2.2.    Het perceel [locatie b] is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingplan "Spiegel-Herenstraat" (hierna: het bestemmingsplan), bestemd voor Woondoeleinden (W), met de nadere aanwijzing "(zh)".

   Artikel 7 van de planvoorschriften luidt:

"Artikel 7 Woondoeleinden (W)

Doeleindenomschrijving

1. De op de kaart voor "woondoeleinden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.     de huisvesting van personen;

b.     de uitoefening van een vrij beroep aan huis.

Bouwvoorschriften

2. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.     eengezinshuizen alsmede ter plaatse van de gronden met de nadere aanwijzing (m) meergezinshuizen;

b.     aanbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

   

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

hoofdgebouwen

(…)

d. ter plaatse van de gronden met de nadere aanwijzing (zh) zijn geen hoofdgebouwen toegestaan.

(…)"

   Artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften luidt:

"Artikel 25 Gebruik van gronden en bouwwerken

1. Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften".

2.3.    Het college stelt zich op het standpunt dat het gebouw, door de splitsing van het oorspronkelijke perceel, het karakter heeft gekregen van "hoofdgebouw" in de zin van de planvoorschriften. Nu artikel 7, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften geen hoofdgebouw op het perceel toestaat, is bewoning van het gebouw als hoofdgebouw in strijd met dit artikel, aldus het college. De voorzieningenrechter heeft volgens het college miskend dat artikel 7, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften is aan te merken als "overige voorschriften" als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften, en is aldus ten onrechte tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van overtreding van laatstgenoemd artikel.

2.4.    Het gebruik van het gebouw voor huisvesting van werknemers is - naar ook niet in geschil is - niet in strijd is met de bestemming "Woondoeleinden" en de daarbij behorende doeleindenomschrijving. Voorts bepaalt voormeld artikel 7, derde lid, aanhef en onder d, niet dat het in strijd met het bestemmingsplan is om een bijgebouw als hoofdgebouw te gebruiken, ook niet indien dat voorschrift wordt gelezen in samenhang met de overige voorschriften van het bestemmingsplan. Dat artikel bevat louter een voorschrift voor het bouwen op de als "Woondoeleinden" aangewezen gronden en is als zodanig - gelet op artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet - van betekenis voor toetsing van aanvragen om bouwvergunning aan het bestemmingsplan. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het derde lid van voormeld artikel is geplaatst onder het kopje "Bouwvoorschriften". Het gebruik van het bijgebouw als hoofdgebouw is dan ook niet in strijd met artikel 7, derde lid, aanhef en onder d. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het in artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen verbod niet door [wederpartij] is overtreden, nu het gebruik dat hij van het gebouw maakt, niet in strijd is met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige planvoorschriften. Het betoog van het college dat de uitleg die de voorzieningenrechter aldus aan de desbetreffende planvoorschriften heeft gegeven in strijd komt met de plansystematiek en de bedoelingen van de planwetgever, treft, gelet op het voorgaande, geen doel.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouder van Bussum tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van  € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bussum aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    bepaalt dat van de gemeente Bussum een griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

313-544.