Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200700816/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2006 heeft verweerder aan appellant sub 3 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het stallen van voertuigen, het lozen van afvalwater en het tanken van schoon water achter het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 december 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/569

Uitspraak

200700816/1.

Datum uitspraak: 26 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Strijen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2006 heeft verweerder aan appellant sub 3 een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het stallen van voertuigen, het lozen van afvalwater en het tanken van schoon water achter het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 december 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2007, appellant sub 2 bij brief van 6 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2007, en appellant sub 3 bij brief van 26 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2007, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 en sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 maart 2007 respectievelijk 27 februari 2007.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2007, waar  appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. I.C.G. Klein-Hendriks, advocaat te Dordrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door R.T. Sijbrandij, ambtenaar van de gemeente, en M.J.L. Treffers, ambtenaar bij de Milieudienst Zuid-Holland zuid, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.1.1.    Appellant sub 3 heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.1. Nu niet is gebleken dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

2.2.    Appellanten sub 1 betogen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de marktwaarde van hun huizen door de aanwezigheid van de inrichting zal dalen.

   Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.3.    Voor zover appellanten sub 1 aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen voor geurhinder vanwege de inrichting. Appellant sub 2 voert in dit verband aan dat er ten onrechte geen geuronderzoek heeft plaatsgevonden en dat niet blijkt van welke geurnormering verweerder is uitgegaan. Verder zijn er volgens hem ten onrechte geen voorschriften gesteld met betrekking tot de lozingen en de constructie van het deksel op de loosput. Appellanten sub 1 zijn voorts beducht voor de vorming van bacteriën.

   Appellant sub 3 betoogt dat de vergunningvoorschriften 3.1.1, 3.1.7, 8.1.3 en 8.1.4 niet nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Hij stelt dat van de afvalwatertank geen geur kan vrijkomen, omdat het een gesloten systeem is. Daarnaast brengt hij naar voren dat door het voorschrijven van deze bepalingen de grondslag van de aanvraag is verlaten, omdat een wasplaats en/of spoelplaats niet zijn aangevraagd. Tenslotte acht hij het gehanteerde begrip "direct" in de voorschriften 3.1.1 en 8.1.3 onduidelijk.

2.4.1.    Verweerder heeft ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder de voorschriften 1.1.1, 3.1.1, 3.1.7, 8.1.1, 8.1.3 en 8.1.4 aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift 1.1.1 moet het bewaren van afvalstoffen op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.

   Ingevolge voorschrift 3.1.1 dient op het moment dat de vrachtwagen de inrichting binnenkomt, de tank met afvalwater direct middels de loosput geleegd te worden.

   Ingevolge voorschrift 3.1.7 dient de loosput, behoudens tijdens het lozen van afvalwater, met een deksel afgesloten te zijn.

   Ingevolge voorschrift 8.1.1 moet de inrichting schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

   Ingevolge voorschrift 8.1.3 dient de afwaterende verharding rondom de loosput na het lozen van afvalwater schoongespoeld te worden.

   Ingevolge voorschrift 8.1.4 dient de tank waarin zich het afvalwater bevindt, de werkplek en de vuil- en wateropvang op de vrachtwagen, indien de vrachtwagen de volgende dag niet gebruikt wordt, schoongespoeld te worden.

2.4.2.    Over de loosput heeft verweerder overwogen dat uit voorschrift 3.1.7 volgt dat de constructie van het deksel zodanig dient te zijn, dat de gehele loosput is afgesloten. Ten aanzien van de lozingen heeft verweerder gesteld dat deze slechts een korte tijd duren, gezien de beperkte omvang van de tank waaruit het afvalwater wordt geloosd, te weten 750 liter.

2.4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig was om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden over de constructie van de loosput en de lozingen.

2.4.4.    De Afdeling is niet aannemelijk geworden dat de geurhinder vanwege de inrichting zodanig zal zijn, dat verweerder hiernaar onderzoek had moeten laten verrichten. Gelet op de vergunde activiteiten heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van geurnormen in de vergunning niet nodig is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat wat geurhinder of de vorming van bacteriën betreft een toereikend beschermingsniveau wordt geboden. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 slagen derhalve in zoverre niet.

2.4.5.    Ten aanzien van het betoog van appellant sub 3 dat de vergunningvoorschriften 3.1.1, 3.1.7, 8.1.3 en 8.1.4 niet nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu, heeft verweerder overwogen dat zonder deze voorschriften niet is uitgesloten dat er enige vorm van geurhinder zal optreden, bijvoorbeeld ten gevolge van het vrijkomen van enig afvalwater bij de aan- en afkoppeling van de slang op de afvalwatertank en het deksel van de loosput. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat deze voorschriften naar zijn mening niet onnodig bezwarend zijn, omdat appellant sub 3 hierdoor niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd.

2.4.6.    De Afdeling ziet in hetgeen appellant sub 3 heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voor zover appellant sub 3 vreest dat voorschrift 3.1.7 in de weg staat aan een inspectie of het reinigen van de loosput, overweegt de Afdeling dat deze vrees, gezien de voorschriften 4.3.1 en 8.1.1, ongegrond is.

   Ten aanzien van de wasplaats en/of spoelplaats overweegt de Afdeling dat, anders dan appellant sub 3 veronderstelt, deze niet zijn voorgeschreven in de vergunning, zodat het betoog van appellant sub 3 dat verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, in zoverre feitelijke grondslag mist.

   Over het bezwaar van appellant sub 3 tegen het gebruik van het woord "direct" in de voorschriften 3.1.1 en 8.1.3 overweegt de Afdeling dat dit woord gegeven de context voldoende duidelijk is ter bepaling van de verplichting in voorschrift 3.1.1, zodat de Afdeling de formulering van het voorschrift niet in strijd acht met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts stelt de Afdeling vast dat dit woord niet voorkomt in voorschrift 8.1.3, zodat het beroep in zoverre reeds hierom faalt.

2.5.    Appellant sub 2 stelt dat voorschrift 4.2.1 niet toereikend is, omdat dit voorschrift te onbepaald is en daardoor vergunninghouder de mogelijkheid biedt om naar eigen inzicht een verharding aan te brengen.

2.5.1.    Ingevolge voorschrift 4.2.1 moet, om bodemverontreiniging te voorkomen, ter plaatse van de loosput een vloeistofkerende voorziening ten minste één meter rondom de put zijn aangelegd. Deze vloeistofkerende voorziening dient afwaterend naar de loosput te zijn aangelegd.    

2.5.2.    Mede gelet op voorschrift 4.1.2, waarin is bepaald dat potentieel bodembedreigende activiteiten in de inrichting uitsluitend mogen plaatsvinden onder een adequaat bodembeschermingsniveau als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 4.2.1 toereikend is.

2.6.    Appellant sub 2 brengt verder naar voren dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevaren die de vergunde activiteiten met zich brengen. Zo is volgens hem in het bestreden besluit ten onrechte niet bepaald op welke wijze en in welke hoeveelheden blusmiddelen moeten worden aangebracht en binnen welke termijn. Ook anderszins zijn de voorschriften over brandveiligheid naar zijn mening niet toereikend. Verder heeft verweerder volgens hem ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning verbonden om ontploffing dan wel verspreiding van gevaarlijke gassen te voorkomen.

2.6.1.    Ingevolge voorschrift 5.1.1 moeten blusmiddelen voor een ieder duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren.

   Ingevolge voorschrift 5.1.2 moeten de in de aanvraag en in de daarbij overgelegde stukken aangegeven blusmiddelen aanwezig zijn.

   Ingevolge voorschrift 5.1.3, voor zover hier van belang, moeten brandblusmiddelen, waaronder slanghaspels, ieder kalenderjaar op deugdelijkheid zijn gecontroleerd en in orde zijn bevonden.

2.6.2.    Op de bij de aanvraag behorende tekening, die deel uitmaakt van de vergunning, staat aangegeven op welke plek een brandslang aanwezig moet zijn. Uit voorschrift 5.1.2 volgt dat deze brandslang reeds bij de inwerkingtreding van de vergunning voorhanden dient te zijn. Mitsdien is de stelling van appellant sub 2 dat uit het bestreden besluit niet kan worden opgemaakt op welke wijze en in welke hoeveelheden blusmiddelen moeten worden aangebracht en binnen welke termijn, feitelijk onjuist.

   In hetgeen appellant sub 2 heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om de gevolgen van een mogelijke brand in voldoende mate te beperken.

2.6.3.    Ten aanzien van de vrees van appellant sub 2 voor ontploffing dan wel verspreiding van gevaarlijke gassen, heeft verweerder overwogen dat er blijkens de aanvraag binnen de inrichting geen stoffen worden opgeslagen of verwerkt die ontploffingsgevaar of de mogelijkheid tot het verspreiden van giftige dampen met zich brengen. De samenstelling van het slib en de vetafvalresten is volgens verweerder niet van dien aard dat voor vorming van ontploffingsgevaarlijke gassen behoeft te worden gevreesd. Daar de slibvangput en de vetafscheider in verbinding staan met het riool is er bovendien geen mogelijkheid tot ophoping van gassen, aldus verweerder.

2.6.4.    Niet aannemelijk is gemaakt dat het door verweerder gestelde onjuist is. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt  kunnen stellen dat het niet nodig is om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden ter voorkoming van ontploffing dan wel verspreiding van gevaarlijke gassen.

2.7.    Appellanten sub 1 en sub 3 kunnen zich niet verenigen met voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is bepaald dat het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

Appellanten sub 1 betogen dat voorschrift 8.1.2 niet toereikend is. Appellant sub 3 stelt dat de eerste volzin van dit voorschrift niet duidelijk is. Hij wijst er op dat niet valt uit te sluiten dat bij bepaalde weersomstandigheden met het schoonmaakresidu en retourwater ongedierte de inrichting binnen wordt gebracht.

2.7.1.    Volgens verweerder wordt eventueel ongedierte dat met het vuile water binnen de inrichting wordt gebracht, direct via het riool afgevoerd, zodat dit niet valt onder de aantrekkende werking als bedoeld in voorschrift 8.1.2.

2.7.2.    De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Ook anderszins ziet de Afdeling in hetgeen appellanten sub 1 en sub 3 hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 8.1.2 toereikend en duidelijk is. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 3 falen in zoverre.

2.8.    Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 ongegrond zijn. Het beroep van appellant sub 3 is niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op voorschrift 1.1.1 en voor het overige ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellant sub 3 niet-ontvankelijk voor zover dit voorschrift 1.1.1 betreft;

II.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 ongegrond en het beroep van appellant sub 3 voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Heijerman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007

255.