Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200705165/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet verleend voor het tijdelijk onttrekken van grondwater ten behoeve van een bouwputbemaling voor de aanleg van een kelder voor de nieuwbouw van het 'Centrumplan IJsselmonde', gelegen tussen de Kruidentuin, Palmentuin en Herenwaard te Rotterdam. Dit besluit is op 18 juni 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705165/2.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet verleend voor het tijdelijk onttrekken van grondwater ten behoeve van een bouwputbemaling voor de aanleg van een kelder voor de nieuwbouw van het 'Centrumplan IJsselmonde', gelegen tussen de Kruidentuin, Palmentuin en Herenwaard te Rotterdam. Dit besluit is op 18 juni 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 19 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 september 2007, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. A.L. Biemold en ing. C.C.L. van der Pijl, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door A. Bos, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers betogen dat de berichtgeving van de aanvraag door plaatsing van een advertentie in een huis-aan-huisblad niet duidelijk genoeg was, omdat huis-aan-huisbladen niet altijd worden bezorgd.

2.2.1.    Blijkens de stukken heeft verweerder voorafgaand aan de terinzagelegging in het huis-aan-huisblad Havenloods/Zuid van 21 maart 2007 kennis gegeven van de aanvraag en van zijn voornemen de gevraagde vergunning te verlenen. Niet is komen vast te staan dat de bezorging van dit blad in het algemeen dusdanige gebreken vertoonde dat verweerder het niet had mogen gebruiken als middel ter bekendmaking van zijn officiële mededelingen.

2.3.    Verzoekers stellen dat ten onrechte niet alle stukken ter inzage hebben gelegen op de in de kennisgeving vermelde locatie in Rotterdam, waaronder het rapport van Mos Grondmechanica B.V. (hierna: het rapport van Mos).

2.3.1.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat het rapport van Mos of andere stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het (ontwerp van het te nemen) besluit niet ter inzage zijn gelegd tijdens de termijn van terinzagelegging op de in de kennisgeving vermelde locatie in Rotterdam.

2.4.    Verzoekers vrezen voor schade aan hun woningen en tuinen door zettingen als gevolg van de onttrekking.

2.4.1.    In het rapport Mos is gesteld dat in de omgeving van de onttrekking geen of zeer geringe zettingen als gevolg van de bemaling worden verwacht, waarbij geen schade als gevolg van de zettingen wordt verwacht, noch aan gebouwen noch aan landbouw, natuur of waardevolle groenvoorzieningen. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd vooralsnog geen redenen om aan de juistheid van deze conclusie in het rapport te twijfelen, zodat in dit bezwaar geen aanleiding wordt gezien om een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Voor zover verzoekers aanvoeren dat het bestreden besluit niet duidelijk is over de bestemming van het onttrokken water, overweegt de Voorzitter dat het bestreden besluit alleen ziet op het tijdelijk onttrekken van grondwater en niet op het af te voeren onttrokken grondwater, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat of het onttrokken grondwater nu wordt geloosd op het oppervlaktewater of op het riool, dit  niet zal leiden tot wijzigingen van de grondwateronttrekking en de effecten die deze onttrekking heeft op de omgeving.

2.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Heijerman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

255-495.