Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200705632/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft verweerder de door verzoekster gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale geweigerd. Dit besluit is op 23 juli 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/4167

Uitspraak

200705632/2.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2007 heeft verweerder de door verzoekster gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale geweigerd. Dit besluit is op 23 juli 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 7 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, juridisch adviseur, en [akoestisch adviseur], en verweerder, vertegenwoordigd door G.J.J.M. Boots, ing. G.B.A. Mogot en ing. P.J.W. Appels, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De aanvraag om verlening van een milieuvergunning van verzoekster heeft betrekking op een perceel op het krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein "Rietvelden-Ertveld". Rond dat terrein is krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer moet deze zonegrenswaarde bij de beslissing op de aanvraag om vergunning in acht worden genomen. Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet de vergunning worden geweigerd,  indien verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen.

   Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat aan de bestaande inrichtingen op het industrieterrein reeds een zodanige geluidruimte is toegekend dat voormelde waarde van 50 dB(A) wordt overschreden. Verlening van de vergunning is volgens verweerder dan ook in strijd met artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

2.3.    Verzoekster betoogt dat verweerder heeft miskend dat de bijdrage van haar inrichting aan de totale geluidsbelasting vanwege het industrieterrein zodanig laag is, dat dit hooguit tot een verhoging van 0,001 dB(A) op de zonegrens leidt. Volgens verzoekster is een dergelijke verhoging verwaarloosbaar te noemen. Daarbij wijst zij er onder meer op dat het rekenen met akoestische waarden van 0,001 dB(A) nauwelijks mogelijk is en dat derhalve enkel waarden vanaf 0,1 dB(A) akoestisch relevant zijn.

2.4.    De Voorzitter stelt voorop dat (zoals onder meer ook is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2006 in zaak no. 200600396/1) bij een bestaande overschrijding van de zonegrenswaarde, elke toevoeging een extra inspanning zal vergen teneinde de geluidbelasting terug te dringen tot de zonegrenswaarde van 50 dB(A). In geschil is of ook een bijdrage van 0,001 dB(A) of minder als een zodanige toevoeging moet worden beschouwd dat verlening van een milieuvergunning daarvoor in strijd is met artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Deze procedure leent zich niet voor een definitieve beantwoording van die vraag. Voorshands acht de Voorzitter het evenwel niet zodanig waarschijnlijk dat de milieuvergunning ten onrechte is geweigerd, dat reeds daarin reden kan worden gevonden het bestreden besluit te schorsen. Ook overigens ziet de Voorzitter daarvoor, hetgeen door verzoekster is aangevoerd in aanmerking genomen en bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding.

2.5.    Gelet hierop wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Blok

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

428.