Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB4259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
200702000/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verlenen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd / ijkpunt / intrekkingsgrond nadien gebleken

Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft de passage uit de Memorie van Toelichting waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd uitsluitend betrekking op de thans in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 vermelde intrekkingsgrond. Uit die passage, noch uit het wettelijk stelsel en de bewoordingen van artikel 34 van de Vw 2000 valt evenwel af te leiden dat geen rekening kan worden gehouden met een intrekkingsgrond die zich reeds ten tijde van het in dat artikel vermelde ijkpunt voordeed doch waarvan eerst nadien is gebleken. Die situatie zal zich met name bij de in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vermelde intrekkingsgrond kunnen voordoen.

Bovendien is de opvatting van de rechtbank niet te rijmen met de in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voorziene mogelijkheid tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens. Daaruit volgt dat de betrokkene in dat geval niet (meer) in aanmerking komt voor een zodanige verblijfsvergunning.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenwet 2000 34
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/480

Uitspraak

200702000/1.

Datum uitspraak: 14 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/17375 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 februari 2007, verzonden op 20 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister van Justitie een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 april 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien:

a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen;

d. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

Ingevolge artikel 34 van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voortdoet.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.1.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, in het kader van de beoordeling van de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, de grond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet aan de vreemdeling kon worden tegengeworpen, nu het moment van verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd het ijkpunt is voor de vaststelling of de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden afgewezen en op dat moment nog niet was gebleken dat zich een grond voordeed als bedoeld in artikel 32 van de Vw 2000.

De rechtbank heeft daarbij doorslaggevend geacht dat de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op 18 februari 2004 is geëindigd en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie eerst bij brief van 7 april 2004 aan de vreemdeling heeft bericht dat in het onderzoek naar de inwilligbaarheid van diens aanvraag, een taalanalyse essentieel wordt geacht en het rapport van de taalanalyse, waaruit is gebleken dat de vreemdeling eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen de Nuba-bergen, eerst op 28 mei 2004 is uitgebracht.

De rechtbank heeft de door haar gegeven toepassing van het in artikel 34 van de Vw 2000 vermelde ijkpunt doen steunen op de navolgende passage uit de bij dat artikel behorende Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 42-43):

"Gevolg van deze systematiek is dat als de rechtsgrond voor het verlenen van de vergunning voor bepaalde tijd is komen te vervallen op het moment waarop de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning eindigt geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zal worden verleend (zie artikel 30, onder c)."

2.1.2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weegegeven, dat de rechtbank door aldus te overwegen heeft miskend dat de door haar gegeven toepassing van het in artikel 34 van de Vw 2000 vermelde ijkpunt niet strookt met de bewoordingen van dat artikel, dat een zodanige toepassing niet past in het stelsel van de artikelen 32, 34 en 35 van de Vw 2000 en ook de wetsgeschiedenis daarvoor geen steun biedt.

2.1.3. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft de passage uit de Memorie van Toelichting waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd uitsluitend betrekking op de thans in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 vermelde intrekkingsgrond. Uit die passage, noch uit het wettelijk stelsel en de bewoordingen van artikel 34 van de Vw 2000 valt evenwel af te leiden dat geen rekening kan worden gehouden met een intrekkingsgrond die zich reeds ten tijde van het in dat artikel vermelde ijkpunt voordeed doch waarvan eerst nadien is gebleken. Die situatie zal zich met name bij de in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vermelde intrekkingsgrond kunnen voordoen.

Bovendien is de opvatting van de rechtbank niet te rijmen met de in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voorziene mogelijkheid tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens. Daaruit volgt dat de betrokkene in dat geval niet (meer) in aanmerking komt voor een zodanige verblijfsvergunning.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 februari 2007 in zaak no. AWB 06/17375;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter

w.g. Van der Winden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007

348-555.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak