Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200604190/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2005 heeft de raad van de gemeente De Ronde Venen het bestemmingsplan "Buitengebied De Ronde Venen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200604190/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Fort-University Nederland B.V.", gevestigd te Doorn,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"'t Sleyk B.V.", gevestigd te Breukelen, en [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellanten sub 8], beiden wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V.", gevestigd te [plaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. [appellant sub 15], gevestigd te [woonplaats],

16. [appellant sub 16 a] en [appellant sub 16 b], beide wonend te [woonplaats],

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2005 heeft de raad van de gemeente De Ronde Venen het bestemmingsplan "Buitengebied De Ronde Venen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 9 mei 2006, no. 2006REG001330i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 19 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 maart 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2007, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Ook verweerder en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen.

[appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 13] zijn niet verschenen, en hebben zich evenmin doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. [appellant sub 7] heeft geen bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat appellante ten behoeve van het verzenden van haar bedenkingen mogelijk gebruik heeft gemaakt van een telefoonnummer van de provincie Utrecht waarop geen faxberichten ontvangen kunnen worden. Omdat evenmin aannemelijk is geworden dat appellante haar bedenkingen per post aan verweerder heeft verzonden, is het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 1]

Het standpunt van appellant

2.4. [appellant sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-" dat betrekking heeft op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], omdat deze bestemming de oprichting van een woning met bijgebouw niet toelaat. Appellant voert daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat de woning twee reeds gesloopte bedrijfsloodsen en een woonark zal vervangen, hetgeen als een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied beschouwd moet worden. Voorts stelt appellant dat de toegekende bestemming geen recht doet aan de feitelijke situatie, nu deze gronden nimmer in gebruik zijn geweest voor agrarische doeleinden.

Het standpunt van verweerder

2.4.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van

8 september 2004, nr. 200401899/1, waarbij het hoger beroep van appellant tegen de weigering door verweerder van een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een woning met bijgebouw op het perceel, ongegrond is verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die nopen tot een gewijzigd standpunt over de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan van appellant.

Vaststelling van de feiten

2.4.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.2.1. In de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is het volgende vermeld. Appellant is eigenaar van het perceel [locatie sub 1] en woonachtig in een woonark die ter hoogte van voornoemd perceel in de rivier de Amstel ligt afgemeerd. Hij heeft ter plaatse tot 1998 een jachtwerf geëxploiteerd. De bedrijfsbebouwing omvatte twee loodsen met een gezamenlijke oppervlakte van 1100 m². In 1993 heeft appellant een van de loodsen, met een oppervlakte van ongeveer 225 m², gesloopt.

In 1997 en 1998 heeft tussen de gemeente en appellant overleg plaatsgevonden over de sloop van de resterende bebouwing en over sanering van de deels vervuilde grond. In ruil daarvoor en ter vervanging van de woonark, zou appellant op het perceel een woning met bijgebouw kunnen realiseren. Zowel van ambtelijke provinciale als van ambtelijke gemeentezijde is welwillend op de plannen gereageerd. In verband met de te verwachten medewerking heeft appellant de resterende bedrijfsbebouwing gesloopt en de grond gesaneerd. Na afloop van deze sanering is een zogenoemde schoongrondverklaring afgegeven.

2.4.2.2. Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het realiseren van een woning met bijgebouw op het perceel [locatie sub 1] te [plaats].

2.4.2.3. Bij uitspraak van 8 september 2004, nr. 200401899/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het hoger beroep van appellant gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van Utrecht van 9 februari 2004, waarbij het beroep van appellant tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 november 2002, ongegrond is verklaard, ongegrond verklaard.

2.4.2.4. In het ontwerp-bestemmingsplan was voorzien in een woonbestemming voor het perceel [locatie sub 1]. Na voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft de gemeenteraad het ontwerpplan ten aanzien van het perceel gewijzigd vastgesteld. Hierbij is de woonbestemming vervallen.

2.4.2.5. Ter zitting is van de zijde van verweerder toegelicht dat het streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht (hierna: het streekplan) de bouw van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet toelaat. Tevens is aangegeven dat verdere verstening langs de Amstel voorkomen moet worden, ten einde de functie van de rivier als ecologische verbindingszone te waarborgen.

2.4.2.6. Blijkens het deskundigenbericht bestaat de omgeving van het perceel uit binnendijks gelegen lintbebouwing met woningen en bedrijfjes. De lintbebouwing sluit aan op de kern [plaats]. Aan de overzijde van de Amstel is de bebouwing van Uithoorn gesitueerd.

2.4.2.7. Aan de rivier de Amstel, voor zover gelegen in het plangebied is de bestemming "Water" toegekend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a. tot en met d., zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, instandhouding van de als zodanig aangeduide forten, waterstaatkundige en/of verkeersdoeleinden, en recreatief medegebruik. Ter plaatse van het perceel [locatie sub 1] is de rivier de Amstel op de plankaart voorzien van een sterretje. Blijkens het renvooi betreft dit de aanduiding van een woonschip.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.3. De gemeenteraad van De Ronde Venen heeft beoogd de woonark van appellant als zodanig te bestemmen. Aan de aanduiding "woonschip" op de plankaart in het plandeel met de bestemming "Water" komt echter geen juridisch bindende betekenis toe omdat in de planvoorschriften bij de bestemming "Water" niet naar deze aanduiding wordt verwezen. Evenmin voorziet deze bestemming in het gebruik van de Amstel voor woondoeleinden. Verweerder heeft derhalve niet onderkend dat de woonark in het voorliggende plan niet als zodanig is bestemd.

Desgevraagd is van de zijde van verweerder ter zitting verklaard dat hij bereid is te bezien of mede gelet op de ligging van het perceel in een bebouwingslint en de specifieke voorgeschiedenis van dit geval, in verband waarmee van de zijde van de gemeente ter zitting onweersproken is betoogd dat appellant in goed vertrouwen is overgegaan tot sloop van de bedrijfsbebouwing, aanleiding bestaat alsnog goedkeuring te onthouden aan de bestemming van het plandeel [locatie sub 1], hoewel deze bestemming in overeenstemming met het streekplan geen nieuwe burgerwoning toelaat. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-" van het plandeel [locatie sub 1], dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 2]

Het standpunt van appellant

2.5. [appellant sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Legakker" dat betrekking heeft op een deel van het veeneiland ten westen van zijn woning [locatie sub 2]. Appellant voert daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat de desbetreffende gronden nimmer dienst hebben gedaan als legakker. Appellant bepleit dat aan het plandeel de bestemming "Tuin" wordt toegekend, overeenkomstig het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003".

Het standpunt van verweerder

2.5.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat ingevolge de bestemming "Legakker" het huidige gebruik van de gronden kan worden voortgezet.

Vaststelling van de feiten

2.5.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.2.1. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is op te maken dat veeneilanden, landtongen en legakkers sterk op elkaar lijken en veelvuldig voorkomen in het westelijke deel van de Vinkeveense plassen. De stroken zijn karakteristiek voor de plassen en maken als zodanig deel uit van het waardevolle landschap van de plassen. Blijkens het deskundigenbericht bestaat het perceel van appellant uit een woonperceel met aangrenzend een perceel water waarin zich een deel van een veeneiland bevind. Blijkens het deskundigenbericht heeft het veeneiland overwegend een natuurlijke begroeiing en is deze voor een beperkt deel beplant met enkele buxusstruiken. Appellant wil het veeneiland handhaven als een buffer ter bescherming van zijn achtertuin tegen golfslag en wind.

2.5.2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als "Legakker", bestemd voor de instandhouding van de legakker als zodanig en daarmee voor de instandhouding van de natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de legakkers.

2.5.2.3. Het gemeentebestuur van De Ronde Venen heeft bij brief van 28 november 2006 aan de Afdeling laten weten dat feitelijk geen sprake is van een voormalige legakker. Ter zitting is van de zijde van de gemeente betoogd dat de bestemming "Legakker" binnen de systematiek van het bestemmingsplan het meest passend moet worden geacht omdat het veeneiland deel uitmaakt van de waardevolle structuur van het turfwinningslandschap dat de gemeenteraad met het voorliggende plan beoogt te beschermen.

Daartoe zijn de stroken in het plassengebied niet alleen als "Legakker" bestemd, maar is zowel aan de plas als aan de stroken op plankaart 2B ("Landschappelijke en cultuurhistorische waarden") de differentiatie "Legakker" toegekend. Aan deze differentiatie is in artikel 23 van de planvoorschriften een aanlegvergunningstelsel verbonden dat erop is gericht aantasting van de stroken te voorkomen.

2.5.2.4. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad bevestigd dat in het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" aan enkele veeneilanden de bestemming "Tuin" is toegekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3. Dat het veeneiland in het verleden feitelijk niet als legakker is gebruikt, leidt niet tot het oordeel dat verweerder de bestemming "Legakker" in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten. Verweerder heeft in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan het standpunt van de gemeenteraad dat het veeneiland deel uitmaakt van de waardevolle structuur van het turfwinningslandschap, en dat het bestemmingsplan deze structuur beoogt te beschermen door het toekennen van de bestemming "Legakker". Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende bestemming, alsmede het aanlegvergunningvereiste, tot een onevenredige belemmering van het huidige gebruik zal leiden. Het betoog van appellant dat in het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" aan stroken veenland de bestemming "Tuin" is toegekend is juist, maar leidt op zich zelf niet tot het oordeel dat verweerder de bestemming "Legakker" in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten. De gemeenteraad komt immers de vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

HET BEROEP VAN [APPELLANTEN SUB 3]

Het standpunt van appellanten

2.6. [appellanten sub 3] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -Ab-" met de aanduiding "g" (grondgebonden) van hun perceel aan de [locatie sub 3], omdat deze bestemming de oprichting van een tuincentrum niet toelaat. Appellanten voeren daartoe aan dat verweerder heeft miskend dat het college van burgemeester en wethouders de raad onjuist heeft ingelicht voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan.

Voorts stellen appellanten dat verweerder heeft miskend dat de continuïteit van hun hoveniersbedrijf/bloemteeltbedrijf niet is gewaarborgd, als zij ter plaatse niet tevens producten afkomstig van derden mogen verkopen. Een in het plan vervatte wijzigingbevoegdheid biedt, anders dan verweerder stelt, geen soelaas, omdat deze bevoegdheid eerst kan worden toegepast nadat zij hun huidige hoveniersbedrijf/bloemteeltbedrijf hebben beëindigd.

Voorts beroept appellant zich op het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder de bestemming "Tuincentrum" van het naastgelegen perceel, hoewel in strijd met het streekplan, wel heeft goedgekeurd.

Het standpunt van verweerder

2.6.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij gesteld dat de raad de zienswijze van appellanten op basis van ruimtelijke argumenten ongegrond heeft verklaard en dat niet gebleken is dat de raad onjuist door het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het streekplan de oprichting van een tuincentrum ter plaatse niet toelaat. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, heeft hij geen aanleiding gezien van het streekplan af te wijken. Daarbij heeft hij erkend dat het tuincentrum op het naastgelegen perceel inderdaad als zodanig is bestemd. Omdat het hier een situatie betreft die is ontstaan in strijd met het voorheen geldende plan en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen daartegen niet meer handhavend kan optreden, heeft verweerder zich genoodzaakt gezien de toegekende bestemming goed te keuren. Voorts heeft hij erop gewezen dat appellanten niet hebben aangetoond, dat het perceel uitsluitend rendabel geëxploiteerd kan worden door de verkoop toe te laten van elders geteelde producten van derden.

Verweerder heeft in aanmerking genomen dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met het feitelijk gebruik. Indien appellanten hun inkomen willen aanvullen door hun bedrijfsvoering aan te passen, kunnen zij een beroep doen op een in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheid, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.6.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.2.1. In het streekplan is vermeld dat tuincentra voor hun activiteiten niet meer gebonden zijn aan het landelijk gebied. Het stedelijk gebied is hiervoor in beginsel het meest aangewezen vestigingsgebied. Het streekplan laat nieuwvestiging van niet-functioneel aan het landelijk gebied gebonden bedrijven niet toe.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad informatie heeft onthouden die, ware deze bij de gemeenteraad bekend geweest, er toe had geleid dat aan het perceel een bestemming zou zijn toegekend die de oprichting van een tuincentrum mogelijk maakt. Verweerder heeft in het betoog van appellanten ter zake derhalve terecht geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de oprichting van een tuincentrum ter plaatse in strijd is met het streekplan. In het betoog van appellanten kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder vanwege bijzondere feiten of omstandigheden van het streekplan had moeten afwijken door goedkeuring te onthouden aan het plandeel [locatie sub 3], hoewel dit in overeenstemming met het streekplan geen tuincentrum toelaat. De feiten en omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de goedkeuring van de bestemming ten behoeve van het tuincentrum op het naastgelegen perceel zijn niet gelijk aan de feiten en omstandigheden in verband waarmee appellanten op hun perceel een tuincentrum wensen op te richten. Voorts is niet aangetoond dat de uitoefening van een tuincentrum noodzakelijk is voor de continuïteit van het huidige hoveniersbedrijf/bloemteeltbedrijf, en evenmin is aangetoond dat op het perceel geen andere bedrijfsactiviteiten dan die ten behoeve van een tuincentrum mogelijk zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten geen bedrijfsplan of ander document hebben overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de uitoefening van een tuincentrum noodzakelijk is voor de continuïteit van hun bedrijf. Evenmin hebben zij stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het perceel na toepassing van een in het bestemmingsplan vervatte wijzigingsbevoegdheid niet rendabel geëxploiteerd kan worden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

HET BEROEP VAN FORT-UNIVERSITY NEDERLAND B.V.

Het standpunt van appellante

2.7. Fort-University Nederland B.V., exploitante van een opleidings- en trainingscentrum in het fort [plaats], stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de zinsnede "1.50" in artikel 14, vierde lid, onder a., van de planvoorschriften. Daardoor kunnen geen woonverblijven voor studenten, leslokalen en praktijkruimtes op de naast het fort gelegen gronden worden opgericht. De oprichting van vorenbedoelde bebouwing is volgens appellante noodzakelijk voor de toekomstige exploitatie van het opleidings- en trainingscentrum. Zowel het bestemmingsplan als de Monumentenwet 1988 bieden volgens appellante voldoende waarborgen om aantasting van waarden te voorkomen.

Het standpunt van verweerder

2.7.1. Verweerder heeft vorengenoemd planvoorschrift in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het fort [plaats] deel uitmaakt van de zogenoemde Stelling van Amsterdam, die door Unesco op de Werelderfgoedlijst is geplaatst. Verweerder heeft zich in verband daarmee op het standpunt gesteld dat de noodzaak van de toegelaten bebouwing dient te worden aangetoond, en voorts dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen aandacht is besteed aan de bebouwingsmogelijkheden in relatie tot de landschappelijke, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke kwaliteiten van het fort en de omgeving. Het ontbreken van een positief advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten heeft verweerder gesterkt in zijn opvatting dat er ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit niet vanuit mocht worden gegaan dat de toegelaten bebouwing de cultuurhistorische waarde van het fort niet zal aantasten.

Vaststelling van de feiten

2.7.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.2.1. De gronden die betrekking hebben op fort [plaats] zijn bestemd als "Fort bij Uithoorn". De als zodanig aangewezen gronden zijn blijkens artikel 14A, eerste lid, onder a tot en met e, van de planvoorschriften, bestemd voor het behoud en de instandhouding van het fort; behoud en bescherming van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en natuurwaarden; opleidings- en trainingscentrum; horeca ten dienste van en ondergeschikt aan de opleidings- en trainingsactiviteiten en het recreatief medegebruik; extensief recreatief medegebruik.

2.7.2.2. Blijkens plankaart 2B is het fort gelegen op gronden waaraan de differentiatie "militair landschap met structurele cultuurhistorische waarde (Stelling van Amsterdam)" is toegekend.

2.7.2.3. Ingevolge artikel 14A, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend worden gebouwd binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak tot een maximum van 1.500 m² ten opzichte van de bebouwing zoals aanwezig op het moment van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.

Als gevolg van de onthouding van goedkeuring aan de zinsnede "1.50" mag de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak niet worden uitgebreid.

2.7.2.4. Volgens de streekplankaart ligt het fort in het gebied dat is aangeduid als "landelijk gebied 4", waar de nadruk ligt op natuur en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

2.7.2.5. In paragraaf 3.4 van de toelichting bij het bestemmingsplan wordt de cultuurhistorische waarde van het fort [plaats] als onderdeel van de Stelling van Amsterdam erkend.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.3. De Afdeling volgt appellante niet in haar betoog dat de planvoorschriften voldoende waarborgen bevatten voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden en natuurwaarden. Het behoud en de bescherming van deze waarden is weliswaar expliciet in de doeleindenomschrijving van artikel 14A, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen, maar dit impliceert, anders dan appellante veronderstelt, niet dat een eventuele aantasting van deze waarden kan worden betrokken bij de toetsing van hun bouwplan aan het bestemmingsplan. De afweging of extra bebouwing de aanwezige waarden zal aantasten is bij de totstandkoming van het bestemmingsplan immers al door de gemeenteraad gemaakt, nu deze voor de gronden een rechtstreekse bestemming die zowel is gericht op het behoud van aanwezige waarden als op het toekennen van bouwmogelijkheden, aanvaardbaar heeft geacht.

Het is op zich zelf juist dat in dit geval geen bouwvergunning kan worden verleend als de noodzakelijke vergunning ingevolgde de Monumentenwet 1988 niet wordt verleend. Dit neemt niet weg dat verweerder bij zijn beoordeling tevens de uitvoerbaarheid van de toegekende bestemming dient te betrekken. Daarbij acht de Afdeling het niet onredelijk dat verweerder zich in dit geval op het standpunt heeft gesteld dat het toelaten van een extra bebouwde oppervlakte van 1500 m² voorbarig is, zolang geen zicht is op een definitief positief standpunt van voornoemde Rijksdienst. De vergunning ingevolge de Monumentenwet kan immers worden geweigerd, in welk geval de bestemming niet uitvoerbaar is.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het door verweerder noodzakelijk geachte onderzoek naar de effecten van de toegelaten bebouwing op de landschappelijke, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke kwaliteiten van het fort en de omgeving niet is verricht. Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan is voorts geen onderzoek verricht naar de noodzaak van de uitbreiding van de bebouwing. Gelet op de cultuurhistorische waarde van het fort en de ligging daarvan in een landschappelijk waardevolle omgeving, heeft verweerder de door hem genoemde onderzoeken relevant kunnen achten voor een adequate beoordeling van de toegekende bestemming. Nu deze onderzoeken ontbreken heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van Fort-University Nederland B.V. is ongegrond.

HET BEROEP VAN 'T SLEYK B.V. EN [APPELLANT SUB 5]

Het standpunt van appellanten

2.8. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op hun gronden aan de [locatie sub 5], omdat de bestemming niet voorziet in de oprichting van een glastuinbouwbedrijf van twee hectare op het achterste deel van hun gronden. Zij betogen dat verweerder heeft miskend dat het uitgangspunt van de gemeenteraad, dat alleen feitelijk bestaande glastuinbouwbedrijven als zodanig worden bestemd, in het geval van appellanten geen toepassing dient te vinden. Daartoe voeren zij aan dat zij na overleg met een wethouder van de gemeente De Ronde Venen de oprichting van een glastuinbouwbedrijf hebben uitgesteld, in afwachting van gemeentelijke plannen om op het voorste deel van hun gronden een doorvaart ten behoeve van de recreatievaart naar de Vinkeveense plassen te realiseren. Appellanten vinden het onzorgvuldig dat hun nu wordt tegengeworpen dat ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan feitelijk geen glastuinbouwbedrijf werd uitgeoefend.

Voorts stellen appellanten dat de bestaande glasopstand op het voorste deel van hun gronden ten onrechte niet als zodanig bestemd. Nu niet het voornemen bestaat aan het gebruik een eind te maken is dit ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht, aldus appellanten.

Het standpunt van verweerder

2.8.1. Verweerder heeft de bestemming van het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij ingestemd met het uitgangspunt van de gemeenteraad dat alleen actieve glastuinbouwbedrijven als zodanig worden bestemd. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse in strijd is met het streekplan. Bijzondere omstandigheden die een afwijking van het streekplan rechtvaardigen, zijn naar de mening van verweerder niet aanwezig.

Vaststelling van de feiten

2.8.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.2.1. Blijkens het deskundigenbericht is [appellant sub 5] sedert 2000 eigenaar van een perceel met een oppervlakte van drie hectare aan de [locatie sub 5]. De kassen en bedrijfsgebouwen op de gronden zijn blijkens het deskundigenbericht vervallen. Naar ook ter zitting is bevestigd zijn de kassen en gronden sedert 2000 niet meer in gebruik ten behoeve van de tuinbouw.

2.8.2.2. De bestaande glasopstand is gesitueerd op een deel van de gronden waarop de gemeente De Ronde Venen een doorvaart ten behoeve van de recreatievaart naar de Vinkeveense plassen wil realiseren. Appellant De Heul wil participeren in deze plannen en heeft de gemeente voorgesteld een deel van zijn gronden over te dragen aan de gemeente ten behoeve van de doorvaart, in ruil voor de mogelijkheid recreatiewoningen en een glastuinbouwbedrijf van twee hectare op het resterende deel van zijn gronden te mogen oprichten.

2.8.2.3. Uit het door appellanten overgelegde verslag van een bespreking van 2 juli 2003, waarbij onder meer [appellant sub 5] en wethouder A.F. Rosendaal van de gemeente De Ronde Venen aanwezig waren, kan worden afgeleid dat de wethouder destijds van mening was dat de oprichting van recreatiewoningen op het achterste gedeelte van het perceel wellicht passender is dan de oprichting van een glastuinbouwbedrijf. Zij verwijzen daarbij naar het volgende citaat uit het verslag: "De heer Rosendaal stelt voor om aan de provincie een schets te laten zien waarbij enkele recreatiewoningen zijn gesitueerd binnen de stedelijke contour en tevens een aantal recreatiewoningen buiten de stedelijke contour. Daarnaast worden twee loodsen ingetekend ten behoeve van de kanovereniging en de reddingsbrigade. De bouw van nieuwe kassen wordt voorlopig achterwege gelaten."

2.8.2.4. Aan de gronden van appellanten was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1972, vierde herziening" van de voormalige gemeente Vinkeveen en Wavereen de bestemming "Natuurgebied I" toegekend. Deze bestemming liet de oprichting van een glastuinbouwbedrijf niet toe.

2.8.2.5. De gronden van appellanten liggen in het gebied dat op de streekplankaart als "Landelijk gebied 3" is aangeduid. Blijkens bladzijde 83 van het streekplan is het provinciaal beleid erop gericht in dit gebied geen nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven toe te staan.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.3. Ten aanzien van het oprichten van een glasopstand van twee hectare op het achterste gedeelte van het perceel heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat appellanten beogen de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf als bedoeld in het streekplan mogelijk te maken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het voorheen geldende plan op de desbetreffende gronden geen glastuinbouwbedrijf toeliet en op de desbetreffende gronden feitelijk ook geen glasopstand aanwezig is.

Het betoog van appellanten geeft geen aanleiding te oordelen dat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die in dit geval een afwijking van het streekplan rechtvaardigen. Dat appellanten een afwachtende houding hebben aangenomen ten aanzien van de oprichting van een glasopstand op het achterste deel van hun gronden, zodat niet wordt voldaan aan het uitgangspunt van de gemeente De Ronde Venen dat alleen feitelijk aanwezig glastuinbouwbedrijven als zodanig worden bestemd, dient voor hun rekening en risico te blijven. Daargelaten dat het voorheen geldende bestemmingsplan de oprichting van een glastuinbouwbedrijf niet toeliet, is niet aannemelijk geworden dat appellanten van de zijde van de gemeente De Ronde Venen in beslissende mate zijn ontmoedigd hun vestigingsplannen te verwezenlijken.

Verweerder heeft voorts het niet als zodanig bestemmen van de bestaande kas op het voorste deel van het perceel in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze kas aanwezig is op gronden die ingevolge het voorgaande plan waren bestemd als "Natuurgebied 1", dat deze kas sedert 2000 niet in gebruik is voor glastuinbouwdoeleinden. De stelling van appellanten dat het gebruik ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht mist feitelijke grondslag. Het overgangsrecht strekt er toe feitelijk bestaand gebruik te beschermen totdat de nieuwe bestemming is verwezenlijkt. Van feitelijk bestaand gebruik van de glasopstand dat door het overgangsrecht wordt beschermd is echter sedert 2000 geen sprake.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van 't Sleyk B.V. en [appellant sub 5] is ongegrond.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 6]

Het standpunt van appellant

2.9. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-" dat betrekking heeft op zijn perceel […] te [plaats]. Appellant voert daartoe aan dat de desbetreffende bestemming niet voorziet in het gebruik van een op de gronden aanwezige veldschuur voor recreatieve woondoeleinden.

Appellant betoogt dat een recreatieve woonbestemming voor de veldschuur past in het beleid van de gemeente ten aanzien van hergebruiksmogelijkheden van voormalige agrarische bedrijven.

Appellant wijst er tevens op dat het als zodanig bestemmen van de veldschuur niet tot extra verstening leidt, althans dat aan dit bezwaar geen doorslaggevende betekenis toekomt, nu de gemeente van plan is in het buitengebied recreatief verblijf in zogenoemde hooibergen bij agrarische bedrijven mogelijk te maken. Appellant betoogt voorts dat de goedkeuring van het plan in zoverre in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder wel goedkeuring heeft verleend aan een recreatieve bestemming ten behoeve van het nabijgelegen perceel [...].

Het standpunt van verweerder

2.9.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft er daarbij op gewezen dat in het bestemmingsplan het uitgangspunt is toegepast dat geen nieuwe verblijfsrecreatieve functies worden toegevoegd. Verweerder acht dit uitgangspunt in overeenstemming met het streekplan dat gericht is op het agrarisch gebruik als hoofdfunctie, waarbij slechts ruimte is voor recreatief medegebruik. Nieuwvestiging leidt tot verstening en brengt ongewenste precedentwerking met zich, aldus verweerder.

Verweerder acht de verwijzing van appellante naar een verblijfsrecreatieve bestemming voor enkele hooibergen in de omgeving niet relevant, reeds omdat het voorliggende plan niet voorziet in het bestemmen van deze hooibergen voor recreatieve verblijfsdoeleinden. Bovendien wordt met het eventueel toekennen van een verblijfsrecreatieve bestemming aan de door appellant bedoelde hooibergen beoogd bestaande agrarische bedrijven de mogelijkheid te bieden extra inkomsten te verwerven. Op het perceel van appellant wordt geen agrarisch bedrijf uitgeoefend, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.9.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.2.1. Op de streekplankaart maakt het perceel deel uit van het gebied met de aanduiding "landelijk gebied 2", waarvan de hoofdfunctie agrarisch is. Blijkens bladzijde 82 van het streekplan is het streven in de aldus aangeduide gebieden erop gericht andere dan agrarische grondclaims te beperken. Uit de Handleiding bestemmingsplannen 2006 van de provincie Utrecht, die ondermeer een nadere toelichting en detaillering van het streekplan bevat, blijkt dat nieuwvestiging van verblijfsrecreatie niet is toegestaan in het "landelijk gebied 2".

In het streekplan is voorts als uitgangspunt geformuleerd dat de primaire functie van een agrarisch bedrijf de productie van voedsel is. Wel is het mogelijk extra inkomsten te genereren uit bijvoorbeeld kleinschalige verblijfsrecreatie.

2.9.2.2. De veldschuur behoort blijkens het deskundigenbericht bij het woonperceel van appellant. Ter plaatse wordt geen agrarisch bedrijf uitgeoefend. Het perceel waarop de veldschuur staat is sedert 1967 niet meer voor landbouwdoeleinden in gebruik. Ten behoeve van de oprichting van de schuur is bij besluit van 27 januari 2000 een bouwvergunning verleend. Blijkens deze vergunning is de schuur opgericht voor het gebruik als schapenschuur/paardenstal.

2.9.2.3. Blijkens het verhandelde ter zitting is de gemeente De Ronde Venen voornemens elders in het buitengebied enkele trekkershutten in de vorm van zogenoemde hooiberghutten op te laten richten. Perceel [...] betreft een recreatiebos ten behoeve van dagrecreatieve ontwikkelingen dat is gelegen ten zuidwesten van het perceel van appellant.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.3. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat een verblijfsrecreatieve functie voor de veldschuur in strijd is met het streekplan. Het betoog van appellanten geeft geen aanleiding te oordelen dat sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die in dit geval een afwijking van het streekplan rechtvaardigen. In verband daarmee overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de door hem genoemde gevallen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. In geen van genoemde gevallen is sprake van een veldschuur bij een niet-agrarisch bedrijf die ingevolge het bestemmingsplan ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden is bestemd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

HET BEROEP VAN [APPELLANTEN SUB 8]

Het standpunt van appellanten

2.10. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de detailbestemming "Woondoeleinden -W- " van het plandeel dat betrekking heeft op hun perceel [locatie sub 8]. Daardoor zijn twee schuren, die ten behoeve van agrarische doeleinden in gebruik zijn, ten onrechte niet als zodanig bestemd. Gelet op de omvang van de schuren, te weten 160 m² en 1100 m² , achten appellanten een zinvol gebruik overeenkomst de toegekende woonbestemming niet mogelijk. Appellanten beroepen zich in verband daarmee op de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2004, nr. 200401663/1 (www.raadvanstate.nl). Zij bepleiten een agrarische bestemming voor de schuren, overeenkomstig het huidige gebruik.

Het standpunt van verweerder

2.10.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de hoofdfunctie van het perceel wonen is en dat de schuren beschouwd dienen te worden als bijgebouwen bij de woning. Een splitsing van het bouwvlak ten behoeve van woondoeleinden en agrarische doeleinden acht verweerder niet wenselijk. Dit zou tot ongewenste verstening van het buitengebied kunnen leiden, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.10.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.2.1. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat op het perceel [locatie sub 8] tot enkele jaren geleden, in overeenstemming met het voorgaande plan, een agrarisch bedrijf is uitgeoefend. De voormalige agrarische bedrijfswoning doet thans dienst als burgerwoning. De schuur met een oppervlakte van 1100 m² is verhuurd aan derden, die in deze schuur vleesvee houden. De schuur met een oppervlakte van 160 m² is in gebruik voor hobbydoeleinden.

2.10.2.2. In e uitspraak van de Afdeling van 8 september 2004 genoemd in overweging 2.10 is als volgt overwogen:

2.3.3. Aan het perceel van appellante aan de [locatie sub 8 a] is de bestemming "Wonen" toegekend. Op het perceel staan een woning en een loods. Ter zitting is gebleken dat de loods op het betrokken perceel in overeenstemming met de destijds geldende bestemming ten behoeve van het tot 1996 aldaar gevestigde transportbedrijf is opgericht. Niet gebleken is dat deze loods, die een oppervlakte heeft van ongeveer 184 m², niet gehandhaafd mag of zal worden. De Afdeling is van oordeel dat niet valt in te zien hoe een loods van een dergelijke aard en omvang zinvol overeenkomstig de bestemming "Wonen" kan worden gebruikt. Het heeft uit hoofde van de in artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder te noemen: Bro) vervatte onderzoeksplicht op de weg van het gemeentebestuur gelegen aan deze vraag aandacht te besteden. Niet is gebleken dat het gemeentebestuur dit heeft gedaan. Ook ter zitting heeft het gemeentebestuur geen bevredigend antwoord kunnen geven op deze vraag. Voorzover het gemeentebestuur en verweerder menen dat een bedrijfsbestemming in verband met overlast niet passend is, merkt de Afdeling op dat niet valt in te zien dat aan de loods niet een (bedrijfs)bestemming toegekend zou kunnen worden, die enerzijds uit het oogpunt van milieuhinder passend is in de omgeving en anderzijds recht doet aan de aard en de afmetingen van het gebouw. (…) Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 9 van het Bro. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.3. Ook in het voorliggende geval valt niet in te zien hoe de loodsen, gelet op de omvang daarvan, zinvol overeenkomstig de detailbestemming "Wonen" gebruikt kunnen worden. Het heeft uit hoofde van de in artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder te noemen: Bro) vervatte onderzoeksplicht op de weg van het gemeentebestuur gelegen aan deze vraag aandacht te besteden en aan de schuren een bestemming toe te kennen die uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening passend kan worden geacht bij de aan de voormalige agrarische bedrijfswoning toegekende detailbestemming "Wonen", en die tevens recht doet aan de aard en de afmetingen van de gebouwen. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Door het plan op dit onderdeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel [locatie sub 8] met de detailbestemming "Wonen", voor zover het betreft de delen waarop de schuren staan.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 9]

Het standpunt van appellant

2.11. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden -W-" dat betrekking heeft op het perceel [locatie sub 9] te [plaats]. Appellant betoogt dat aan het desbetreffende plandeel een agrarische bestemming met een agrarisch bouwperceel toegekend dient te worden. Hij wijst erop dat ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan op het perceel een agrarische bestemming met bouwperceel rustte.

Volgens appellant miskent verweerder dat hij ter plaatse bedrijfsmatig dieren houdt en dat hij hiermee beoogt inkomen te verwerven. Dat de omvang van zijn bedrijf thans niet voldoet aan de door de gemeente De Ronde Venen toegepaste norm voor de minimale omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf, kan volgens appellant niet de doorslag geven. In verband daarmee wijst appellant op een bedrijfsplan van GLTO Bedrijfsadvies waaruit blijkt dat zijn zoogkoeienboerderij kan uitgroeien tot een economisch volwaardig bedrijf.

Het standpunt van verweerder

2.11.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de gemeenteraad met het aanwijzen van de bestemmingen in het plan ervoor heeft gekozen de actuele situatie tot uitgangspunt te nemen, tenzij er concreet zicht bestaat op een andersoortig gebruik dat ruimtelijk aanvaardbaar is. De in het plan toegekende bestemming voor woondoeleinden is volgens verweerder in overeenstemming met het gebruik dat verzoeker thans van zijn perceel maakt, te weten woondoeleinden en het hobbymatig houden van dieren.

Verweerder heeft de agrarische activiteiten van appellant gekwalificeerd als hobbymatig, omdat deze een omvang hebben van 5 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge). Deze omvang rechtvaardigt volgens verweerder geen agrarische bestemming met een bouwperceel. Volgens verweerder biedt het bedrijfsplan onvoldoende aanknopingspunten voor het toekennen van een agrarische bestemming. Realisering van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf is volgens verweerder ongewis.

Vaststelling van de feiten

2.11.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.2.1. Appellant is sedert 1 mei 2003 eigenaar van percelen agrarische grond aan [locatie sub 9] in [plaats]. Ten tijde van de aankoop gold voor deze gronden het bestemmingsplan "Landelijk gebied Wilnis". Ingevolge dit bestemmingsplan was aan een deel van de gronden de bestemming "agrarisch bouwblok" toegekend. Het bouwvlak omvatte blijkens de plankaart de bedrijfswoning, een hooiberg en een schuur. Deze schuur is door de vorige eigenaar gesloopt. Blijkens het deskundigenbericht resteren daarvan de fundamenten en de mestkelders.

2.11.2.2. Uit de stukken is naar voren gekomen dat de grens van het bouwvlak van het voorheen geldende plan op een afstand van minder dan 50 meter is gelegen van een recreatiewoning en eveneens op minder dan 50 meter van een burgerwoning. Gelet hierop is herbouw van de schuur ten behoeve van de exploitatie van een zoogkoeienbedrijf op de oude locatie volgens de gemeente De Ronde Venen niet mogelijk. Appellant wil thans op zijn gronden, op voldoende afstand van de burgerwoning en de recreatiewoning, een stal bouwen met een oppervlakte van 1000 m². De desbetreffende locatie ligt ongeveer 50 meter verwijderd van het agrarisch bouwblok dat in het voorheen geldende plan aan zijn agrarische gronden was toegekend.

2.11.2.3. Ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit bestonden de agrarische activiteiten uit het houden van vier zoogkoeien en twintig schapen. Bij de woning beschikt appellant over vier hectare grond, en elders over nog eens twee hectare. Niet in geschil is dat de activiteiten van appellant ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit een omvang hadden van 5 Nge. Appellant is voornemens zijn activiteiten uit te breiden naar een zoogkoeienbedrijf met een omvang van 100 dieren. In verband daarmee heeft hij een bedrijfsplan laten opstellen door GLTO Advies. Uit de daarin opgenomen begroting blijkt dat voor de jaren 2005-2009 rekening is gehouden met een toenemend aantal zoogkoeien en een toenemende opbrengst, waarbij echter de vaste kosten, zoals rente en afschrijving, buiten beschouwing zijn gelaten. Volgens het rapport komt appellant in die periode middelen tekort op de lopende rekening. Het omslagpunt ligt blijkens het rapport bij een bedrijfsomvang van 100 koeien, dat, bij onder meer een goede vleesprijs, in 2014 bereikt kan worden.

2.11.2.4. De gemeenteraad hanteert blijkens de plantoelichting een bedrijfsomvang van 10 Nge als minimumgrens voor het als zodanig bestemmen van agrarische activiteiten. Bij het toekennen van een agrarische bestemming worden tevens de intenties van het gebruik, alsmede het toekomstperspectief betrokken, aldus de plantoelichting. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad voorts toegelicht dat agrarische bedrijven die als zodanig waren bestemd, en waarvan de activiteiten zijn beëindigd, zijn bestemd voor woondoeleinden. Dit uitgangspunt is ook ten aanzien van de gronden van appellant toegepast, omdat de activiteiten van appellant volgens de gemeenteraad niet beschouwd kunnen worden als een voortzetting van het aldaar voorheen uitgeoefende agrarische bedrijf.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.3. Gelet op de omvang van de activiteiten ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit en de in verband met deze omvang door de gemeenteraad gehanteerde maatstaf van 10 Nge heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van activiteiten die een agrarische bestemming rechtvaardigen. Mede in aanmerking genomen het door appellant niet betwiste standpunt van de gemeenteraad dat uitoefening van een agrarisch bedrijf op de gronden van het voorheen van toepassing zijnde bouwvlak vanwege de nabijheid van een burgerwoning en een recreatiewoning op bewaren stuit, behoefde verweerder dan ook geen aanleiding te zien in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan, op de enkele grond dat het agrarische bouwvlak van het voorgaande plan niet is gehandhaafd.

Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijfsplan onvoldoende informatie bevat voor de conclusie dat de activiteiten van appellant ter plaatse binnen de planperiode kunnen doorgroeien naar een reëel, of min of meer volwaardig agrarisch bedrijf, zodat toekenning van een bouwblok elders op het perceel, op voldoende afstand van de recreatiewoning en de burgerwoning, in de rede had gelegen. Dat in het bedrijfsplan niet wordt aangegeven hoe de hoge investeringskosten en het tekort op de lopende rekening kunnen worden gefinancierd heeft verweerder daarbij in redelijkheid van groot belang kunnen achten. Voorts heeft hij bij zijn standpunt in redelijkheid kunnen betrekken dat appellant slechts een beperkte hoeveelheid grond tot zijn beschikking heeft en dat niet duidelijk is of hij dit grondareaal kan verruimen, hetgeen noodzakelijk is in verband met de voorgenomen groei van het aantal zoogkoeien.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 10]

Het standpunt van appellant

2.12. [appellant sub 10] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van het plandeel dat betrekking heeft op zijn gronden aan de [locatie sub 10] te [plaats]. Hij voert daartoe aan dat de ontwikkeling van zijn agrarisch bedrijf zal worden belemmerd omdat de omvang van zijn bouwvlak ten onrechte is teruggebracht van 7000 m² naar 4000 m². Appellant beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel, omdat aan het agrarische bedrijf op het perceel [locatie sub 10] een bouwvlak met een oppervlakte van 6500 m² is toegekend.

Het standpunt van verweerder

2.12.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat gelet op de omvang van de veestapel, geen groter bouwvlak is vereist. Voorts heeft hij erop gewezen dat de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak is gesitueerd. Verweerder heeft voorts gewezen op de mogelijkheid met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak zo nodig te verruimen.

Net als in het geval van appellant, is ook ten aanzien van het bouwvlak [locatie sub 10] het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande bebouwing in het bouwvlak is opgenomen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is volgens verweerder derhalve geen sprake.

Vaststelling van de feiten

2.12.2. Blijkens het deskundigenbericht beschikt appellant sedert 10 jaren aan de [locatie sub 10] over de vervallen en onbewoonde bedrijfswoning en een hooiberg behorend bij het voormalige agrarisch bedrijf van zijn ouders. Appellant beschikt ter plaatse over tien ha. grond en elders over nog eens drie ha. Appellant houdt gemiddeld 130 schapen per jaar en een wisselend aantal vleeskoeien.

2.12.3. Appellant wil op de gronden een veehouderij exploiteren en is daartoe voornemens de woning en de hooiberg te slopen en daarvoor in de plaats schuren, een loods, een kuilplaat en een nieuwe woning oprichten.

Volgens het deskundigenbericht kan de door appellant gewenste bebouwing niet binnen het toegekende bouwvlak van 4000 m² worden opgericht.

In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan de gronden een bouwvlak met een oppervlakte van 7500 m² toegekend.

2.12.3.1. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad toegelicht dat alle agrarische bedrijven in het plangebied een zogenoemd "bouwblok op maat" hebben gekregen. Daarbij zijn drie uitgangspunten toegepast, namelijk de omvang van de bedrijfsactiviteiten, opname van de bestaande bebouwing in het bouwvlak en het bieden van enige uitbreidingsruimte. Voorts is van de zijde van de gemeenteraad verklaard dat appellant zijn plannen onvoldoende concreet heeft gemaakt, zodat daarmee in het bestemmingsplan geen rekening is gehouden. Voorts is toegelicht dat toepassing gegeven kan worden aan een wijzigingsbevoegdheid ten einde het bouwvlak te vergroten, als appellant in de toekomst een bedrijfsplan overlegt dat concrete aanknopingspunten biedt voor de oprichting van een volwaardig agrarische bedrijf ter plaatse.

2.12.3.2. Ter zitting heef appellant verklaard dat zijn activiteiten, anders dan de gemeente veronderstelt, een bedrijfsomvang hebben van 49 Nge.

2.12.3.3. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad voorts toegelicht dat aan de gronden aan de [locatie sub 10] een bouwblok is toegekend omdat tijdens de voorbereiding van het bestemmingplan een bouwplan met onderbouwing is overgelegd.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.4. Appellant heeft de stelling van verweerder dat de omvang van zijn veestapel geen ruimer bouwvlak vereist, onvoldoende weersproken. De enkele stelling dat zijn activiteiten een omvang hebben van 49 Nge is daartoe niet voldoende. Appellant heeft immers niet inzichtelijk gemaakt hoe deze omvang is berekend en evenmin aannemelijk gemaakt dat een bedrijfsomvang van 49 Nge een groter bouwvlak zou vereisen dan is toegekend. Voorts heeft verweerder in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat gedurende de voorbereiding van het bestemmingsplan geen concrete bouwplannen zijn overgelegd die een ruimer bouwvlak rechtvaardigen.

Appellant beroept zich voorts tevergeefs op het gelijkheidsbeginsel. Reeds omdat anders dan in het geval van appellant ten behoeve van de toekenning van een bouwvlak aan de [locatie sub 10] een bouwplan met onderbouwing is overgelegd, is geen sprake van gelijke gevallen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 11]

Het standpunt van verweerder

2.13. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de plankaart, voor zover daarop de ligplaats van een woonschip ten zuiden van Fort aan de Drecht is voorzien van de aanduiding

"*" (woonschip). Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan aldus voorziet in een nieuwe ligplaats voor een woonschip. Het streekplan verzet zich tegen nieuwe ligplaatsen, tenzij het woonschip na een afweging van ruimtelijke belangen aanvaardbaar kan worden geacht. Deze afweging is ten onrechte niet gemaakt, aldus verweerder.

Tevens heeft verweerder erop gewezen dat ten behoeve van het woonschip geen ontheffing als bedoeld in de "Verordening bescherming natuur en landschap" is verleend. Het ontbreken van deze ontheffing is op zich zelf voldoende grond voor het niet als zodanig bestemmen van het woonschip, aldus verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2005, no. 200401563/1.

Het standpunt van appellant

2.13.1. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "*" (woonschip). Hij voert daartoe aan dat het woonschip ter plaatse sedert 1975 ligt afgemeerd en dat hij op de nutsvoorzieningen en het riool is aangesloten.

Voor verstoring van natuurwaarden hoeft volgens appellant niet te worden gevreesd, omdat het eiland waarlangs het woonschip ligt afgemeerd een voormalige baggerstortplaats betreft, en er geen beheer of onderhoud van overheidswege plaatsvindt.

Voorts stelt hij dat het als zodanig bestemmen van het woonschip in de rede ligt, omdat de ligplaats in overeenstemming met het destijds geldende bestemmingsplan is ingenomen, in het opvolgende plan onder het overgangsrecht is gebracht, en thans geen zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.2. De aanduiding "*" (woonschip) op de plankaart waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden is aangebracht binnen het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -Ng-". In artikel 4 van de planvoorschriften is niet geregeld dat de als zodanig bestemde gronden gebruikt mogen worden als ligplaats ten behoeve van een woonschip. In deze voorschriften wordt evenmin verwezen naar de aanduiding "*" (woonschip). Aan de aanduiding op plankaart komt derhalve geen juridisch bindende betekenis toe, zodat het woonschip, anders dan partijen veronderstellen, niet als zodanig is bestemd. Ook indien verweerder het plan in zoverre zou hebben goedgekeurd, zou het woonschip derhalve niet als zodanig zijn bestemd. De stelling van appellant, dat door de onthouding van goedkeuring zijn woonschip ten onrechte niet als zodanig is bestemd, mist derhalve feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

HET BEROEP VAN BETONMORTELBEDRIJVEN CEMENTBOUW B.V.

Het standpunt van appellante

2.14. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B13" (betonindustrie). Appellante voert daartoe aan dat de bebouwingsmogelijkheden ten onrechte zijn beperkt tot 230 m², hetgeen neerkomt op een uitbreiding van de oppervlakte van de bestaande bebouwing met 15%. Binnen de planperiode bestaat behoefte bestaat aan ruimere uitbreidingsmogelijkheden, aldus appellante. Volgens appellant miskent verweerder dat het bedrijf aan de huidige locatie is gebonden, en dat verplaatsing niet voor de hand ligt.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de detailbestemming

"Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B39" (loswal), omdat op de desbetreffende gronden geen bebouwing is toegestaan. Dit klemt temeer nu appellant beschikt over een rechtens onaantastbare vergunning voor de oprichting van een portaalkraan met een hoogte van 18 meter.

Het standpunt van verweerder

2.14.1. Verweerder heeft de bestreden plandelen goedgekeurd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op het bedrijf van appellante in beginsel het provinciale beleid voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijven van toepassing is. Als zodanig acht verweerder de toegekende uitbreidingsmogelijkheden in overeenstemming met het provinciale beleid. Indien gedurende de planperiode uit een accountantsverklaring blijkt dat ruimere uitbreidingsmogelijkheden noodzakelijk zijn, dan kan de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan alsdan worden afgewogen, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.14.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

Ten aanzien van plandeel detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B13" (betonindustrie).

2.14.2.1. In de Handleiding bestemmingsplannen 2006 is vermeld dat voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied een uitbreidingsmogelijkheid van 15 à 20 % in het algemeen toereikend is, maar niet vanzelfsprekend. Bij de afweging is van belang dat aantoonbaar is dat deze uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en deze uitbreiding ter plaatse noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf. Bij een beoogde uitbreiding van meer dan 20% zal deze noodzaak moeten blijken uit een accountantsrapport. De ruimtelijke aanvaardbaarheid wordt afgewogen aan de hand van de Landschapsvisie of een uitwerking daarvan in de vorm van een (inter)gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan."

2.14.2.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de noodzaak de bedrijfsbouwing met meer dan 15% uit te breiden niet heeft onderbouwd. Bij schrijven van 8 mei 2007 heeft appellante de Afdeling een Plan van Aanpak doen toekomen ten behoeve van de nieuwbouw van een betonmortelcentrale op het huidige bedrijfsterrein.

Ten aanzien van het plandeel met de detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B39" (loswal)

2.14.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit beschikte over een rechtens onaantastbare vergunning voor de oprichting van een portaalkraan met een hoogte van 18 meter op de gronden die het plandeel met detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B39" (loswal) betreffen.

2.14.2.4. De planvoorschriften laten op de desbetreffende gronden geen bebouwing toe.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.3. Gelet op het streekplan, zoals toegelicht in de Handleiding bestemmingsplannen 2006, moet worden geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellante gewenste ruimere uitbreidingsmogelijkheden niet in overeenstemming zijn met het streekplan. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid van overwegend belang kunnen achten dat de noodzaak voor een ruimere uitbreiding dan het bestemmingsplan toelaat, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet overeenkomstig het in het streekplan genoemde vereiste was aangetoond. Daargelaten de vraag of het Plan van Aanpak als een adequate onderbouwing van de uitbreidingswensen kan worden beschouwd, kan dit Plan van Aanpak het bestreden besluit niet raken, reeds omdat het dateert van na het nemen van het bestreden besluit en verweerder dit derhalve niet bij zijn goedkeuringsbesluit heeft kunnen bestrekken.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. is in ongegrond voor zover het betref het plandeel met de detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B13" (betonindustrie).

2.14.3.1. Verweerder heeft ten onrechte niet in aanmerking genomen dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit inmiddels een rechtens onaantastbare bouwvergunning was verleend voor de oprichting van een portaalkraan op de loswal. Nu het bestemmingsplan deze bebouwing niet toelaat, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "B39" (loswal).

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 13]

Het standpunt van appellant

2.15. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" dat betrekking heeft op het perceel [locatie sub 13] in [plaats]. Appellant voert daartoe aan dat daardoor zijn woning is bestemd als de bedrijfswoning bij de kwekerij die ter plaatse door een van zijn zoons wordt uitgeoefend. Een dergelijke bestemming kan volgens appellant niet aan de orde zijn omdat hij ter plaatse nimmer een agrarisch bedrijf heeft uitgeoefend.

Het standpunt van verweerder

2.15.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat vanuit de woning gedurende negentien jaren door de zoon van appellant een kwekerij wordt uitgeoefend op de achter de woning gelegen gronden. Dat de woning tevens wordt bewoond door appellant, die geen relatie heeft met de kwekerij, acht verweerder niet van doorslaggevend belang.

Vaststelling van de feiten

2.15.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.2.1. In het deskundigenbericht is het volgende vermeld.

Appellant woont met zijn echtgenote en twee zonen in een woning aan de [locatie sub 13] te [plaats]. De woning is reeds 50 jaar eigendom van appellant. Het bijbehorende perceel achter de woning is deels eigendom van appellant en deels eigendom van de [inwonende zoon]. Deze zoon exploiteert ter plaatse sinds 19 jaar een kwekerij in kleine tuinplanten op 7000 m² open grond. Tevens is hij werkzaam in dienstbetrekking op een kwekerij elders. Appellant is geen agrariër en heeft ter plaatse nimmer een agrarisch bedrijf uitgeoefend.

2.15.2.2. Appellant heeft in zijn zienswijze en bedenkingen verzocht de bouw van een tweede woning op het perceel toe te laten, die kan dienen als bedrijfswoning bij de kwekerij ten behoeve van zijn inwonende zoon. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad verklaard dat voor de woning zowel een woonbestemming als een agrarische bedrijfsbestemming passend kan worden geacht. De gemeenteraad heeft met de toegekende bestemming echter recht willen doen aan de belangen die zijn gediend met de exploitatie van de kwekerij op het perceel. Voorts is toegelicht dat het gemeentelijk beleid niet toelaat dat tegemoet wordt gekomen aan de wens van appellant, dat ter plaatse een tweede woning wordt opgericht die dienst kan doen als bedrijfswoning voor de zoon die de kwekerij exploiteert.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.3. Indien de oprichting van een tweede woning op het perceel op grond van het gemeentelijke beleid ongewenst wordt geacht, dan kan niet dan na een zorgvuldige afweging van alle belangen worden overgegaan tot het bestemmen van de burgerwoning van appellant als bedrijfswoning. Het belang van appellant bij het voortzetten van het gebruik van zijn woning als burgerwoning dient daarbij uitdrukkelijk aan de orde te komen. Verweerder heeft dit belang ten onrechte miskend. Dit klemt te meer nu appellant ter plaatse nimmer een agrarisch bedrijf heeft uitgeoefend en evenmin een functionele binding heeft met de kwekerij van zijn inwonende zoon. Verder is niet aannemelijk geworden dat een woonbestemming de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden van de kwekerij zou belemmeren.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 13] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel [locatie sub 13] te [plaats], met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding (g) "grondgebonden".

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 14]

Het standpunt van appellant

2.16. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" dat betrekking heeft op het perceel [locatie sub 14 a] en [locatie sub 14 b].

Appellant voert aan dat op de desbetreffende gronden geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend, zodat de toegekende bestemming niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Appellant pleit er voor dat zowel perceel […] als perceel […] bestemd worden voor woondoeleinden. Dat het toekennen van een woonbestemming aan perceel […] in strijd met het streekplan is, acht appellant niet van doorslaggevende betekenis, nu verweerder diverse plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" wel heeft goedgekeurd.

Het standpunt van verweerder

2.16.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd en zich daarbij gebaseerd op inventarisatiegegevens van de gemeente De Ronde Venen. Volgens verweerder blijkt daaruit dat op de gronden een reëel agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Verweerder acht het niet mogelijk zelf te onderzoeken of ten tijde van de goedkeuring daadwerkelijk een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend op de gronden die de plandelen met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" betreffen.

De oprichting van een burgerwoning op perceel […] acht verweerder in strijd met het streekplan. Van soortgelijke gevallen waarin wel een woonbestemming is toegekend, is volgens verweerder geen sprake. De door appellant genoemde gevallen hebben volgens verweerder alle betrekking op bestaande bebouwing of op verplaatsing daarvan, zodat het toekennen van een woonbestemming in die gevallen geen extra verstening van het buitengebied met zich brengt.

Vaststelling van de feiten

2.16.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.3. Appellant is eigenaar van het kadastrale perceel [locatie sub 14 b]. De desbetreffende gronden zijn privaatrechtelijk afgesplitst van het kadastrale perceel [locatie sub 14 a] waarop een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zowel de gemeenteraad als verweerder zich inmiddels op het standpunt stellen dat de toegekende bestemming geen recht doet aan de feitelijke situatie omdat op het perceel 27a sedert 2004 geen agrarisch bedrijf meer wordt uitgeoefend.

2.16.3.1. Het provinciaal beleid voor het buitengebied zoals uitgewerkt in de Handleiding bestemmingsplannen 2006 is er op gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen en niet aan het buitengebied gebonden functies - waaronder nieuwe burgerwoningen - daaruit in beginsel te weren. In specifieke situaties kan een nieuwe burgerwoning toelaatbaar worden geacht. Dit is het geval als minimaal 1000 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, of indien sprake is van functiewijziging van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning, of in het geval van splitsing van een karakteristieke boerderij.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.4. Nu verweerder zich bij nader inzien ten aanzien van de aan de percelen [locatie sub 14 a] en [locatie sub 14 b] toegekende bestemming op het standpunt stelt dat deze bestemming niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie en een agrarische bestemming derhalve niet in de rede ligt, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten dient te vergaren.

De oprichting van een burgerwoning op perceel [locatie sub 14 b] heeft verweerder op goede gronden in strijd met het streekplan geacht. De omstandigheden waarin het streekplan een nieuwe burgerwoning toelaat, doen zich hier niet voor. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt, dat de door hem genoemde gevallen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. In geen van genoemde gevallen is sprake van een privaatrechtelijk afgesplitst deel van een agrarische bouwperceel waarop de oprichting van een nieuwe burgerwoning is toegelaten.

Het beroep van [appellant sub 14] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van de gronden aan de [locatie sub 14 a] / [locatie sub 14 b], als aangeduid op detailplankaart 77.

HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 15]

Het standpunt van appellante

2.17. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "VR2" (caravanpark) die aan enkele landtongen in het westelijke deel van de Vinkeveense plassen is toegekend. Zij stelt dat aan de desbetreffende plandelen de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "VR3" (recreatiewoning) toegekend had moeten worden. Appellante wijst erop dat een recreatiewoning aan [locatie sub 15] te [plaats] als zodanig is bestemd, zodat het in de rede ligt deze bestemming ook aan haar gronden toe te kennen.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan enkele plandelen met de bestemming "Legakker". Aan de desbetreffende gronden had volgens appellante de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "VR2" (caravanpark) toegekend moeten worden. In dit verband beroept appellante zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar de situatie van Watersportbedrijf Proosdij aan het Achterbos. Tevens betoogt appellant dat niet valt in te zien waarom de uitoefening van een caravanpark tot verdere verstening leidt, nu verweerder zelf in een ander verband aangeeft dat deze voorzieningen niet permanent aanwezig zijn en voorts geringer van inhoud zijn dan recreatiewoningen.

Voort stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 13, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften. Daardoor is de maximale inhoud van haar recreatieappartementen, waaraan de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "VR1" (appartementen) is toegekend, ten onrechte beperkt tot 200 m³. Appellante voert daartoe aan dat verweerder ten behoeve van het recreatiepark Buitenborgh een inhoudsmaat van 250 m³ voor recreatiewoningen aanvaardbaar heeft geacht, en dat het goedkeuringsbesluit ter zake bij de Afdeling in stand is gebleven.

Het standpunt van verweerder

2.17.1. Ten aanzien van de gewenste uitbreiding van het caravanpark op de voormalige legakkers, en ten aanzien van de voor het caravanpark gewenste aanduiding "V3"(recreatiewoning) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze ontwikkelingen met het oog op het voorkomen van verstening niet wenselijk zijn. Voort acht verweerder het van belang dat een gedifferentieerd recreatie-aanbod blijft gewaarborgd. Ook heeft verweerder in aanmerking genomen dat appellante de gewenste uitbreiding van het caravanpark op de voormalige legakkers niet heeft onderbouwd.

Ten aanzien van de maximale inhoudsmaat van recreatiewoningen heeft verweerder er op gewezen dat de inhoudsmaat met vrijstelling kan worden verhoogd naar de door appellante gewenste maat van 250 m³. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat de regeling voor recreatiewoningen in het bestemmingsplan "Buitenborgh" tot stand is gekomen onder de werking van het voorheen van toepassing zijnde streekplan, zodat van gelijke gevallen geen sprake is.

Vaststelling van de feiten

2.17.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.17.2.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat appellante op diverse landtongen in het westelijke gedeelte van de Vinkeveense plassen een recreatiebedrijf exploiteert. Appellante wenst twee landtongen waaraan de bestemming "Legakker" is toegekend in te richten met stacaravans. Tevens wil appellante de mogelijkheid hebben reeds aanwezige stacaravans op haar terrein te vervangen vrijstaande recreatiewoningen. Appellant beoogt aldus een draagvlak te creëren voor de aanleg van centrale voorzieningen, zoals een restaurant en een tennisbaan.

2.17.2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden van Watersportbedrijf Proosdij zijn bestemd voor "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "VR2" (caravanpark). Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting waren op de desbetreffende gronden ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan zogeheten "tenthuisjes" toegelaten en ook daadwerkelijk opgericht. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad verklaard dat deze vorm van verblijfsrecreatie niet meer voldoet en dat aan het bedrijf derhalve de mogelijkheid is geboden de tenthuisjes te vervangen door stacaravans.

2.17.2.3. Uit de stukken blijkt dat op het perceel [locatie sub 15] te [plaats] een bestaande recreatiewoning als zodanig is bestemd. De desbetreffende woning is reeds jaren als zodanig in gebruik en is volgens informatie van de gemeente De Ronde Venen reeds bij de totstandkoming van het voorheen geldende bestemmingsplan ten onrechte niet als zodanig bestemd. Deze omissie is thans in het voorliggende plan hersteld.

2.17.2.4. Uit bladzijde 98 van het streekplan, voor zover hier van belang, volgt dat uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatie in de Vinkeveense plassen mogelijk is als dit nodig is voor een rendabele bedrijfsvoering en deze uitbreiding tevens de ruimtelijke kwaliteit verhoogt. Blijkens de Handleiding bestemmingsplannen 2006 mag een uitbreiding aanwezige waarden en de agrarische structuur niet aantasten.

2.17.2.5. Bij uitspraak van 5 april 2001, heeft de Afdeling ten aanzien van de maximale inhoudsmaat van 250 m³ voor de recreatiewoningen in het recreatiepark "Buitenborg" als volgt overwogen:

"In het voorliggende plan hebben verweerders in afwijking van hun beleid kunnen instemmen met een maximale inhoudsmaat van 250 m3 voor de recreatiewoningen op het nog te ontwikkelen recreatiepark in het centrale deel van het plangebied. Verweerders zijn hiertoe overgegaan, omdat het gemeentebestuur blijkens de plantoelichting voor deze woningen als beleid zal hanteren dat van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 18a (thans artikel 19, derde lid) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen gebruik zal worden gemaakt. Bovendien hebben verweerders aangevoerd dat het gemeentebestuur van De Ronde Venen (privaatrechtelijke) waarborgen heeft verkregen waardoor in het nieuw aan te leggen recreatiepark geen permanente bewoning zal worden toegestaan.

Voor zover appellanten sub 2 betogen dat aldus sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien elders in het plangebied een aantal bestaande recreatiewoningen staat waarvan de maximale inhoudsmaat slechts 200 m3 mag bedragen, wijst de Afdeling erop dat de inhoud van deze woningen met gebruikmaking van een in de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsmogelijkheid onder voorwaarden eveneens kan worden vergroot tot maximaal 250 m3.

Het oordeel van de Afdeling

2.17.3. Het plaatsen van stacaravans op de noordelijke legakkers en omzetting van stacaravans naar vrijstaande recreatiewoningen brengen een uitbreiding van het caravanpark met zich en tevens een intensivering van het gebruik. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante haar uitbreidingswensen niet van een onderbouwing door bijvoorbeeld een bedrijfsplan heeft voorzien. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat haar voornemens noodzakelijk zijn met het oog op een rendabele bedrijfsvoering; evenmin is aangetoond dat uitvoering van deze voornemens zal leiden tot een ruimtelijke kwaliteitswinst als bedoeld in het streekplan. Verweerder heeft zich derhalve op goede gronden op het standpunt gesteld dat de uitbreidingswensen niet in overeenstemming zijn met het streekplan. Het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot het oordeel dat verweerder goedkeuring had moeten onthouden aan de toegekende bestemming, ondanks het feit dat deze in overeenstemming met het streekplan is. De door appellante genoemde gevallen kunnen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in redelijkheid niet worden aangemerkt als soortgelijke gevallen.

Ten aanzien van de maximale inhoudsmaat voor recreatiewoningen overweegt de Afdeling dat appellante zich niet met vrucht kan beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat anders dan ten aanzien van het recreatiepark Buitenborg, thans door de gemeente De Ronde Venen geen aanvullend beleid wordt gevoerd om in het plangebied permanente bewoning van recreatieappartementen te voorkomen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover door appellante bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond.

HET BEROEP VAN DE [appellant sub 16 a] EN DE [APPELLANT SUB 16 B]

Het standpunt van appellanten

2.18. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de detailbestemming

"Woondoeleinden -W-" dat betrekking heeft op hun gronden aan de [locatie sub 16] te [plaats]. Zij betogen dat het bestemmingsplan aldus slechts één woning toelaat op het perceel, terwijl er feitelijk sedert 1992 sprake is van dubbele bewoning. Tevens doen zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en wijzen daarbij op het perceel [locatie], waar volgens appellanten twee woningen als zodanig zijn bestemd.

Appellanten beroepen zich tevens op het bepaalde in artikel 19, lid 14, onder b, van de planvoorschriften, op grond waarvan onder voorwaarden vrijstelling verleend kan worden voor het splitsen van een voormalige agrarische bedrijfswoning in twee volwaardige woningen.

Het standpunt van verweerder

2.18.1. Verweerder heeft het bestreden plandeel goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bestemming ter plaatse één woning toelaat, hetgeen in overeenstemming is met de feitelijke situatie, ook nu deze woning dubbel wordt bewoond. Planologische splitsing van de woning zou er volgens verweerder toe kunnen leiden dat op het perceel een vrijstaande burgerwoning in het landelijk gebied kan worden opgericht, hetgeen strijdig is met het provinciale beleid.

De situatie op de locatie [locatie] is volgens verweerder niet gelijk aan die van appellanten. Op grond van het voorheen geldende plan waren aldaar ter plaatse twee woningen toegelaten terwijl de woning van appellanten in het voorgaande plan bestemd was als agrarische bedrijfswoning, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.18.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.18.2.1. Appellanten zijn blijkens het deskundigenbericht sedert 2005 eigenaar van het woonhuis aan de [locatie sub 16]. Het betreft een voormalige agrarische bedrijfswoning die in de jaren zeventig is gebouwd en in 1992 is verbouwd en geschikt gemaakt voor dubbele bewoning. Aan de woning is de bestemming "Woondoeleinden -W-" toegekend.

2.18.2.2. Het provinciaal beleid voor het buitengebied, zoals uitgewerkt in de Handleiding bestemmingsplannen 2006, is er op gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen en niet aan het buitengebied gebonden functies - waaronder nieuwe burgerwoningen - daaruit in beginsel te weren. In specifieke situaties kan een nieuwe burgerwoning toelaatbaar worden geacht. Dit is het geval als minimaal 1000 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, of indien sprake is van functiewijziging van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Dit is eveneens het geval bij splitsing van een karakteristieke boerderij.

2.18.2.3. Op grond van het voorheen geldende plan waren op het perceel [locatie] ter plaatse twee woningen toegelaten. De woning van appellanten was in het in het voorgaande plan bestemd als agrarische bedrijfswoning.

Het oordeel van de Afdeling

Verweerder heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan de huidige wijze van bewoning. Het bestemmingsplan is derhalve in overeenstemming met de feitelijke situatie. In hetgeen appellanten hebben betoogd kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat verweerder de planologische splitsing van de woning, gelet op het provinciale beleid, in redelijkheid aanvaardbaar had moeten achten.

Het door appellanten gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel omdat op het perceel [locatie], anders dan op het perceel van appellanten, op grond van het voorheen geldende plan reeds twee afzonderlijke burgerwoningen waren toegelaten. Er is derhalve geen sprake van gelijke gevallen.

Ter zitting is door de vertegenwoordiger van appellant betoogd dat de woning, anders dan in het deskundigenbericht is vermeld, een inhoud heeft van 1006 m³, zodat toepassing gegeven kan worden aan een in het bestemmingsplan vervatte vrijstellingsbevoegdheid voor het splitsen van de woning. De vraag of de woning met toepassing van een vrijstellingsbevoegd planologisch kan worden gesplitst, kan in deze procedure niet worden beantwoord. Appellanten kunnen desgewenst het college van burgemeester en wethouder van De Ronde Venen verzoeken vrijstelling te verlenen ten behoeve van splitsing van de woning. Tegen een besluit op dit verzoek staan rechtsmiddelen open.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Het beroep van de [appellant sub 16 a] en de [appellant sub 16 b] is ongegrond.

HET BEROEP VAN DE [APPELLANT SUB 17]

Het standpunt van appellante

2.19. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" dat betrekking heeft op haar agrarisch bouwperceel aan de [locatie sub 17] te [plaats], omdat de bestemming slechts één agrarische bedrijfswoning toelaat. Appellante voert aan dat op het perceel een tweede agrarische bedrijfswoning aanwezig is, die als zodanig bestemd dient te worden.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 17, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. Daardoor is de nokhoogte van agrarische bedrijfsgebouwen ten onrechte beperkt tot 8 meter. Appellante stelt dat deze nokhoogte onvoldoende is om stallen voldoende te kunnen ventileren.

Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op hun gronden aan de [locatie], omdat deze gronden niet in een agrarisch bouwperceel zijn vervat. Appellante wil op de desbetreffende gronden een stal voor jongvee realiseren teneinde de aanvoer van jongvee in het geval van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte te verzekeren. Zij stelt dat verweerder heeft miskend dat geen sprake is van een nieuw agrarisch bouwperceel, maar van handhaving van de omvang van het bestaande bouwperceel.

Het standpunt van verweerder

2.19.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan de bestreden plandelen. Ten aanzien van de tweede bedrijfswoning heeft verweerder erop gewezen dat ter plaatse weliswaar twee agrarische bedrijfswoningen aanwezig zijn, maar dat één daarvan al meer dan vijftien jaar niet meer in gebruik is als bedrijfswoning, zodat het volgens verweerder in de rede ligt het gebruik onder het overgangsrecht te brengen. Bovendien acht verweerder een tweede bedrijfswoning met het oog op de bedrijfsvoering niet noodzakelijk.

De bij recht toegelaten nokhoogte van de agrarische bedrijfsgebouwen acht verweerder redelijk. Hij heeft erop gewezen dat de hoogte zonodig met toepassing van een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid kan worden verhoogd naar 12 meter.

Voorts acht verweerder de mogelijke uitbraak van dierziektes van onvoldoende gewicht voor de toekenning van een bouwvlak aan de gronden aan de [locatie].

Vaststelling van de feiten

Ten aanzien van de twee agrarische bedrijfswoningen

2.19.2. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" van de voormalige gemeente Wilnis was het bedrijfscentrum voorzien van een agrarische bouwvlak, waarbinnen één bedrijfswoning was toegelaten. Dit betreft de bedrijfswoning [locatie sub 17 a].

2.19.2.1. Bij besluit van 3 juli 1981 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Wilnis een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tweede bedrijfswoning op het agrarisch bouwperceel. Dit betreft de bedrijfswoning [locatie sub 17 b].

2.19.2.2. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de bedrijfswoning [locatie sub 17 a] feitelijk sedert 15 jaar niet is bewoond. Uit de stukken kan tevens worden afgeleid dat [lid] van de maatschap die het agrarische bedrijf exploiteert, sedert 1 mei 2006 staat ingeschreven op het adres [locatie sub 17 a].

2.19.2.3. Artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften luidt als volgt: "Het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken dat in strijd is met het in artikel 20, eerste lid, en dat reeds plaats vond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, mag worden voortgezet.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

In artikel 22, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald, voor zover hier van belang, dat het bepaalde in artikel 22, eerste lid, niet van toepassing is indien het gebruik gedurende een ononderbroken periode van tenminste drie jaar gestaakt is geweest.

Ten aanzien van nokhoogte

2.19.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat een nokhoogte van 8 meter niet ongebruikelijk is voor agrarische bedrijfsgebouwen.

2.19.3.1. In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat het door appellante overgelegde advies van 24 juni 2002 van de Faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht betrekking heeft op een andere concrete situatie en dat geen aanleiding bestaat daaruit algemene uitgangspunten voor de hoogte van agrarische bedrijfsgebouwen met het oog op de ventilatie daarvan, af te leiden.

Ten aanzien van de gronden [locatie]

2.19.3.2. Blijkens het deskundigenbericht heeft appellante gronden in eigendom nabij het perceel [locatie]. Een deel van deze gronden is privaatrechtelijk afgesplitst van een reeds onder de werking van het voorheen geldende plan toegelaten agrarisch bouwperceel op de gronden aan de [locatie]. De raad heeft bij de vaststelling van het voorliggende plan dit agrarisch bouwperceel zodanig verkleind, dat de afgesplitste gronden daarbuiten vallen.

Het oordeel van de Afdeling

2.19.4. Daargelaten de vraag of in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan aanvaard zou kunnen worden dat één van de twee legale bedrijfswoningen niet als zodanig is bestemd, moet worden geoordeeld dat het besluit van verweerder niet berust op een deugdelijke motivering. Verweerder is er ten onrechte vanuit gegaan dat het gebruik van de oorspronkelijke bedrijfswoning wordt beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Ook indien komt vast te staan dat de oorspronkelijke bedrijfswoning wordt bewoond op de datum waarop het bestemmingsplan onherroepelijk rechtskracht verkrijgt, dan staat het bepaalde in artikel 22, derde lid, in dit geval aan de beschermende werking van het overgangsrecht in de weg, nu vast is komen te staan dat dit gebruik in ieder geval vóór 1 mei 2006 gedurende een periode van ten minste drie jaren gestaakt is geweest.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit reeds hierom niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de [appellant sub 17] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-", voor zover dat de oorspronkelijke agrarische bedrijfswoning [locatie sub 17 a] betreft.

2.19.4.1. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de stellingname in het deskundigenbericht over de toegelaten nokhoogte, zodat verweerder deze hoogte in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoud van het door haar overgelegde advies van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit onverkort navolging dient te vinden in haar geval.

De oprichting van een stal op een onbebouwd perceel enkel met het oog op de mogelijke uitbraak van dierziektes, moet gelet op het beleid van verweerder om onnodige verstening van het buitengebied te voorkomen, als te verstrekkend worden beschouwd. In het betoog van appellante behoefde verweerder derhalve geen aanleiding te zien goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de [appellant sub 17] is zoverre ongegrond.

HET BEROEP VAN DE [APPELLANT SUB 18]

Het standpunt van appellante

2.20. Appellante stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-" omdat deze bestemming de oprichting van een zorgboerderij/sierheesterkwekerij met bijbehorende bebouwing op haar gronden aan de [locatie sub 18] te [plaats] niet mogelijk maakt. Appellanten voeren daartoe aan dat de agrarische bouwmogelijkheden in gevolge het voorheen geldende plan ten onrechte niet zijn gehandhaafd. De omvang van hun activiteiten bedraagt 36,573 Nge hetgeen gelet op de door de gemeente gehanteerde uitgangspunten een agrarisch bouwperceel rechtvaardigt, aldus appellanten. Zij beroepen zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel, omdat op de percelen [locaties] wel een nieuw bouwperceel is toegekend ten behoeve van agrarische activiteiten met eenzelfde omvang als die van appellante.

Het standpunt van verweerder

2.20.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ter plaatse tot 1980 een agrarische bedrijf is uitgeoefend en dat de agrarische bedrijfswoning sedert die tijd met vrijstelling in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" bestemd voor woondoeleinden en verweerder heeft de toegekende bestemming bij besluit van 10 mei 2005 goedgekeurd. Verweerder heeft de oprichting van een sierheesterkwekerij aangemerkt als nieuwvestiging als bedoeld in het streekplan, hetgeen op de gronden van appellante niet is toegestaan. Verweerder heeft geen aanleiding gezien van het streekplan af te wijken.

Vaststelling van de feiten

2.20.2. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat [appellant sub 18] een tentverhuurbedrijf exploiteert, dat haar hoofdvestiging in [plaats] heeft. Op het perceel [locatie sub 18] staat een schuur die wordt gebruikt als werkplaats voor de reparatie van tenten. [naam] is beeldhouwster en organiseert in de op het perceel aanwezige bebouwing cursussen.

2.20.2.1. De gronden van appellante, voor zover gelegen in het plangebied, zijn blijkens het deskundigenbericht in gebruik als grasland met fruitbomen en als weiland waar schapen worden geweid. Blijkens het deskundigenbericht beoogt appellante in de boomgaard een nieuwe schuur op te richten die dient als onderdak voor haar beide paarden en schapen, en voor de opslag van gereedschap. Tevens beoogt appellante een deel van het gebouw te gebruiken ten dienste van een door haar op te richten zorgboerderij en sierheesterkwekerij.

2.20.2.2. Ingevolge de derde herziening van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" van de voormalige gemeente Vinkeveen en Waverveen was aan een 150 meter brede strook grond, evenwijdig aan de weg de [locatie sub 18] de bestemming "Bebouwing voor Agrarische doeleinden (Ab)" toegekend. De bouwstrook had blijkens de desbetreffende plankaart ook betrekking op het perceel van appelanten. Aan een groot deel van de gronden die in de bouwstrook lagen, is in het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Deze bestemming is als zodanig door appellanten in de daarvoor bedoelde procedures niet bestreden. Op de gronden die de resterende bouwstrook betreffen, willen appellanten de hiervoor genoemde schuur oprichten.

2.20.2.3. De gronden van appellante liggen in het gebied dat in het streekplan is aangeduid als "landelijk gebied 4". De hoofdfunctie van deze gebieden is natuur. Blijkens het streekplan is nieuwvestiging van agrarische bedrijven in dergelijke gebieden niet toegestaan.

2.20.2.4. Blijkens de stukken zijn de percelen Donkereind 32-36 vervat in het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003". Uit de stukken blijkt dat aan dit bestemmingsplan andere uitgangspunten ten grondslag liggen, daar waar het de bescherming van het landschap betreft.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.3. Hetgeen appellanten hebben betoogd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niet vanuit mocht gaan, dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Verweerder heeft daarbij overwegend belang kunnen toekennen aan de bestemming "Woondoeleinden" die ingevolge het bestemmingsplan "Lintbebouwing Vinkeveen 2003" aan het overgrote deel van de voormalige agrarische bouwstrook is toegekend. Handhaving van de resterende bouwmogelijkheden zou derhalve alsnog de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf met zich brengen. Het streekplan laat dit niet toe. Dat de huidige en beoogde activiteiten volgens appellante een omvang hebben die voldoet aan het uitgangspunt van de gemeente De Ronde Venen voor het als zodanig bestemmen van deze activiteiten, behoefde voor verweerder geen aanleiding te zijn van het streekplan af te wijken. Deze omvang, wat daarvan ook zijn, doet niet af aan het standpunt van verweerder dat sprake is van nieuwvestiging als bedoeld in het streekplan. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt, dat de door haar genoemde gevallen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door appellante bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de [appellant sub 18] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.21. Ten aanzien van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V en de [appellant sub 17] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.21.1. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellanten sub 8], [appellant sub 13], en [appellant sub 14] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

2.21.2. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk;

II verklaart de beroepen van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. en de [appellant sub 17] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 8], [appellant sub 13], en [appellant sub 14], geheel gegrond;

III vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 9 mei 2006, no. 2006REG001330i, voor zover daarbij

a. goedkeuring is verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-" van het plandeel [locatie sub 1];

b. goedkeuring is verleend aan het plandeel [locatie sub 8] met de detailbestemming "Wonen", voor zover het betreft de delen waarop de schuren staan;

c. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de nadere aanduiding "[…]" (loswal);

d. goedkeuring is verleend aan het plandeel [locatie sub 13] te [plaats], met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" en de aanduiding (g) "grondgebonden";

e. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" van de gronden aan de [locatie sub 14 a]/27a, als aangeduid op detailplankaart 77;

f. goedkeuring is verleend aan het plandeel met de detailbestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-", voor zover dat de oorspronkelijke agrarische bedrijfswoning [locatie sub 17 a] betreft;

IV onthoudt goedkeuring aan het plandeel genoemd onder IIIb;

V bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel genoemd onder IIIb;

VI verklaart de beroepen van Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. en van de [appellant sub 17] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 2], [appellanten sub 3], Fort-University Nederland B.V., 't Sleyk B.V. en [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 15], de [appellant sub 16 a] en de [appellant sub 16 b], en de [appellant sub 18] geheel ongegrond;

VII veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de [appellant sub 17] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten dienen door de provincie Utrecht onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan appellanten.

VIII gelast dat de provincie Utrecht aan de [appellant sub 17], [appellant sub 1], [appellanten sub 8], [appellant sub 13], en [appellant sub 14], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro), en aan Betonmortelbedrijven Cementbouw B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro), vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Tulmans

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

381