Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200608504/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat de beslissing op zijn aanvraag voor een bouwvergunning betreffende het wijzigen van de op 18 juli 2000 verleende bouwvergunning voor het bouwen van een opslagruimte aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) wordt aangehouden. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college de bouwvergunning voor het hiervoor genoemde bouwplan geweigerd.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Woningwet 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/14
JOM 2009/5
AB 2007, 365
BR 2007/244
Module Vastgoed en wonen 2007/461
ABkort 2007/478

Uitspraak

200608504/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/2111 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat de beslissing op zijn aanvraag voor een bouwvergunning betreffende het wijzigen van de op 18 juli 2000 verleende bouwvergunning voor het bouwen van een opslagruimte aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) wordt aangehouden. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college de bouwvergunning voor het hiervoor genoemde bouwplan geweigerd.

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2006, verzonden op 18 oktober 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 januari 2007 hebben [partijen], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 15 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. ir. C.J. Kapteyns, en het college vertegenwoordigd door mr. A. Munster, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 18 juli 2000 is aan appellant bouwvergunning verleend voor het bouwen van een opslagruimte op het perceel. De bouw is gedeeltelijk gerealiseerd. Nadat het college heeft geconstateerd dat het bouwplan op een aantal punten in afwijking van de verleende bouwvergunning is uitgevoerd heeft appellant, ter legalisering daarvan, op 6 juni 2005 een gewijzigde bouwvergunning aangevraagd.

2.2.    Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat, nu het college niet tijdig op de bouwaanvraag heeft beslist, er van rechtswege bouwvergunning is verleend.

   Appellant voert daartoe aan dat de rechtbank een onjuiste interpretatie heeft gegeven van artikel 50, eerste en derde lid, van de Woningwet, in samenhang met artikel 30, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Appellant stelt in dit verband dat de  termijn als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WRO reeds op 20 januari 2005 is verlopen, en dat het college geen verlenging van deze termijn heeft gevraagd. Onder deze omstandigheden is de extra termijn van een jaar als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de Woningwet volgens appellant niet van toepassing.

   Appellant voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat nu het bouwplan in overeenstemming was met het toekomstige bestemmingsplan "Centrumgebied Boxmeer" er geen sprake meer was van een aanhoudingsplicht, maar dat deze op grond van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet was omgezet in een aanhoudingsbevoegdheid. Onder die omstandigheden was het college volgens appellant gehouden binnen 12 weken op de aanvraag te beslissen.

2.2.1.    Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

   Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet is, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid, de bouwvergunning van rechtswege verleend.

   Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

   Ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Woningwet duurt de aanhouding voort totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21, vierde of zesde lid, van de WRO is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25 van die wet is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26 van die wet is overschreden dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.

   Ingevolge artikel 50, derde lid, van de Woningwet duurt, in afwijking in zoverre van het tweede lid, de aanhouding voort indien nog niet is voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 30 of 40a van de WRO of een ingevolge artikel 30, 40a of 40b van die wet vastgesteld plan nog niet in werking is getreden. De aanhouding eindigt in elk geval indien binnen een jaar na het verlopen van de termijn, bedoeld in artikel 30 van genoemde wet, geen ontwerp van een bestemmingsplan of van een herziening daarvan ter inzage is gelegd.

   Ingevolge artikel 50, vierde lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO stelt de gemeenteraad, indien door gedeputeerde staten of, in een geval als bedoeld in artikel 29, achtste lid, door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, binnen een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn bedoeld in artikel 56a, onder b of c, afloopt of, indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van gedeputeerde staten, dan wel van Onze Minister in acht wordt genomen.

2.2.2.    Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Boxmeer het bestemmingsplan "Centrumgebied Boxmeer" vastgesteld. Bij besluit van 2 september 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: GS) het bestemmingsplan "Centrumgebied Boxmeer" goedgekeurd. Bij uitspraak van 20 januari 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de Afdeling het besluit van GS vernietigd, goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan "Centrumgebied Boxmeer" en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Er is geen nieuw ontwerp bestemmingsplan of een herziening van het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

2.2.3.    Het betoog van appellant dat van rechtswege bouwvergunning is verleend faalt.

   Anders dan appellant betoogt is de omstandigheid dat het college niet op grond van artikel 30, tweede lid, van de WRO heeft verzocht om verlenging van de termijn waarbinnen een nieuw plan ter inzage moet worden gelegd, voor de duur van de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de WRO niet van belang.

   Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien er geen strijd is met het nieuwe in procedure zijnde bestemmingsplan niet van rechtswege en verandert deze om die reden evenmin in een aanhoudingsbevoegdheid, maar dient het college in die situatie een beslissing te nemen over doorbreking daarvan. Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 februari 2006 in zaak no. 200502347/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2006,98), het college op grond van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet bevoegd, maar niet verplicht tot doorbreking van de ingevolge het eerste lid van dat artikel geldende aanhoudingsplicht. De omstandigheid dat in artikel 50, vierde lid, van de Woningwet is bepaald dat het college omtrent de bouwaanvraag beslist overeenkomstig artikel 46 van die wet, doet daar niet aan af. Het college is immers eerst gehouden te beslissen op de bouwaanvraag nadat het heeft besloten tot doorbreking van de aanhoudingsplicht.

2.3.     Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de besluitvorming na afloop van de aanhoudingsplicht de redelijke eisen van welstand heeft kunnen betrekken.

2.3.1.     Uit artikel 50 van de Woningwet volgt dat het college bij beantwoording van de vraag of de bouwaanvraag moet worden aangehouden dient te beoordelen of één van de in artikel 44 van de Woningwet opgenomen weigeringsgronden zich voordoet, waaronder de vraag of het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien er geen weigeringsgrond, is moet de bouwvergunning worden aangehouden. Indien er wel een weigeringsgrond, is moet de bouwvergunning worden geweigerd.

   Het besluit tot aanhouding van de aanvraag impliceert derhalve het oordeel van het college dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De omstandigheid dat het college bij het besluit tot aanhouding heeft medegedeeld dat het in afwachting is van een second opinion betreffende de welstand, maakt dit niet anders. Indien het college ten tijde van de beslissing tot aanhouding van mening was dat het bouwplan in strijd was met redelijke eisen van welstand had het de bouwvergunning dienen te weigeren in plaats van de aanvraag op grond van artikel 50 van de Woningwet aan te houden. Nu het college dit niet heeft gedaan kon het, behoudens nieuw gebleken feiten of omstandigheden dan wel naar aanleiding van door derden gemaakt bezwaar, niet terugkomen op het in het aanhoudingsbesluit vervatte oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De op verzoek van het college uitgebrachte second opinion kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het college de bouwvergunning niet heeft kunnen weigeren wegens strijd met redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.    Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het positieve welstandsadvies van 23 juni 2005 en de in het welstandsadvies van 16 februari 2006 genoemde mogelijkheid de gevels in de gewenste kleur te schilderen, geen bespreking.

2.5.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2006 in zaak no. AWB 06/2111;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 4 april 2006, kenmerk BR2005133;

V.    veroordeelt het college van burgmeester en wethouders van de gemeente Boxmeer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 122,20. Het dient door de gemeente Boxmeer aan appellant en onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

VI.    gelast dat de gemeente Boxmeer aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

270-544.