Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200701185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2005 heeft appellant (hierna: de minister) de toekenning aan [verzoekers] (hierna: betrokkenen) van huursubsidie over het tijdvak 2004-2005 herzien en het reeds uitbetaalde bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200701185/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gevestigd te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/398 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 januari 2007 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2005 heeft appellant (hierna: de minister) de toekenning aan [wederpartijen] (hierna: betrokkenen) van huursubsidie over het tijdvak 2004-2005 herzien en het reeds uitbetaalde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2007, verzonden op 2 februari 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief van 13 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 april 2007 hebben betrokkenen van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Ipenburg, werkzaam bij het ministerie, en betrokkenen in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) wordt geen huursubsidie toegekend als de huurder van een woning met een rekenhuur boven de aftoppingsgrenzen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, naar het oordeel van de minister, op het tijdstip dat de huur ingaat, het gebruik had kunnen krijgen of behouden van een andere woning die beter past bij zijn economische en persoonlijke omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de minister, alvorens hij tot toepassing van het eerste lid overgaat, burgemeester en wethouders in de gelegenheid om binnen vier weken een advies daarover uit te brengen. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt die termijn met ten hoogste vier weken verlengd.

Ingevolge het derde lid van dit artikel volgt de minister in zijn besluit het advies van burgemeester en wethouders, behoudens de mogelijkheid tot afwijking van een voor de huurder negatief advies in uitzonderlijke gevallen.

2.2. Aan het besluit van 15 april 2005, dat is gehandhaafd bij besluit van 14 december 2005, ligt een advies van burgemeester en wethouders van Uden van 7 april 2005 ten grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de herziening en terugvordering van de huursubsidie niet heeft mogen baseren op dit advies, omdat daarin onvoldoende is ingegaan op de vraag of betrokkenen op het tijdstip dat de huur van de woning aan de [locatie] te [plaats] inging, te weten in oktober 2004, het gebruik hadden kunnen krijgen of behouden van een andere woning die beter paste bij hun economische en persoonlijke omstandigheden. Volgens de rechtbank hebben burgemeester en wethouders een te beperkt onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie van betrokkenen en naar de passendheid van hun voormalige woningen.

2.3. De minister bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat aan de conclusie dat elk van de voormalige woningen van betrokkenen passend was voor drie personen, zowel financieel als qua grootte, onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt, en dat de beslissing op bezwaar om die reden in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen bestaat geen grond, aldus de minister. Hij voert daartoe aan dat met de twee regelmatige bezoekers geen rekening hoefde te worden gehouden, nu zij niet op het adres van betrokkenen stonden ingeschreven.

2.3.1. Niet in geschil is dat de huur van de woning aan de [locatie] te [plaats] boven de aftoppingsgrens lag en dat de minister derhalve gehouden was burgemeester en wethouders om advies te vragen. Uit het derde lid van artikel 12 van de Hsw volgt dat de minister een negatief advies moet volgen, behoudens bijzondere omstandigheden. De afwezigheid van dergelijke omstandigheden is in hoger beroep niet in geschil. Enkel is in geschil of het advies van burgemeester en wethouders voldoet aan de rechtens daaraan te stellen eisen, zodat het moest worden gevolgd.

Burgemeester en wethouders hebben de minister geadviseerd geen huursubsidie toe te kennen omdat elk van de eigen woningen van betrokkenen passend was voor drie personen, financieel en qua grootte. Vaststaat dat de voormalige woningen van betrokkenen bestonden uit twee zogenoemde 55-plus appartementen met elk twee slaapkamers en een huurprijs van elk € 450,00. In het advies is onder meer uitgegaan van het gegeven dat betrokkenen beiden een passende woning hadden die zij niet hoefden op te geven. Door betrokkenen is niet betwist dat één van de voormalige woningen behouden had kunnen worden. Volgens het advies is elk van de voormalige woningen van betrokkenen groot genoeg als woonadres voor betrokkenen en hun gezamenlijk kind. In hoger beroep is komen vast te staan dat twee regelmatige bezoekers - de minderjarige zoons van betrokkene [wederpartij B] - éénmaal in de twee weken een weekend verblijven bij betrokkenen, aangevuld met onregelmatige bezoeken zonder overnachtingen, en dat zij staan ingeschreven op het adres van hun moeder en aldaar ook hun vaste verblijfplaats hebben. Gelet hierop heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de minderjarige zoons van betrokkene [wederpartij B] hun hoofdverblijf elders hebben. Met hun verblijf bij betrokkenen behoefde dan ook geen rekening te worden gehouden bij het beoordelen van de passendheid van de woning. Voorts behoefde met het inmiddels in februari 2006 geboren tweede gezamenlijke kind van betrokkenen geen rekening te worden gehouden, nu op het tijdstip dat de huur van de woning aan de [locatie] te [plaats] in oktober 2004 inging dit kind nog niet werd verwacht.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat te beperkt onderzoek is verricht naar de feitelijke woonsituatie van betrokkenen en de vraag in hoeverre de voormalige woningen voor hen passend waren.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 december 2005 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 januari 2007 in zaak no. AWB 06/398;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Können

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

301-440.