Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200702369/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200601976/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 26 oktober 2005 in zaak nrs. 05/942 GEMWT VV en 05/943 GEMWT bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702369/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007 in zaak nr. 200601976/1.

 

 

1.    Procesverloop

Bij uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200601976/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 26 oktober 2005 in zaak nrs. 05/942 GEMWT VV en 05/943 GEMWT bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2007 heeft verzoekster de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) een reactie gegeven op dat verzoek.

Bij brief van 9 augustus 2007 heeft verzoekster een nadere reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 3 september 2007. Verzoekster, het college en [belanghebbende] zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2007 overwogen dat uit de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 oktober 2004 in zaak nr. 03/2109 niet blijkt dat de rechtbank verzoekster over het aan die uitspraak ten grondslag liggende beroep heeft geïnformeerd, maar dat zijdens verzoekster ter zitting in hoger beroep is verklaard dat zij door de rechtbank over de zaak is bericht en van het verloop van de procedure op de hoogte is gehouden. Voorts heeft de Afdeling daarin overwogen dat de rechtbank de uitspraak van 20 oktober 2004 ook aan verzoekster heeft toegezonden.

2.2.1.    Verzoekster betoogt dat deze overwegingen berusten op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat zij nooit voor de zitting bij de rechtbank is uitgenodigd, niet op de hoogte is gehouden van het verloop van de procedure en ook de uitspraak van 20 oktober 2004 niet toegezonden heeft gekregen.

2.2.2.    Volgens het desbetreffende proces-verbaal is de gang van zaken met betrekking tot voormelde uitspraak van de rechtbank Breda van 20 oktober 2004 ter zitting bij de Afdeling aan de orde gesteld. Feiten en omstandigheden die verzoekster vóór de uitspraak van de Afdeling niet bekend waren, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, heeft zij niet gesteld.

   Het betoog van verzoekster komt erop neer dat zij het niet met de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007 eens is. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er evenwel niet toe om een geschil waarin is beslist naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.      

2.3.    De conclusie is dat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat    

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

218-530.