Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200705586/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder nadere eisen gesteld als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de [horeca-inrichting], gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200705586/1.

Datum uitspraak: 14 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft verweerder nadere eisen gesteld als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de [horeca-inrichting], gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. G.A. Schimmel, advocaat te Woerden, en verweerder, vertegenwoordigd door A.J.A. Buijs, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voor zover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

   In voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat het equivalente geluidniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 4.1.4 van de bijlage van het Besluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, teneinde te bereiken dat aan voorschrift 1.1.1 wordt voldaan nadere eisen stellen ten aanzien van  het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting, de periode van openstelling van de gehele inrichting of het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van de inrichting van verzoekers de volgende nadere eisen gesteld:

- sluiting voor bezoekers in de avond- en nachtperiode (19.00 - 07.00 uur);

- verbod op het ten gehore brengen van muziek in het bedrijf in de avond- en nachtperiode (19.00 - 07.00 uur);

- een verbod op live muziek in het bedrijf;

- een geluidsbegrenzer afgesteld op 66 dB(A) op de in het bedrijf aanwezige geluidsapparatuur;

- het gesloten houden van deuren en ramen tijdens het gehore brengen van muziek.

2.3.    De Voorzitter stelt gezien het verhandelde ter zitting vast dat het belang van het verzoek vooral in de eerste twee nadere eisen is gelegen; de sluiting en het verbod op muziek in de avond- en nachtperiode.

2.3.1.    Verzoekers betogen dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat in het kader van geluidreductie minder vergaande maatregelen mogelijk zijn dan sluiting van hun bedrijf gedurende de avond- en nachtperiode. Ook de maatregel dat in die periode de geluidsinstallatie uitgeschakeld moet worden gehouden, achten verzoekers disproportioneel. Daarbij wordt opgemerkt dat ook kan worden voldaan aan voorschrift 1.1.1 van het Besluit, indien de geluidsinstallatie binnen de inrichting zachter wordt gezet. Bovendien wordt gewerkt aan de voorbereiding van een aantal geluidsisolerende maatregelen, aldus verzoekers.

2.3.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder een, in opdacht van verzoekers, opgesteld akoestisch rapport van Peutz betrokken. Uit dat rapport blijkt dat, teneinde te kunnen voldoen aan de geluidnormen als opgenomen in voorschrift 1.1.1 van het Besluit, binnen de inrichting maximaal 66 dB(A), 61 dB(A) en 56 dB(A) aan geluid mag worden geproduceerd in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens dat rapport brengt evenwel achtergrondmuziek reeds een geluidniveau van 65 - 70 dB(A) met zich. Voorts is ter zitting voorshands aannemelijk geworden dat de noodzakelijke geluidsruimte voor de overige geluidsproductie vanwege de inrichting, waaronder het stemgeluid, evenzeer groter zal zijn dan wat ten hoogste toelaatbaar is. Voorshands acht de Voorzitter het dan ook aannemelijk dat zowel muziek als de overige activiteiten binnen de inrichting zullen leiden tot overschrijding van de geluidnormen voor de avond- en nachtperiode als opgenomen in het Besluit. De Voorzitter ziet gelet hierop en bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen geen grond voor de gevraagde schorsing.

2.4.    Het voorgaande in aanmerking genomen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Blok

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2007

428.