Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200608266/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2003 heeft de voorzitter van de Huurcommissie Amsterdam (hierna: de voorzitter) geweigerd aan het verzoek van appellante om openbaarmaking van de zittingslijsten van de Amsterdamse huurcommissie te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 374

Uitspraak

200608266/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Amsterdams Steunpunt Wonen", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1553 van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de voorzitter van de Huurcommissie Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2003 heeft de voorzitter van de Huurcommissie Amsterdam (hierna: de voorzitter) geweigerd aan het verzoek van appellante om openbaarmaking van de zittingslijsten van de Amsterdamse huurcommissie te voldoen.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de voorzitter het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2006, verzonden op 3 oktober 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 maart 2007 heeft de voorzitter van antwoord gediend.

Bij brief van 5 februari 2007 heeft appellante de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], coördinator van het huurteam Binnenstad, en de voorzitter, vertegenwoordigd door [plaatsvervangend voorzitter] bijgestaan door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Van de zijde van de Huurcommissie Amsterdam zijn stukken ingezonden. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling stelt vast dat zowel het besluit van 28 november 2003 waarbij het verzoek van appellante om openbaarmaking van de zittingslijsten van de Huurcommissie is afgewezen, als ook het bestreden besluit waarbij de afwijzing is gehandhaafd, door de voorzitter van de Huurcommissie is genomen.

   In de artikelen 4 en 5 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: de Uhw) zijn aan de Huurcommissie taken en bevoegdheden opgedragen ter zake van de huurprijs van woningen. Ten dele in afwijking daarvan voorziet artikel 6 van de Uhw in enige taken en bevoegdheden van de voorzitter van de Huurcommissie. Uit hetgeen bij of krachtens deze artikelen is bepaald, volgt niet dat de voorzitter bevoegd was op het verzoek van appellante te beslissen. Evenmin is gebleken van een mandaatregeling op grond waarvan de voorzitter de bevoegdheid heeft om namens de Huurcommissie dergelijke besluiten te nemen. Het besluit op het verzoek van appellante had daarom door de Huurcommissie zelf genomen moeten worden.

   Het hoger beroep is gelet hierop gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep van appellante alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.    

2.2.    Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven als de inhoud van dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Nu de Huurcommissie bij besluit van 16 juli 2007 de besluiten van de voorzitter heeft bekrachtigd, zal de Afdeling bezien of aanleiding bestaat toepassing te geven aan deze bepaling.

2.3.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

   Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…);

(e) de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…);

(g) het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.4.    Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de voorzitter de weigering om de zittingslijsten openbaar te maken gehandhaafd. De voorzitter heeft zich daarbij beroepen op de belangen van de op die lijsten vermelde procederende partijen bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gelet op de aard van de gegevens op de lijsten. Openbaarmaking van deze gegevens zou in voorkomende gevallen tevens kunnen leiden tot onevenredige benadeling van de op de lijsten vermelde huurders omdat een verhuurder via de gegevens op de lijsten kan achterhalen hoe vaak een huurder met een klacht voor de Huurcommissie is verschenen.

2.5.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de Huurcommissie redelijkerwijs het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de procederende partijen zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang bij openbaarmaking van de zittingslijsten. Appellante betoogt dat geen sprake is van een te beschermen belang als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wob, aangezien op grond van artikel 42 van de Uhw de adresgegevens beschikbaar zijn. Voorts is de bij de Huurcommissie levende zorg dat bij openbaarmaking van met name de adresgegevens databestanden zouden kunnen worden aangelegd, gezien de bewerkelijkheid daarvan, niet terecht, aldus appellante.

2.6.     De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van een door de voorzitter verstrekt exemplaar van een zittingslijst.

2.7.    Gelet op de aard van de gegevens die op een zittingslijst staan vermeld, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wob, waarop de Huurcommissie zich heeft beroepen aan de orde zijn. Op deze lijsten staan onder andere de namen, adressen en woonplaatsen van de procederende partijen vermeld. Deze gegevens moeten als strikt persoonlijke gegevens worden aangemerkt.

   Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat verstrekking van deze gegevens inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Tevens zal openbaarmaking van de zittingslijsten ertoe kunnen leiden dat die personen onevenredig worden benadeeld. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat aan het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang bij het voorkomen van onevenredige benadeling een zwaarder gewicht mocht worden toegekend dan aan het belang bij openbaarmaking van de zittingslijsten.

2.7.1.    Appellante heeft aangevoerd dat zij uitsluitend kennis wenst te nemen van de gevraagde gegevens om haar eigen cliënten op de hoogte te kunnen stellen van voor hen relevante zittingen. Dit betoog leidt niet tot een ander oordeel. Het recht op openbaarmaking op grond van de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering en komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon, de bedoeling of belangen van degene die om openbaarmaking verzoekt. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook uitsluitend betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen; niet het specifieke belang van de verzoeker.

   Appellante heeft ter zitting van de Afdeling bepleit dat uitsluitend de adresgegevens openbaar worden gemaakt. Ook in dat geval evenwel zijn de belangen als bedoeld in genoemd artikel in geding, reeds omdat niet valt uit te sluiten dat aan de hand van die adresgegevens de verdere persoonsgegevens van een betrokkene herleidbaar zijn. Derhalve mocht ook ten aanzien van de adresgegevens aan die belangen een zwaarder gewicht worden toegekend dan aan het belang bij openbaarmaking ervan.    

   Appellante heeft in dit verband nog gewezen op het op grond van artikel 42, tweede lid, van de Uhw door de secretaris van de Huurcommissie aan te houden openbare register. In dit register wordt wel het adres waarop een uitspraak van de Huurcommissie betrekking heeft, vermeld. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het opnemen van gegevens in dit register niet gelijk te stellen is aan het, voorafgaande aan de zittingen van de Huurcommissie, openbaar maken van die gegevens op grond van een verzoek daartoe ingevolge de Wob.

2.8.    Gelet op het vorenoverwogene zal de Afdeling bepalen dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2006 in zaak no. AWB 04/1553;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van voorzitter van de Huurcommissie Amsterdam van 19 februari 2004, kenmerk DGW/SHC2004015323;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (de Huurcommissie Amsterdam) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 695,00 (zegge: zeshonderdvijfennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Klein

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007.

176-384.