Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200700775/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) het boerderijcomplex aan het [locatie 1] te [plaats] en het boerderijcomplex aan de [locatie 2] te [plaats] aangewezen als beschermde gemeentelijke monumenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 13
Module Ruimtelijke ordening 2007/1590

Uitspraak

200700775/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/2149 en 06/2124 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van

Zevenhuizen-Moerkapelle.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) het boerderijcomplex aan het [locatie 1] te [plaats] en het boerderijcomplex aan de [locatie 2] te [plaats] aangewezen als beschermde gemeentelijke monumenten.

Bij besluiten van 14 november 2002 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke uitspraken van 18 december 2003, heeft de rechtbank

's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraken is overwogen.

Bij besluiten van 31 januari 2006, verzonden op 2 februari 2006, heeft het college, opnieuw beslissend, de door appellanten tegen de besluiten van

5 februari 2002 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2007, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. M.A. de Boer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand, en ir. A.M. de Vos, architect, en het college, vertegenwoordigd door A.J. la Soe, werkzaam bij de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, ten eerste, van de Monumentenverordening 1995 van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: de Verordening) verstaat de Verordening onder monument: alle zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening kan het college, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover hier van belang, geeft het college een beschikking over de aanwijzing van onroerende monumenten als gemeentelijke monumenten, nadat de monumentencommissie en de eigenaar zijn gehoord.

2.2.    Appellant 1 is eigenaar van het boerderijcomplex aan het [locatie 1] te [plaats]. Appellant 2 is eigenaar van het boerderijcomplex aan de [locatie 2] te [plaats]. Deze panden zijn door het college op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

2.3.    Appelanten komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat de monumentale waarde van de boerderijcomplexen voldoende is aangetoond. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de door hen ingebrachte tegenadviezen voldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Volgens appellanten heeft het college niet inzichtelijk gemaakt waarom er een groter gewicht moet worden toegekend aan de adviezen van de monumentencommissie dan aan de rapporten van de door hen geraadpleegde deskundige, ir. A.M. de Vos (hierna: De Vos).  

2.4.    Het college heeft de besluiten om de boerderijen op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen gebaseerd op de adviezen van de monumentencommissie van 31 januari 2002. Naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank van 18 december 2003 heeft het college de als deskundige tegenadviezen te beschouwen rapporten van De Vos ter beoordeling voorgelegd aan de monumentencommissie, welke zich heeft laten bijstaan door een externe deskundige. De monumentencommissie heeft de door haar opgestelde adviezen van 31 januari 2002 aan deze tegenadviezen getoetst. Uit de brieven van de monumentencommissie van

8 augustus 2005 blijkt dat de rapporten van De Vos haar geen aanleiding geven om terug te komen op de eerder door haar gegeven adviezen.

2.4.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de tegenadviezen van De Vos onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de adviezen van de monumentencommissie van 8 augustus 2005 niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of anderszins gebreken vertonen. Dat in de tegenadviezen een andere zienswijze over het belang en de waarde van de boerderijcomplexen is vervat, is hiervoor onvoldoende. Ook het feit dat de monumentencommissie niet elk punt van kritiek heeft weerlegd betekent niet dat het ten behoeve van de adviezen door de monumentencommissie verrichte onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het door het college ingenomen standpunt dat het er om gaat dat die argumenten die relevant zijn voor de waardering onderbouwd zijn weersproken, acht de Afdeling juist. Van een dergelijke onderbouwing is ook gebleken. Zo heeft de monumentencommissie in haar adviezen gemotiveerd waarom zij, anders dan De Vos, van mening is dat de boerderijcomplexen beeldbepalend zijn gelegen en vanwege de situering landschappelijke waarde hebben en waaruit de cultuur- en architectuurhistorische waarden van de boerderijen bestaan. Het standpunt van De Vos dat de gebouwen dusdanig zijn aangetast dat niet meer gesproken kan worden van gave of vrij gave gebouwen heeft de monumentencommissie eveneens onderbouwd weersproken. De wijzigingen die aan de onderhavige boerderijcomplexen zijn aangebracht zijn in de redengevende omschrijvingen vermeld en zijn door de extern deskundige bij zijn rapportage aan de monumentencommissie betrokken.

   Het college heeft voldoende aangegeven waarom het doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het advies van de monumentencommissie. Het college heeft zich daarbij op standpunt kunnen stellen dat de betrokken boerderijcomplexen niet geheel in originele staat hoeven te verkeren om voor aanwijzing als beschermd monument in aanmerking te komen en dat het feit dat hieraan in de loop der tijd wijzigingen zijn aangebracht onverlet laat dat er nog voldoende monumentwaardige aspecten aanwezig zijn die de aanwijzing als monument rechtvaardigen. Daarbij is niet zonder belang dat ook De Vos in zijn rapporten heeft vastgesteld en ter zitting heeft bevestigd dat de boerderijcomplexen monumentwaardige elementen bevatten. Gelet hierop heeft het college geen aanleiding behoeven te zien de adviezen nogmaals ter beoordeling voor te leggen aan een andere deskundige persoon of instantie. De rechtbank is eveneens tot die slotsom gekomen. Aan het gebrekkige van het college ter zitting moet de Afdeling voorbijgaan nu dat blijkens het vorenoverwogene aan de rechtmatigheid van de bestreden besluiten op bezwaar niet kan afdoen.

2.5.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de besluitvorming aan de vereisten van zorgvuldigheid voldoet. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. G.J. van Muijen en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink     w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

47-536.