Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200701344/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellanten bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van 42 respectievelijk 17 recreatiewoningen op de percelen Hoge Bergweg 16, respectievelijk Lage Bergweg 31 te Beekbergen (hierna: de percelen).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44
Woningwet 56
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/20
ABkort 2007/482

Uitspraak

200701344/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bospark Beekbergen B.V.", gevestigd te Beekbergen,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe B.V.", gevestigd te Beekbergen,

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/176 en 06/178 van de rechtbank Zutphen van 15 januari 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellanten bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van 42 respectievelijk 17 recreatiewoningen op de percelen Hoge Bergweg 16, respectievelijk Lage Bergweg 31 te Beekbergen (hierna: de percelen).

Bij afzonderlijke besluiten van 14 december 2005 heeft het college de door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2007, verzonden op 17 januari 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door appellanten daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij afzonderlijke brieven van 22 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Appellanten hebben de gronden van hun beroepen aangevuld bij afzonderlijke brieven van 20 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2007, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door C.T.J. van Baak, bijgestaan door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem die ook appellante sub 2 vertegenwoordigde, en het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge en G.N. Sloote, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Verblijfsrecreatiebedrijf".

   Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als zodanig aangegeven gronden bestemd voor het bedrijfsmatig bieden van recreatief verblijf aan personen - die elders hun hoofdverblijf hebben - in tot het bedrijf behorende recreatiewoningen, groepsaccommodaties en kampeermiddelen en op tot het bedrijf behorende verzorgende gebouwen ten dienste van die personen.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beoogd gebruik van de recreatiewoningen in strijd is met artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Appellanten voeren hiertoe aan dat het bedrijfsmatig karakter van het bieden van recreatief verblijf voldoende is verzekerd doordat bij de bouwaanvragen is aangegeven dat in de overeenkomst van verkoop aan derden een verhuurbepaling zal worden opgenomen, hetgeen betekent dat de recreatiewoningen tevens voor verhuur beschikbaar zullen zijn.

2.2.1.    In de bouwaanvragen en de begeleidende brief van 19 mei 2004 is aangegeven dat de te bouwen recreatiewoningen zo mogelijk aan derden zullen worden verkocht en dat in de verkoopovereenkomst een verhuurbepaling zal worden opgenomen. Voorts staat in deze brief dat appellanten nog steeds van mening zijn dat het college ook zonder het opnemen van een verhuurbepaling tot verlening van de bouwvergunning gehouden is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich, gelet op de enkele door appellanten uitgesproken intentie en de beperkte strekking daarvan die uit de bewoordingen van de brief van 19 mei 2004 kan worden afgeleid, op het standpunt heeft mogen stellen dat onvoldoende verzekerd is dat de te verkopen recreatiewoningen bedrijfsmatig zullen worden geëxploiteerd.

2.3.    Anders dan appellanten betogen heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in strijd met de Woningwet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 3:83, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het tot stand komen van een overeenkomst als voorwaarde voor het verlenen van bouwvergunningen is gesteld. Van een dergelijke eis is geen sprake. Appellanten dienden, gelet op het bestemmingsplan en eerder ingediende bouwaanvragen, buiten twijfel te stellen dat de recreatiewoningen bedrijfsmatig zouden worden geëxploiteerd teneinde een bouwvergunning te kunnen verlenen. Daarbij waren zij niet gehouden een overeenkomst te sluiten of aan kopers een verhuurplicht op te leggen, nu ook op andere wijze kan worden voorzien in de in het bestemmingsplan voorgeschreven bedrijfsmatige aanbieding van recreatief verblijf.

2.4.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat door het college toezeggingen zijn gedaan waaraan appellanten het in rechte te honoreren vertrouwen mochten ontlenen dat voor de bouwaanvragen zonder meer bouwvergunning zou worden verleend. De verwijzing naar een brief van het college van 1 augustus 2001, betrekking hebbend op een andere bouwaanvraag, en naar een rapport van 16 februari 2001 dat in het kader van het vooroverleg over die bouwaanvraag aan de gemeente zou zijn verzonden, is daarvoor onvoldoende.

2.5.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

429-543-270.