Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200701441/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten (hierna: het college) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel Mr. G. Vixseboxsestraat 10 en 10A te Holten (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200701441/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Buytenhof Planontwikkeling B.V., gevestigd te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/1134 van de rechtbank Almelo van 22 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten (hierna: het college) aan appellante vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel Mr. G. Vixseboxsestraat 10 en 10A te Holten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college de door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 22 december 2005 herzien (lees: herroepen) en alsnog vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel.

Bij uitspraak van 22 januari 2007, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door ing. J. Ligtenberg, bijgestaan door mr. drs. H. Witbreuk, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door M. Betten, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [2 belanghebbenden]

2.    Overwegingen

2.1.    In geschil is uitsluitend de door het college verrichte welstandstoets.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet dient het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd te zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Woningwet blijven de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet buiten toepassing, indien die leiden tot strijd met het bestemmingsplan of met de in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard.

   Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

   Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 12a van de Woningwet heeft de raad van de gemeente Rijssen-Holten een welstandsnota vastgesteld. Hierin is vermeld dat binnen een architectonische of stedenbouwkundige eenheid de vormgeving van een individueel gebouw afgestemd dient te worden op de vormgeving van de bebouwing in de omgeving. Hierbij zal speciaal gelet worden op schaal, maat, hoofdvorm, kapvorm en gevelindeling.

2.3.    Het bouwplan betreft het oprichten van twee vrijstaande woningen waarvan de nokrichting, anders dan de aan dezelfde straatzijde gelegen bungalows, loodrecht op de straat is geprojecteerd.

   Met betrekking tot het bouwplan hebben twee welstandscommissies een welstandsadvies uitgebracht. Het Oversticht heeft een gemotiveerd positief advies uitgebracht. Het Gelders Genootschap heeft een gemotiveerd negatief advies uitgebracht. Het college heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan het negatieve advies en heeft, onder verwijzing naar dit advies, de bouwvergunning in bezwaar alsnog geweigerd.

   Volgens het op de welstandsnota gebaseerde welstandsadvies van het Gelders Genootschap, samengevat weergegeven, wijkt het bouwplan door de combinatie van afwijkende frontbreedte, kapvorm, nokrichting en verdichting in de straat, sterk af van de bestaande bungalowachtige bebouwing, zonder dat daar vanuit functie of situering aanleiding voor lijkt te bestaan. De beoogde afstemming op de vormgeving van de bebouwing in de omgeving wordt ook niet bereikt door de afwijkende oriëntatie van de nokrichting ten opzichte van de belendingen te weten loodrecht op de weg in plaats van evenwijdig aan de weg, aldus het welstandadvies.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van zodanige inhoudelijke gebreken dat het college het welstandsadvies van het Gelders Genootschap niet aan zijn besluitvorming in bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens appellante heeft het negatieve welstandsoordeel tot gevolg dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt teniet worden gedaan hetgeen in strijd is met vaste jurisprudentie van de Afdeling.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 december 2006 in zaak no. 200601319/1, dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het bestemmingsplan is het wettelijke instrument waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, niet alleen aan gronden een bestemming wordt gegeven maar ook de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden bepaald. Uit het algemene karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dient te worden gehanteerd.

   Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren, zijn burgemeester en wethouders - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - vrijer in hun welstandsbeoordeling en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

   Met artikel 12, derde lid, van de Woningwet, dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, is beoogd aan te sluiten bij de in deze vaste jurisprudentie neergelegde voorrang van het bestemmingsplan.

   Het primaat van het bestemmingsplan gaat echter niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het ingediende bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter moet worden vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden geheel onmogelijk wordt gemaakt dienen de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven.

2.4.2.    De Afdeling stelt vast dat in het nu geldende bestemmingsplan is gekozen voor ruimere bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Tevens zijn gedetailleerde bebouwingsvoorschriften opgenomen. Artikel 3 van de planvoorschriften noemt uitdrukkelijk als mogelijkheid de bouw van vrijstaande woningen binnen het bebouwingsvlak waarvan het perceel deel uitmaakt. Voorts voldoet het bouwplan aan de voorgeschreven dakhelling en minimumbreedte van woonhuizen. Nu de bouw van vrijstaande woningen met de maatvoering zoals met het bouwplan voorzien, uitdrukkelijk in het bestemmingsplan mogelijk is gemaakt, kon daarin geen reden zijn gelegen voor de welstandscommissie het bouwplan in strijd te achten met de redelijke eisen van welstand. Het college had het welstandsadvies van het Gelders Genootschap dan ook niet aan zijn welstandsoordeel ten grondslag mogen leggen. De beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 september 2006 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 januari 2007 voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten van 19 september 2006, kenmerk 200600352;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Rijssen-Holten aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat gemeente Rijssen-Holten aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 703,00 (zegge: zevenhonderddrie euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

429-543-270.