Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200703323/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublin / Griekenland / UNHCR-rapport / geen schending verdragsverplichtingen

De in in § I.4 van het UNHCR-rapport vermelde informatie behelst geen concrete gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat Griekenland de op hem uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM rustende verplichtingen niet eerbiedigt. Ook elders in het UNHCR-rapport worden geen concrete schendingen van het refoulementverbod gesignaleerd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling door het beroep op dit UNHCR-rapport met concrete feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland jegens hem niet aan die verdragsverplichtingen zal voldoen.

Aan hetgeen de vreemdeling heeft verklaard tijdens het eerste en het nadere gehoor omtrent zijn detentie en de aanzegging om Griekenland te verlaten, kan in dit verband geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Deze omstandigheden, die door de vreemdeling naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een asielverzoek in te dienen, hebben zich voor de aanvaarding van de claim door Griekenland voorgedaan. Bovendien is in het claimakkoord uitdrukkelijk verklaard dat de vreemdeling desgewenst een asielverzoek kan indienen. Onder die omstandigheden bestaat er geen grond voor het oordeel dat de asielaanvraag na de overdracht van de vreemdeling desondanks niet inhoudelijk zal worden behandeld.

Het door de vreemdeling ter zitting gevoerde betoog dat de asielprocedure in Griekenland niet voldoet aan Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Publ. L 326/32) leidt niet tot een ander oordeel, nu de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.

Grief 1 slaagt derhalve.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/497

Uitspraak

200703323/1.

Datum uitspraak: 13 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/5275 en 07/5311 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 april 2007 in het geding tussen:

[vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft de Minister van Justitie een aanvraag van [vreemdeling] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de staatssecretaris) opnieuw op de aanvraag dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak no. 200702611/1, ter zitting behandeld op 19 juli 2007, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In zijn reactie betoogt de vreemdeling dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schriftelijke lastgeving van de Directeur van het Proces Procesvertegenwoordiging, [directeur], in opdracht is ondertekend en niet blijkt wie deze handtekening heeft geplaatst.

In artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de bijlage bij de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2005 (Stcrt. 2005, nr. 136, p. 9), zoals in werking getreden op 20 juli 2005, heeft het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor zover thans van belang, de senior procesvertegenwoordiger gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.

Nu de indiener van het hoger beroepschrift senior procesvertegenwoordiger is, faalt het betoog van de vreemdeling.

2.2. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Blijkens onderdeel C1/2.4.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daarbij wordt verwezen naar de nrs. 2 en 15 van de preambule van de Verordening. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Daarbij ligt het op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of het EVRM wordt weerlegd. Dit is slechts mogelijk wanneer de asielzoeker in het verantwoordelijke land is uitgeprocedeerd.

2.3. De aanvraag van de vreemdeling is afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de asielaanvraag. Hierbij is in aanmerking genomen dat Griekenland op 11 januari 2007 op de voet van artikel 17, eerste lid, van de Verordening om overname van de vreemdeling is verzocht en Griekenland bij brief van 29 januari 2007 heeft meegedeeld het overnameverzoek op grond van artikel 10, eerste lid, van de Verordening te aanvaarden.

2.4. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de vreemdeling, met de informatie uit in § I.4 van het rapport "UNHCR Position on Important Aspects of Refugee protection in Greece" van de United Nations High Commissioner for Refugees van november 2004 (hierna: het UNHCR-rapport), zodanige algemene inlichtingen heeft gegeven en concrete, op de zaak betrokken feiten en omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk gemaakt, dat de staatssecretaris niet zonder meer heeft kunnen volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter onderbouwing van de stelling dat Griekenland het beginsel van non-refoulement eerbiedigt, heeft miskend dat de aangehaalde statistische gegevens niets zeggen over de vraag of in het desbetreffende Dublinland de verschillende verdragsverplichtingen worden nageleefd.

Voorts betoogt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter, door in zijn oordeel te betrekken dat niet is betwist dat de vreemdeling in detentie heeft gezeten en hem is aangezegd Griekenland te verlaten, miskent dat het claimakkoord van 29 januari 2007 dateert van na die tijd. Nu de vreemdeling niet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland voormelde internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen, reeds omdat in casu sprake is van het nog niet hebben doorlopen van een asielprocedure, acht de staatssecretaris zich niet gehouden toepassing aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening te geven. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft de staatssecretaris verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2005 in de zaken nos. 200506323/1 en 200505554/1 (AB 2006, 104).

2.5. De voorzieningenrechter heeft zijn oordeel gebaseerd op de volgende in in § I.4 van het UNHCR-rapport vermelde gegevens:

In 2002 werd in Griekenland 0,3% van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,0% ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); in alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroegen die percentages in 2001 onderscheidenlijk 11,2 en 22,4%; in 2003 werd in Griekenland 0,06% van alle asielzoekers als Verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 0,6% ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen); in alle lidstaten van de Europese Gemeenschap gezamenlijk bedroeg het percentage ingewilligde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van een verblijfsvergunning om humanitaire redenen) in 2003 21%; in de eerste zes maanden van 2004 werd in Griekenland 0,3% van alle asielzoekers als verdragsvluchteling erkend; in totaal werd van alle aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning 1,07% ingewilligd (inclusief erkenning als verdragsvluchteling en verlening van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen).

In aansluiting daarop heeft de voorzieningenrechter verwezen naar het in navolgende in voormelde paragraaf opgenomen tekstgedeelte:

"These results are to a large extent due to the fact that all decisions taken by the Ministry of Public Order at first instance are negative, whereas in the second instance positive recommendations made by the refugee appeals board are often not followed by the Minister. Furthermore, persons who according to international principles as well as the Greek national law (Presidential Decree no. 61/99) should be granted complementary protection (humanitarian status), such as persons who would be at serious risk of torture, inhuman or degrading treatment or generalised violence in a conflict situation, are generally denied this protection".

2.5.1.De Afdeling verstaat de bestreden overweging in de aangevallen uitspraak aldus dat, in het licht van voormelde gegevens bezien in samenhang met de in het weergegeven citaat getrokken conclusies, de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling alleen had mogen afwijzen indien hij met nadere gegevens aannemelijk had gemaakt dat niettemin kan worden vastgehouden aan de presumptie, dat Griekenland zich aan vorenbedoelde verdragsverplichtingen zal houden.

2.5.2.Voor zover de staatssecretaris heeft betoogd dat het in voormeld onderdeel C1/2.4.2.2 van de Vc 2000 neergelegde vereiste dat de asielzoeker in de verantwoordelijke lidstaat uitgeprocedeerd moet zijn, aan beoordeling van de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden in de weg staat, wordt overwogen dat de staatssecretaris dit vereiste niet zonder meer kan hanteren in die gevallen waarin de desbetreffende asielzoeker aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk maakt dat aan de asielprocedure in een lidstaat zodanige gebreken kleven, dat moet worden geconcludeerd dat ten aanzien van een asielzoeker niet kan worden onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico's loopt indien hij naar het land van herkomst moet terugkeren, en daarom het risico bestaat dat de lidstaat zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen.

2.5.3. In de toelichting op de grief heeft de staatssecretaris voorts betoogd dat een verschil in percentage inwilligingen bij een gelijk aantal asielaanvragen tussen twee Dublinlanden op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat het land met het laagste percentage inwilligingen niet in overeenstemming zou handelen met zijn verdragsverplichtingen, aangezien de oorzaken van een laag percentage inwilligingen van asielaanvragen in een land divers kunnen zijn. In het geval van Griekenland kan bijvoorbeeld van belang zijn dat het land op grond van zijn geografische ligging als een toegangspoort tot West-Europa kan worden gezien door asielzoekers afkomstig uit het Midden-Oosten. Die asielzoekers reizen Griekenland in met het oogmerk door te reizen naar andere Dublinlanden. Dit betekent dat, als zij een asielaanvraag in Griekenland indienen, zij zo spoedig als mogelijk zullen doorreizen, hetgeen een afwijzing van hun asielaanvraag tot gevolg heeft.

2.5.4. De in in § I.4 van het UNHCR-rapport vermelde informatie behelst geen concrete gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat Griekenland de op hem uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM rustende verplichtingen niet eerbiedigt. Ook elders in het UNHCR-rapport worden geen concrete schendingen van het refoulementverbod gesignaleerd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling door het beroep op dit UNHCR-rapport met concrete feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland jegens hem niet aan die verdragsverplichtingen zal voldoen.

Aan hetgeen de vreemdeling heeft verklaard tijdens het eerste en het nadere gehoor omtrent zijn detentie en de aanzegging om Griekenland te verlaten, kan in dit verband geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Deze omstandigheden, die door de vreemdeling naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een asielverzoek in te dienen, hebben zich vóór de aanvaarding van de claim door Griekenland voorgedaan. Bovendien is in het claimakkoord uitdrukkelijk verklaard dat de vreemdeling desgewenst een asielverzoek kan indienen. Onder die omstandigheden bestaat er geen grond voor het oordeel dat de asielaanvraag na de overdracht van de vreemdeling desondanks niet inhoudelijk zal worden behandeld.

Het door de vreemdeling ter zitting gevoerde betoog dat de asielprocedure in Griekenland niet voldoet aan Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Publ. L 326/32) leidt niet tot een ander oordeel, nu de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.

Grief 1 slaagt derhalve.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Grief 2 mist zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 5 februari 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op het hiervoor overwogene nog bespreking behoeven.

2.6.1. De vreemdeling heeft betoogd dat hij het risico loopt op refoulement indien hij aan Griekenland wordt overgedragen, omdat gebleken is dat aan de Griekse asielprocedure diverse gebreken kleven. In dit kader heeft hij gewezen op een tiental uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage (nevenzittingsplaats Zwolle) en een aantal stukken, te weten:

- het UNHCR-rapport;

- het rapport "Amnesty International's concerns at the 56th session of the Executive Committee of the United nations High

Commissioner for Refugees" van Amnesty International van 1 oktober 2005;

- het rapport "Greece, Out of the spotlight - the rights of foreigners and minorities are still a grey area" van Amnesty International van oktober 2005;

- de brief van de Greek Council for Refugees van 19 november 2004;

- het "Report on the application of the Dublin II regulation in Europe" van the European Council on Refugees and Exiles van maart 2006, en

- de analyse "Refugees: without home, without hope" van Joanna Sotirhou.

2.6.2. Voor zover het betoog ziet op in het UNHCR-rapport gesignaleerde knelpunten in de Griekse asielprocedure die hiervoor nog niet aan de orde zijn gekomen, faalt dit evenzeer. Uit dat rapport blijkt dat de UNHCR onder meer haar zorg heeft geuit over de algemene toegankelijkheid van de asielprocedure (§ I.1) en de mogelijkheden tot het verkrijgen van rechtsbijstand en rechtsbescherming (§ I.3 respectievelijk I.5), en in dat kader een aantal verbeteringen heeft voorgesteld. Bedoelde opmerkingen zijn evenwel van algemene strekking en voorts niet van dien aard, dat moet worden geconcludeerd dat aan de asielprocedure zodanige gebreken kleven, dat ten aanzien van de vreemdeling niet kan worden onderzocht en vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt indien hij naar het land van herkomst moet terugkeren, en daarom het risico bestaat dat Griekenland zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens hem niet zal nakomen.

2.6.3. Met betrekking tot het rapport "Greece, Out of the spotlight - the rights of foreigners and minorities are still a grey area" van Amnesty International van oktober 2005 wordt overwogen dat dit rapport wel concrete gegevens bevat. De gevallen die zijn genoemd in § 1.5 "Cases illustrative of the above cited concerns", zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant, nu die incidenten hun oorzaak vinden in de de toepassing van de zogeheten “interruption-procedure” en die procedure in het geval van de vreemdeling niet aan de orde is geweest, omdat hij in Griekenland geen asielaanvraag heeft ingediend. Verder is in voormeld rapport onder § 1.4 "Access to the application procedure", een beschrijving gegeven van een viertal situaties, waarin asielzoekers problemen bij het indienen van een asielaanvraag zouden hebben ondervonden. Die gevallen vormen geen onderbouwing van het standpunt van de vreemdeling dat er geen waarborg bestaat dat zijn aanvraag in behandeling zal worden genomen, nu niet is gebleken dat in genoemde gevallen sprake is geweest van een overdrachtssituatie, zoals in het geval van de vreemdeling. Daar komt bij dat Griekenland in het geval van de vreemdeling bij de aanvaarding van de claim uitdrukkelijk heeft verklaard dat de vreemdeling in de gelegenheid zal worden gesteld om na aankomst in Griekenland desgewenst een asielaanvraag in te dienen.

Het rapport "Amnesty International’s concerns at the 56th session of the Executive Committee of the United Nations High Commissioner for Refugees" van Amnesty International van 1 oktober 2005 bevat op dit punt geen andere informatie.

2.6.4. Nu de overige in 2.6.1 vermelde stukken geen concrete gegevens bevatten als hiervoor in 2.2 bedoeld moet worden geconcludeerd dat het inleidende beroep ongegrond is.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 april 2007 in zaak no. AWB 07/5275;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2007

393-474.

Verzonden: 13 september 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak