Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200702094/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veendam (hierna: het college) een aanvraag van appellant om een gehandicaptenparkeerkaart, type bestuurderskaart, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702094/1.

Datum uitspraak: 19 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1448 van de rechtbank Groningen van 15 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veendam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veendam (hierna: het college) een aanvraag van appellant om een gehandicaptenparkeerkaart, type bestuurderskaart, afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door J. Burema, en het college, vertegenwoordigd door H.J.J. Thier en L. Flap-Westerhof, werkzaam bij de gemeente Veendam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door de raad van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de regeling), kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

2.2.    Het betoog van appellant in hoger beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat er geen grond is voor het oordeel dat het college het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op het GGD-advies van 26 mei 2005 en de twee aanvullende indicatieadviezen van 18 augustus 2005 en 7 september 2005. Appellant stelt, samengevat weergegeven, dat de keuring door de GGD-arts niet op een menswaardige wijze heeft plaatsgevonden, nu er ten onrechte van is afgezien hem lichamelijk te onderzoeken. In dit verband wijst hij op de Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst (hierna: de richtlijnen).

2.2.1.    Indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, mag het bestuursorgaan dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

2.2.2.    In de richtlijnen, voor zover thans van belang, is het volgende vermeld:

   "Onder een medische keuring wordt verstaan: het door een arts - veelal in opdracht van een derde - verzamelen van informatie over de gezondheidstoestand van een individu door het stellen van vragen en verrichten van onderzoek bij het individu, eventueel aangevuld met het inwinnen van nadere informatie bij diens behandelend arts(-en). De aard en de omvang van de in het kader van een medische keuring te verzamelen informatie moet worden gerelateerd aan het doel van de keuring. […] Het verzamelen van meer gegevens dan strikt genomen nodig is voor het doel van de keuring vormt een inbreuk op de privacy van de keurling. […] De arts die een opdracht tot keuring aanneemt dient zich zorgvuldig te oriënteren op het doel van de gevraagde keuring en de daarmee samenhangende aard en omvang van de over de gezondheidstoestand van de keurling te verzamelen informatie. […] De keurend arts heeft een eigen verantwoordelijkheid om bij de uitvoering van de verkregen opdracht binnen de grenzen te blijven die op grond van professionele en maatschappelijke eisen aan (de aard en omvang van) keuringen worden gesteld."

Uit het samenstel van voormelde passages uit de richtlijnen volgt dat de aard en omvang van het medisch onderzoek worden bepaald door het doel van de keuring, alsmede door de daaraan te stellen professionele en maatschappelijke eisen. Hieruit volgt niet dat een medisch onderzoek te allen tijde een onderzoek aan het lichaam dient te omvatten.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraken van 16 december 1994 in zaak no. G03.93.0687 (AB 1995/150) en 27 juni 2001 in zaak no. 200100012/1 (aangehecht ter voorlichting van partijen), is onderzoek aan het lichaam niet een verplicht onderdeel van een medisch onderzoek ten behoeve van de beslissing op een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart. Wel dienen de bevindingen van de geneeskundige zonder zo'n onderzoek op andere wijze afdoende te zijn onderbouwd.

   Het college heeft het besluit op bezwaar doen steunen op het medisch advies van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst Groningen (hierna: de GGD) van 26 mei 2005. In dit advies is vermeld dat door de keurend arts inlichtingen zijn ingewonnen bij de fysiotherapeut bij wie appellant onder behandeling staat en dat informatie uit het medisch dossier van appellant is geraadpleegd. Voorts is vermeld dat het medisch dossier van appellant nog voldoende actueel is. Uit dit advies komt naar voren dat er geen objectiveerbare medische gronden zijn om aan te nemen dat appellant niet in staat is om meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en dat het voor hem goed is om in beweging te blijven. In reactie op een verzoek van de commissie voor bezwaarschriften en klachten die aan het college heeft geadviseerd over het bezwaarschrift van appellant, zijn door de keurend arts van de GGD op 18 augustus 2005 en 7 september 2005 twee aanvullende indicatieadviezen uitgebracht. De aanvullende adviezen zijn tot stand gekomen na bestudering van het ten aanzien van appellant in 2004 opgestelde GGD-advies en na raadpleging van de arts die hem destijds heeft gekeurd. In deze adviezen is uiteengezet dat in 2004 is geadviseerd om appellant een gehandicaptenparkeerkaart te verlenen vanwege een destijds recentelijk bij appellant opgetreden, nog niet uitbehandelde heupaandoening. De al vele jaren bij appellant aanwezige, niet-objectiveerbare problematiek van het bewegingsstelsel was daarvoor niet de aanleiding. Tot slot blijkt uit het advies van 7 september 2005 dat de arts die appellant in 2004 heeft gekeurd zich kan vinden in het negatieve advies van 26 mei 2005. Niet valt in te zien dat de adviezen aldus, in onderlinge samenhang bezien, niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld. Voorts bevat hetgeen appellant aanvoert geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college het besluit op bezwaar daarop niet heeft mogen baseren.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Können

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2007

301-546.