Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
200703538/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning asiel / afwijzing verlenging verblijfsvergunning asiel / bewijslast / aannemelijkheid intrekkingsgrond / nieuw toetsingsmoment

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 december 2004 in zaak no. 200406434/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, op de weg van de minister aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door de minister aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.

Deze bewijslastverdeling is ook van toepassing indien sprake is van afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een aan de desbetreffende vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Nu de vreemdeling een nieuwe aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning heeft ingediend, was er voor de minister een nieuw toetsingsmoment ontstaan om te onderzoeken of de vreemdeling aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur voldeed. De minister was dan ook niet gehouden om in het besluit van 19 augustus 2005 te motiveren wat de aanleiding vormde de taalanalyse te laten uitvoeren. Voorts is er geen grond voor het oordeel dat de minister in strijd met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel heeft gehandeld omdat de vreemdeling aan de eerdere verlenging dan wel het opgetreden tijdsverloop niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat een door hem onjuiste opgave hem niet meer kan worden tegengeworpen. Het betoog faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/476
Ars Aequi RV20070012 met annotatie van T. de Munnik

Uitspraak

200703538/1.

Datum uitspraak: 12 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/42458 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 april 2007 in het geding tussen:

[De vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Voorts heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel ingetrokken met terugwerkende kracht tot 11 februari 1999. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat bij een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de bewijslast met betrekking tot het verstrekken van onjuiste gegevens als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) geheel bij de staatssecretaris ligt en dat hij onomstotelijk moet aantonen dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris aldus miskend dat het weliswaar op zijn weg ligt aannemelijk te maken dat de in dat artikelonderdeel opgenomen grond voor afwijzing van evenvermelde aanvraag zich voordoet, maar dat het, indien hij hieraan heeft voldaan, vervolgens aan de vreemdeling is het door hem geleverde bewijs te weerleggen.

2.1.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning zouden hebben geleid.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 december 2004 in zaak no. 200406434/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, op de weg van de minister aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door de minister aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.

Deze bewijslastverdeling is ook van toepassing indien sprake is van afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een aan de desbetreffende vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.1.3. De minister heeft op 15 oktober 2003 een taalanalyse laten uitvoeren. De conclusie van deze taalanalyse luidt dat de vreemdeling eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Soedan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 juli 2004 in zaak no. 200401127/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), kan een vreemdeling de conclusies van de taalanalyses inzake zijn herkomst weerleggen door het laten verrichten van een contra expertise. De desbetreffende vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat de minister een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan.

De vreemdeling heeft geen contra expertise laten verrichten. Hij heeft slechts kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse geplaatst. De vreemdeling is er aldus niet in geslaagd het door de minister geleverde bewijs te weerleggen. Met de taalanalyse heeft de minister dan ook aannemelijk gemaakt dat de vreemdeling inzake zijn herkomst onjuiste gegevens heeft verstrekt. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.1. Bij besluit van 22 april 1999 heeft de staatssecretaris de vreemdeling met ingang van 11 februari 1999 tot 11 februari 2000 een vergunning tot verblijf verleend. Bij besluit van 22 augustus 2000 heeft de staatssecretaris op aanvraag van de vreemdeling de geldigheidsduur van die vergunning tot 11 februari 2001 verlengd. Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning afgewezen.

2.2.2. Anders dan de vreemdeling in beroep heeft betoogd, is er, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1. is weergegeven, geen grond voor het oordeel dat sprake is van een aan hem verleende vergunning voor onbepaalde tijd, zodat dit betoog faalt.

2.2.3. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning wederom verlengd zou worden en dat het in strijd is met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel om eerst drieënhalf jaar na zijn aanvraag om hem een vergunning te verlenen een taalanalyse te laten uitvoeren. Bovendien heeft de minister ten onrechte niet gemotiveerd wat de aanleiding daarvoor vormde, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus de vreemdeling.

2.2.4. Nu de vreemdeling een nieuwe aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning heeft ingediend, was er voor de minister een nieuw toetsingsmoment ontstaan om te onderzoeken of de vreemdeling aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur voldeed. De minister was dan ook niet gehouden om in het besluit van 19 augustus 2005 te motiveren wat de aanleiding vormde de taalanalyse te laten uitvoeren. Voorts is er geen grond voor het oordeel dat de minister in strijd met het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel heeft gehandeld omdat de vreemdeling aan de eerdere verlenging dan wel het opgetreden tijdsverloop niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat een door hem onjuiste opgave hem niet meer kan worden tegengeworpen. Het betoog faalt.

2.2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.3. Gelet op het bovenstaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 april 2007 in zaak no. AWB 05/42458;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

Voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007

395.

Verzonden: 12 september 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak