Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
12-09-2007
Zaaknummer
200607377/1 tot en met 200607428/1, 200609174/1 tot en met 200609176/1, 200609178/1, 200609180/1, 20
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 24 augustus 2006, 31 augustus 2006, 16 november 2006 en 21 februari 2007 hebben verweerders ten aanzien van zestig in die besluiten genoemde supermarkten van appellanten in de Amsterdamse stadsdelen Centrum, Westerpark, Oud-West, Zeeburg, Bos en Lommer, De Baarsjes, Noord, Osdorp, Slotervaart, Zuidoost, Oost/Watergraafsmeer, Oud Zuid en Zuideramstel, nadere eisen gesteld op grond van het Besluit Detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit).

Wetsverwijzingen
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/608
JOM 2007/783
BR 2007/245
M en R 2008, 28
AB 2008, 160

Uitspraak

200607377/1 tot en met 200607428/1, 200609174/1 tot en met 200609176/1, 200609178/1, 200609180/1, 200609181/1, 200702366/1 en 200702367/1

Datum uitspraak: 12 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    "Albert Heijn B.V.", gevestigd te Zaandam,

2.    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

    "Aldi Zaandam B.V.", gevestigd te Zaandam, en "Aldi Vastgoed B.V.",

    gevestigd te Culemborg,

3.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    "Dekamarkt Zaanstreek B.V.", gevestigd te Beverwijk,

appellanten,

en

de dagelijkse besturen van de Amsterdamse stadsdelen Centrum, Westerpark, Oud-West, Zeeburg, Bos en Lommer, De Baarsjes, Noord, Osdorp, Slotervaart, Zuidoost, Oost/Watergraafsmeer, Oud Zuid en Zuideramstel,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 24 augustus 2006, 31 augustus 2006, 16 november 2006 en 21 februari 2007 hebben verweerders ten aanzien van zestig in die besluiten genoemde supermarkten van appellanten in de Amsterdamse stadsdelen Centrum, Westerpark, Oud-West, Zeeburg, Bos en Lommer, De Baarsjes, Noord, Osdorp, Slotervaart, Zuidoost, Oost/Watergraafsmeer, Oud Zuid en Zuideramstel, nadere eisen gesteld op grond van het Besluit Detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit).

Tegen de besluiten van 24 en 31 augustus 2006, waarin nadere eisen zijn gesteld ten aanzien van 52 Albert Heijn supermarkten, heeft appellante sub 1 bij brief van 5 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen diezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 november 2006.

Tegen de besluiten van 16 november 2006, waarin nadere eisen zijn gesteld ten aanzien van zes Aldi supermarkten, hebben appellanten sub 2 bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen 20 december 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2007.

Tegen de besluiten van 21 februari 2007, waarin nadere eisen zijn gesteld ten aanzien van twee DekaMarkt supermarkten, heeft appellante sub 3 bij brief van 30 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen 3 april 2007, beroep ingesteld.

Bij ongedateerde brief, ingekomen op 27 december 2006, en brieven van 6 juni 2007, hebben verweerders verweerschriften ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft op 5 april 2007 een deskundigenbericht uitgebracht in de zaken 200607377/1 tot en met 200607428/1, waarin beroep is ingesteld door appellante sub 1. Het deskundigenbericht is toegevoegd aan de zaken waarin beroep is ingesteld door appellanten sub 2 en 3. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op het deskundigenbericht te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2007, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, ing. E.N. Verzeide, werkzaam bij Verbeek ingenieurs, ir. S.M. van der Sluis, werkzaam bij TNO, en [gemachtigde], werkzaam bij appellante, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.J. Braxhoven, advocaat te Utrecht, [gemachtigden], beiden werkzaam bij appellanten sub 2, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. L.W. Oost Lievense, ing. P.O.M. Teunissen, beiden ambtenaren van de gemeente Amsterdam, mr. H.A. Warmenhoven, G. Bakkum, beiden ambtenaren van de Milieudienst IJmond, ing. E. Steenmeijer en ing. N.C. Sijpheer, werkzaam bij het Energieonderzoek Centrum Nederland (hierna: ECN), zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In de bestreden besluiten zijn ingevolge de voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 van bijlage 2 bij het Besluit ten aanzien van de zestig desbetreffende supermarkten bij nadere eis één of meer energiebesparende maatregelen of voorzieningen opgelegd. De nadere eisen hebben betrekking op de volgende onderwerpen: dagafdekking en nachtafdekking van koel- en vriesmeubelen, hoogfrequent verlichting, condensordruk, deurcontactschakelaar in koel- en vriescellen, isolatie van leidingen en appendages, tijdschakelaar boilers, keteltemperatuur en reclameverlichting. De bestreden besluiten gaan ervan uit dat elke supermarkt afzonderlijk moet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van het Besluit. Dit is niet bestreden door de desbetreffende appellanten. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen en gaat daarvan uit in het navolgende.

Wettelijk kader

2.2.    Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer.

   In artikel 8.42, eerste lid, van die wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 de verplichting kan worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen.

       Onder bevoegd gezag wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit verstaan: het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2, zijnde hier het bestuur van de (deel-)gemeente waarin de inrichting is gelegen.

   Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit volgt dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen voorschriften omtrent energie, voor zover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

   Bijlage 2 bij het Besluit bevat ten aanzien van het onderwerp energie de hierna aangegeven voorschriften.

   Voorschrift 1.2.1 bepaalt dat indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas, degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die er toe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

   Ingevolge voorschrift 1.2.2 worden in een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 die energiebesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

   Ingevolge voorschrift 4.2.1 kan het bevoegd gezag een nadere eis stellen met betrekking tot te treffen rendabele maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.2.2.

   Ingevolge voorschrift 4.2.2 kan een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1, geen verplichting inhouden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen en faciliteiten, en meer dan drie jaar voor processen.

Algemeen

2.3.    Niet bestreden is dat de supermarkten elk een energieverbruik hebben dat in enig kalenderjaar meer bedroeg dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas. Het betreft derhalve inrichtingen waarop de hiervoor aangehaalde voorschriften van toepassing zijn.

Beschikbaarheid energiebesparingsplannen

2.4.    Appellante sub 1 voert aan dat bij een aantal supermarkten die tot haar concern behoren geen energiebesparingsplan is opgevraagd. Verder stelt zij dat in een aantal andere gevallen de op verzoek van verweerders  toegezonden energiebesparingsplannen verouderd zijn. Zij stelt dat verweerders zich daardoor wat die supermarkten betreft geen goed beeld hebben kunnen vormen van de maatregelen of voorzieningen die daar zijn of zullen worden getroffen.

2.4.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

   Anders dan verweerders stellen heeft dit beroepsonderdeel van appellante sub 1 betrekking op een besluitonderdeel waarover een zienswijze naar voren is gebracht. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.4.2.    Verweerders erkennen dat door een administratieve fout niet van alle betrokken supermarkten van appellante sub 1 een energiebesparingsplan is gevraagd en dat zij van die supermarkten ook geen energiebesparingsplan hebben ontvangen.

   Verweerders stellen voorts dat appellante sub 1 verantwoordelijk is voor de inhoud van de energiebesparingsplannen. Indien deze verouderd zijn, had zij later alsnog een actueel energiebesparingsplan moeten indienen.

2.4.3.    De Afdeling overweegt dat in de voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 van Bijlage 2 van het Besluit en in de toelichting tot uitdrukking is gebracht dat op de drijver van een inrichting een zorgplicht rust om zo zuinig mogelijk om te gaan met energie als redelijkerwijs mogelijk is. De verantwoordelijkheid en het initiatief voor en het maken van keuzes bij het treffen van energiebesparende maatregelen en voorzieningen ligt in de eerste plaats bij de inrichting. Naar het oordeel van de Afdeling is het bevoegd gezag gehouden bij de drijver van de inrichting de gegevens over voorgenomen energiebesparende maatregelen als bedoeld in voorschrift 1.2.1 op te vragen alvorens voor de inrichting nadere eisen op grond van voorschrift 4.2.1 kunnen worden gesteld. Gelet op de opzet van het stelsel waarvan deze voorschriften deel uitmaken, verdraagt het zich niet met de eerderbedoelde  verantwoordelijkheid dat nadere eisen op grond van voorschrift 4.2.1 worden gesteld zonder dat het bevoegd gezag daaraan voorafgaand de gegevens over door de drijver van de inrichting voorgenomen energiebesparende maatregelen als bedoeld in voorschrift 1.2.1 heeft opgevraagd, behalve in het geval de drijver deze gegevens eigener beweging aan het bevoegd gezag heeft verschaft, al dan niet met het oog op het uitoefenen van de hier in het geding zijnde bevoegdheid.

   Vaststaat dat een aantal supermarkten van appellante sub 1 geen verzoek om een energiebesparingsplan in te dienen heeft ontvangen. De in dit verband door appellante sub 1 aangegeven lijst met een opsomming van die supermarkten is op zichzelf niet weersproken en de stukken bieden geen aanknopingspunt om niet van die lijst uit te gaan. Vaststaat tevens dat verweerders de desbetreffende plannen en gegevens niet eigener beweging van of vanwege deze supermarkten heeft ontvangen. Wat betreft de omstandigheid dat verweerders beschikten over een energiebesparingsplan op concernniveau, overweegt de Afdeling dat het energiebesparingsplan op concernniveau het totale energieverbruik beschrijft en de mogelijkheden tot energiebesparing en de planning daarvan aangeeft. Dit plan bevat bovendien geen op elke afzonderlijke inrichting toegesneden informatie over de stand van zaken en geplande veranderingen in de betrokken supermarkten. Dat verweerders bij elke supermarkt de situatie ter plaatse hebben bezien en dat zij ook buiten de desbetreffende supermarkten om informatie hebben ingewonnen over de desbetreffende supermarkt, neemt niet weg dat de aldus verkregen informatie niet gelijkgesteld kan worden met de in voorschrift 1.2.1 bedoelde informatie over door de inrichting uiteindelijk in het kader van een energiebesparingsplan voorgenomen energiebesparende maatregelen.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de desbetreffende verweerders niet bevoegd waren om voor de supermarkten op de hieronder genoemde locaties te besluiten tot het stellen van nadere eisen over het energiegebruik als bedoeld in voorschrift 4.2.1.

   Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen gegrond zijn voor zover het betreft de besluiten van 24 augustus 2006 met de kenmerken U06/4092 DMB 2005, locatie Eerste Van Swindenstraat 91 (200607413/1), U06/4109 DMB 2005, locatie Helmholtzstraat 63 (200607414/1), U06/4156 DMB 2005, locatie Krugerplein 3 (200607415/1), U06/4119 DMB 2005, locatie Linnaeusstraat 40 H (200607416/1), V06/4190 DMB 2005, locatie Amstelveenseweg 186 H (200607417/1), V06/4090 DMB 2005, locatie Van Baerlestraat 33 A (200607418/1), V06/4087 DMB 2005, locatie Gerrit Van Der Veenstraat 57 (200607420/1), V06/4139 DMB 2005, locatie Van Woustraat 148 1 (200607424/1), en D06/4129 DMB 2005, locatie Overtoom 116 H (200607396/1), en de besluiten van 31 augustus 2006 met de kenmerken C06/4104 DMB 2005, locatie Frederik Hendrikstraat 81 (200607391/1), en C06/4154 DMB 2005, locatie Spaarndammerstraat 73 H (200607393/1). De desbetreffende besluiten dienen te worden vernietigd.

2.4.4.    Met betrekking tot de omstandigheid dat in een aantal gevallen een verouderd energiebesparingsplan is ingediend, is de Afdeling van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van appellante sub 1 is om voor de tot haar concern behorende supermarkten desgevraagd energiebesparingsplannen in te dienen die de stand van zaken weergeven. Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

Afdekking koel- en vriesmeubelen

2.5.    Ten aanzien van de supermarkten zijn nadere eisen gesteld die verplichten tot het afdekken van de aanwezige koel- en vriesmeubelen (hierna in de rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.4.17: de nadere eisen). De nadere eisen luiden:

Dagafdekking

a.    Minimaal 90% van het totaal aantal binnen de inrichting aanwezige strekkende centimeters vriesmeubelen moet uiterlijk 31 december 2009 van een doelmatige dagafdekking zijn voorzien.

b.    De binnen de inrichting aanwezige verticale koelmeubelen moeten uiterlijk 31 december 2009 zijn voorzien van een doelmatige dagafdekking.

c.    Sub b is niet van toepassing indien het totaal aantal binnen de inrichting aanwezige strekkende centimeters koelmeubelen voor meer dan 90 % uit verticale koelmeubelen bestaat. In die gevallen geldt dat ten minste 90 % van het totaal binnen de inrichting aanwezige strekkende centimeters koelmeubelen van een doelmatige dagafdekking moet worden voorzien.

d.    Bij het bepalen van het aantal strekkende centimeters vriesmeubelen en verticale koelmeubelen dat op grond van sub a en c niet van dagafdekking wordt voorzien, kan het aantal centimeters dat is vrijgesteld naar boven worden afgerond naar de standaard deurmaat of een veelvoud daarvan.

e.    De dagafdekking mag alleen kortstondig worden geopend voor het beladen van het meubel, het uitnemen van de producten en voor schoonmaak en onderhoud van het meubel.

f.    De dagafdekking moet in goede staat van onderhoud zijn.

Nachtafdekking

a.    Koel- en vriesmeubelen waar geen permanente dagafdekking aanwezig is, moeten uiterlijk 31 december 2009 zijn voorzien van een doelmatige nachtafdekking.

b.    Buiten de openingstijden voor het publiek moeten de koel- en vriesmeubelen met deze nachtafdekking meteen worden gesloten.

c.    Buiten de openingstijden mag de nachtafdekking alleen worden geopend bij het beladen van het meubel, voor schoonmaak en onderhoud;

d.    de nachtafdekking moet in goede staat van onderhoud zijn.

Standpunt appellanten inzake afdekking koel- en vriesmeubelen

2.5.1.    Appellanten betogen dat de bevoegdheid van verweerders om nadere eisen te stellen niet zover kan strekken dat alle supermarktfilialen in Amsterdam op grond van globale en onvolledige branchegegevens worden verplicht hun koel- en vriesmeubelen permanent af te dekken. Volgens hen is ten onrechte geen rekening gehouden met de feiten en omstandigheden van de afzonderlijke inrichtingen en de variaties in de energieprestaties van de verschillende koel- en vriesmeubelen. Met name zijn verweerders bij het toepassen van het begrip terugverdientijd in voorschrift 4.2.2 volgens hen ten onrechte uitgegaan van gemiddelden van de kosten en besparingen van het afdekken in de hele branche, waardoor ten onrechte is aangenomen dat in alle gevallen de terugverdientijd minder is dan vijf jaar. Volgens hen komt het toepassen van nadere eisen op die wijze feitelijk neer op het stellen van algemene regels, hetgeen zich volgens hen niet verdraagt met de essentie van een nadere eis, waarover in de toelichting op het Besluit staat "(…) dat ze terughoudend en afgewogen moeten worden toegepast en uitsluitend in die gevallen, waarin de lokale omstandigheden een specifieke benadering noodzakelijk maken" (p. 32). Volgens appellanten ontbreekt de noodzaak daartoe en biedt de energiesituatie binnen hun inrichtingen in Amsterdam geen rechtvaardiging om hier strengere eisen te stellen dan elders in het land en leiden deze nadere eisen slechts tot concurrentievervalsing.

2.5.2.    Daarnaast voeren appellanten aan dat over het onderwerp energiebesparing geen nadere eisen mogen worden gesteld aan hun supermarktfilialen omdat zij zijn aangesloten bij de Meerjarenafspraak over het verbeteren van de energie-efficiency in de supermarktsector (hierna: MJA-1). Als wordt voldaan aan de verplichtingen uit MJA-1 moet volgens hen worden aangenomen dat wordt voldaan aan voorschrift 1.2.1 van bijlage 2 bij het Besluit en er geen nadere eisen mogen worden gesteld. Volgens hen volgt dat uit de circulaire Energie in de Milieuvergunning van de minister van Economische Zaken van 1999, waarin hierover staat dat "AMvB-bedrijven die aan een MJA deelnemen aan de zorgplicht uit de AMvB voldoen, indien ze een toetredingsbrief kunnen overleggen en een brief van Novem, waaruit blijkt dat het energieplan en de monitoring aan de eisen van de betreffende MJA-1 voldoen" (p. 10). Verder kunnen de volgens verweerders teleurstellende voortgangsrapportages van Novem over de uitvoering van MJA-1 door de gehele branche niet alleen worden afgewend op hun inrichtingen in Amsterdam. Volgens hen maken verweerders dan ook misbruik van hun bevoegdheid door langs de weg van het stellen van nadere eisen alsnog af te dwingen wat hen in het kader van het overleg over de tweede meerjarenafspraak energie-efficiency (hierna: MJA-2) tot dusverre niet is gelukt.

2.5.3.    Appellanten stellen vervolgens dat het afdekken van verticale koelmeubelen geen algemeen aanvaarde maatregel is die tot de stand der techniek behoort. Zij verwijzen hiertoe naar de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit, waarin staat "(…) dat de informatiebladen van Infomil, waarin de stand der techniek betreffende energiebesparing is weergeven, als leidraad kunnen dienen bij de concretisering van als nadere eis te stellen maatregelen en voorzieningen" (p. 57). Volgens hen zijn afgedekte verticale koelmeubelen als zodanig ook niet op de markt verkrijgbaar en zijn sommige koelmeubelen technisch gezien zelfs ongeschikt om te kunnen worden afgedekt. Door het afdekken wordt volgens hen ook een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op hun winkelformule, op grond waarvan alle supermarktenbedrijven zich onderling van elkaar onderscheiden. Zij achten de termijn waarbinnen de maatregelen moeten worden uitgevoerd te kort en stellen dat die in ieder geval meer zou moeten bedragen dan vijf jaar.

2.5.4.    Appellanten stellen voorts dat de terugverdientijd van het afdekken van de koel- en vriesmeubelen voor elk van de tot hun concern behorende supermarkten (veel) langer is dan vijf jaar. Zij stellen zich op het standpunt dat verweerders bij hun berekeningen allerlei van belang zijnde aspecten buiten beschouwing hebben gelaten of te gunstig hebben voorgesteld en onjuiste aannames en gegevens hebben gehanteerd over de energieprijzen, aanschafkosten, besparingen en de winkeltemperatuur. Volgens hen is onder meer miskend dat dagafdekking leidt tot een forse toename van de onderhouds- en schoonmaakkosten, een vermindering van de effectieve verkoopruimte en een aanzienlijke afname van de impulsaankopen. Ook is ten onrechte aangenomen dat de energie-investeringsaftrek (EIA) ook in het vervolg van toepassing blijft op dagafdekking en is ten onrechte geen rekening gehouden met het investeringsritme, op grond waarvan volgens hen per filiaal had moeten worden aangesloten bij de afschrijvingsmomenten en de natuurlijke vervangingsmomenten. Zij verwijzen voor de technische en de financiële onderbouwing van hun standpunten naar de verschillende rapportages hierover die door TNO zijn uitgebracht.

Standpunt verweerders inzake afdekking koel- en vriesmeubelen

2.5.5.    Volgens verweerders konden zij deze nadere eisen voor elk van de supermarkten stellen, omdat het afdekken van koel- en vriesmeubelen een rendabele energiebesparende maatregel is waarvan de terugverdientijd minder is dan vijf jaar. Volgens hen leidt deze maatregel tot een aanzienlijke energiebesparing, aangezien volgens gegevens over de branche van het energiegebruik van een supermarktfiliaal ongeveer 60 % voor rekening komt van de koeling. Verweerders hebben in hun besluiten aangegeven, dat 10 % van de meubelen niet behoeft te worden afgedekt. Hieraan ligt ten grondslag het bestaande gebruik van zogeheten roll-in meubelen voor bepaalde producten. Hierbij brengt dagafdekking het risico van beschadiging van het meubel met zich. Verder is rekening gehouden met acties gericht op impulsaankopen van gekoelde producten.

2.5.6.    Verweerders hebben hun opvatting over de terugverdientijd van het afdekken van koel- en vriesmeubelen in eerste instantie gebaseerd op het rapport "energiebesparing buiten verbouwing om" van Van Beek Ingenieurs in opdracht van SenterNovem van 13 januari 2003. In dat rapport is berekend dat de terugverdientijd van dagafdekking 3,38 jaar is. Hierbij is als terugverdientijd aangemerkt de investering gedeeld door de financiële besparing per jaar. In de zienswijzen die appellante sub 1 tegen de ontwerpbesluiten hebben ingebracht is onder verwijzing naar het in opdracht van appellante sub 1 opgestelde rapport "Rentabiliteit dagafdekking op verticale koelmeubelen in Albert Heijn supermarkten" van TNO van februari 2006 aangevoerd dat de terugverdientijd veel langer is dan vijf jaar. Verweerders hebben in de bestreden besluiten uiteengezet waarom de aannames van TNO volgens hen niet representatief zijn. Omdat het rapport van SenterNovem uit 2003 volgens hen uitging van op dat moment inmiddels achterhaalde prijzen en daarin geen terugverdientijd staat voor horizontale koelmeubelen, hebben zij ECN opdracht gegegeven om nader onderzoek te doen naar de terugverdientijd, waarbij in het bijzonder is gevraagd aandacht te besteden aan het energiegebruik van het koelmeubel, de energieprijs, en de prijs van afdekking. Volgens dit onderzoek van ECN, "Onderzoek haalbaarheid dagafdekking koel- en vrieskasten in supermarkten" van juli 2006 is de terugverdientijd 2,9 jaar voor verticale koelmeubelen met een marge van 0,9 jaar en voor horizontale vriesmeubelen ongeveer 2,4 jaar.

   Wat betreft nachtafdekking gaan verweerders, gelet op het onderzoek van ECN, uit van een terugverdientijd van tussen de 1,8 en 4,1 jaar.

   Aan de hand van al de door hen opgevraagde en verzamelde gegevens over de desbetreffende supermarktfilialen zijn verweerders er bij de bestreden besluiten van uitgegaan, dat de terugverdientijd van het afdekken in elk van die gevallen minder is dan vijf jaar.

2.5.7.    De koel- en vriesmeubelen moeten uiterlijk 31 december 2009 zijn voorzien van afdekking. Na deze datum dient ingevolge de EG Verordening 2037/2000 de productie van het in koel- en vriesmeubelen veel gebruikte R22 te worden beëindigd. Bij het stellen van de termijn waarop de nadere eisen moeten zijn uitgevoerd, hebben verweerders er ook rekening mee gehouden dat de supermarkten binnen het kader van het concern waartoe zij behoren tijd nodig hebben om een weloverwogen keuze te maken over de wijze van uitvoering van de afdekking en om een aanvaardbare prijs te bedingen. Verder biedt de termijn de supermarkten de mogelijkheid om de uitvoering van de maatregel op eventuele andere investeringen af te stemmen.

Beoordelingskader nadere eisen afdekking koel- en vriesmeubelen

2.5.8.    Allereerst dient te worden vastgesteld of en in hoeverre afdekking van koel- en vriesmeubelen een rendabele maatregel is met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerders - gegeven de individuele omstandigheden van de supermarkten - van hun bevoegdheid nadere eisen te stellen in redelijkheid gebruik hebben gemaakt.

Terugverdientijd

2.5.9.    In het deskundigenbericht is wat de terugverdientijd betreft met name bezien welke gegevens verweerders hebben gehanteerd en waarop de verschillen in de uitkomsten tussen de onderzoeken van SenterNovem en ECN enerzijds en TNO anderzijds zijn gebaseerd. Daarbij is met name ingegaan op de investeringskosten, de besparingen, het energieverbruik, de stookkosten, kosten voor onderhoud en omzetverlies door ruimtebeslag, kapitaalverschaffing en de mogelijkheden van subsidie. Aan de hand daarvan is door de StAB geconcludeerd dat verweerders bij het bepalen van de terugverdientijd zijn uitgegaan van representatieve gegevens en aannames op brancheniveau betreffende de kosten en de besparingen van het afdekken van koel- en vriesmeubelen en dat de terugverdientijd voor het afdekken korter is dan vijf jaar. Dat is ook geconcludeerd voor het type koel- en vriesmeubelen in de supermarkten van appellante sub 1. In hetgeen naar aanleiding van het deskundigenbericht door appellanten in de nadere stukken en ter zitting naar voren is gebracht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders zijn uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens en dat de conclusies van het deskundigenbericht dienaangaande niet gevolgd kunnen worden.

   Ook wat betreft de nachtafdekking ziet de Afdeling in de beperkte gegevens die appellanten in dit verband hebben aangevoerd, geen grond om ervan uit te gaan dat verweerders zich dienaangaande hebben gebaseerd op onjuiste en onvolledige gegevens.

   Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders niet ten onrechte zijn uitgegaan van een terugverdientijd voor zowel dag- als nachtafdekking van minder dan vijf jaar.

Rentabiliteit

2.5.10.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerders wat betreft de thans nog ter beoordeling staande besluiten de supermarkten hebben verzocht een bedrijfsenergieplan in te dienen waarin overeenkomstig voorschrift 1.2.1 van bijlage 2 bij het Besluit is aangegeven welke maatregelen of voorzieningen zijn of zullen worden getroffen die ertoe bijdragen dat in de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is. Daarbij hebben zij toegestaan dat de per supermarkt vereiste gegevens ook door appellanten konden worden verstrekt, met dien verstande dat daaruit moest blijken welke maatregelen op welke locatie werden genomen en op welk moment. Aan de hand van die energieplannen, de bedrijfsinventarisaties en de bedrijfscontroles hebben zij per supermarkt beoordeeld of de koel- en vriesmeubelen permanent zijn afgedekt en in hoeverre maatregelen ten aanzien van dagafdekking konden worden getroffen. Op grond daarvan hebben verweerders voor elk van de betrokken supermarkten in hun stadsdeel afzonderlijk een ontwerp-besluit opgesteld. Dat inhoud en opzet van de ontwerp-besluiten en de bestreden besluiten wat betreft afdekking van koel- en vriesmeubelen grotendeels identiek zijn, neemt niet weg dat verweerders voor iedere supermarkt hebben beoordeeld in hoeverre er relevante feiten of omstandigheden zijn, die van invloed kunnen zijn op de rentabiliteit. Niet aannemelijk is geworden dat de drijvers van inrichtingen dan wel appellanten daarbij onvoldoende gelegenheid is geboden om voor iedere inrichting de daarvoor relevante gegevens te verstrekken en toe te lichten. De Afdeling neemt op grond daarvan aan dat de desbetreffende verweerder voor de onder zijn jurisdictie vallende supermarkten heeft beoordeeld of het afdekken van koel- en vriesmeubelen als een rendabele maatregel kan worden aangemerkt.

2.5.11.    In de toelichting op artikel 5, eerste lid, van het Besluit is aangegeven dat "(...) dat bij het stellen van een nadere eis van belang is te weten wat de stand van de kennis of wetenschap is bij vergelijkbare bedrijven met als uitgangspunt de algemeen aanvaarde kennisdocumenten, handboeken, factsheets over specifieke onderwerpen of brancheboeken" (p. 57). Anders dan appellanten stellen strekt dit er niet toe dat inzake het afdekken van koel- en vriesmeubelen geen nadere eis zou kunnen worden gesteld indien die maatregel niet als zodanig in de informatiebladen van Infomil is vermeld. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het afdekken van dergelijke meubelen een relatief eenvoudige maatregel is die een aanmerkelijke besparing van het energiegebruik oplevert en die op beperkte schaal thans reeds binnen de supermarktbranche wordt toegepast. In de regeling energie-investeringsaftrek is het afdekken van koelmeubelen en horizontale vriesmeubelen tijdens verkoopuren bovendien opgenomen als maatregel die in aanmerking komt voor een fiscale aftrek. Bovendien mag 10 % van de meubelen onafgedekt blijven, zodat in die gevallen waar dat nodig of wenselijk wordt geacht, afdekking achterwege kan blijven. Appellanten hebben niet met feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de maatregel afdekking leidt tot blijvend omzetverlies in de betrokken supermarkten dan wel een wezenlijke beperking inhoudt van de winkelformules. Voorts hebben appellanten de stelling, die er op neerkomt dat door verschillen in het investeringsritme niet voor alle supermarkten geldt dat het afdekken van de meubelen voor 31 december 2009 rendabel is, niet per inrichting met concrete feiten of omstandigheden gestaafd.

2.5.12.    Op grond van het vorenstaande is de Afdeling van oordeel, dat verweerders zich niet ten onrechte op het standpunt hebben gesteld, dat voor de desbetreffende supermarkten het afdekken van koel- en vriesmeubelen als nadere eis kan worden aangemerkt als een rendabele maatregel met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar.

Redelijkheid van het toepassen van de bevoegdheid

2.5.13.    Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerders in redelijkheid gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid. Het bevoegd gezag komt bij de beantwoording van de vraag of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om nadere eisen te stellen beleidsvrijheid toe, op grond waarvan verschillen tussen (deel)gemeenten mogelijk zijn. De enkele omstandigheid dat buiten het gebied waar verweerders bevoegd zijn, voor zover bekend, in het algemeen (nog) geen nadere eisen ten aanzien van afdekking worden gesteld, betekent niet dat verweerders in redelijkheid hun bevoegdheid niet kunnen gebruiken. Ook uit de toelichting op het Besluit is niet af te leiden dat de bevoegdheid om nadere eisen te stellen omtrent rendabele energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar slechts in uitzonderlijke gevallen zou mogen worden toegepast, omdat zo'n opvatting afbreuk zou doen aan de zorgplicht om een zodanig zuinig gebruik van energie te maken als redelijkerwijs mogelijk is.

2.5.14.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld, dat hun mogelijkheden tot het stellen van nadere eisen over energieverbruik niet worden beperkt door de MJA-1. De Afdeling stelt vast dat MJA-1 een afspraak is tussen de minister van Economische Zaken, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel en een aantal daarbij aangesloten bedrijven waaronder appellanten. Verweerders zijn bij die afspraak geen partij. De Afdeling is niet gebleken dat verweerders zich op enigerlei wijze aan deze afspraak hebben gebonden. Wat betreft MJA-2 is weliswaar gebleken dat de gemeente Amsterdam tot deze afspraak is toegetreden, maar ten tijde van het bestreden besluit waren de sector supermarkten noch appellanten noch andere (groepen van) bedrijven uit de sector toegetreden tot deze afspraak, zodat ten opzichte van MJA-1 geen sprake is van nieuwe afspraken voor de sector supermarkten. De omstandigheid dat verweerders in het kader van MJA-2 zich hebben ingezet voor landelijke afspraken over afdekking van koel- en vriesmeubelen, wat daar ook van zij, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet, dat zij niet in redelijkheid gebruik konden maken van hun bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Het betoog van appellanten over MJA-1 en MJA-2 treft geen doel.

2.5.15.    De termijn voor het aanpassen van koel- en vriesmeubelen eindigt in alle gevallen op 31 december 2009. Op die datum dient ingevolge EG Verordening 2037/2000 de productie van het in koel- en vriesmeubelen veel gebruikte R22 te worden beëindigd, hetgeen in beginsel gevolgen heeft voor de werking van koel- en vriesmeubelen. Voor het stellen van een termijn waarbinnen moet worden voldaan aan een nadere eis is het uitgangspunt dat deze niet langer is dan nodig om de nadere eis te kunnen uitvoeren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, dat verweerders op grond van onder meer de door appellanten verstrekte energie- en bedrijfsgegevens en onderzoek ter plaatse voor iedere inrichting zijn nagegaan welke nadere eisen mogelijk zijn en binnen welke termijn. Op grond van de bij de vijf grootste leveranciers van koeltechnische apparatuur gevraagde offertes en navraag hebben verweerders aannemelijk gemaakt, dat het een maatregel betreft die de supermarkten binnen afzienbare termijn kunnen uitvoeren. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, biedt geen grond om ervan uit te gaan dat er ten aanzien van één of meer supermarkten bijzondere omstandigheden zijn waardoor de termijn te kort is. Voorts is de termijn zodanig lang, dat appellanten desgewenst gefaseerd maatregelen kunnen treffen.

Conclusie

2.5.16.    Concluderend ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders voor de desbetreffende supermarkten niet in redelijkheid gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid door deze nadere eisen te stellen omtrent het afdekken van koel- en vriesmeubelen.

2.5.17.    Wat deze nadere eisen betreft zijn de beroepen, behoudens voor zover hiervoor bij de beschikbaarheid van de energiebesparingsplannen is aangegeven, ongegrond.

Hoogfrequent verlichting

2.6.    De in dit verband gestelde nadere eis luidt:

De in de inrichting aanwezige conventionele tl-verlichting wordt vervangen door hoogfrequent verlichting. De verlichting wordt uiterlijk uitgevoerd op 31 december 2009.

2.6.1.    Appellanten voeren in dit verband aan dat het vervangen van de armaturen een langere terugverdientijd heeft dan vijf jaar, dat aanpassing van de armaturen niet overal mogelijk is, dat hoogfrequent verlichting niet overal kan worden toegepast en dat sommige van hun supermarkten al aan de nadere eis voldoen.

2.6.2.    De Afdeling stelt vast dat deze nadere eis alleen betrekking heeft op het vervangen van conventionele tl-verlichting en niet verplicht tot het vervangen van de armaturen. Op grond van het deskundigenbericht neemt de Afdeling aan dat zo'n aanpassing uitvoerbaar is en de terugverdientijd daarvan minder is dan vijf jaar. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

   Voor de supermarkt van appellanten sub 2 aan de Baarsjesweg 269 te Amsterdam heeft verweerder in de overwegingen van zijn besluit van 16 november 2006 vermeld dat bij hercontrole van de inrichting is gebleken dat hoogfrequente verlichting aanwezig is en de nadere eis daarom op dit punt wordt aangepast. Die aanpassing heeft echter niet plaatsgevonden. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en dient wat deze nadere eis betreft te worden vernietigd (zaaknr 200609175/1). Weliswaar is door de overige appellanten gesteld dat er ten tijde van het nemen van het besluit meer supermarkten waren waar hoogfrequente verlichting aanwezig was en het stellen van een nadere eis reeds daarom niet nodig was, doch niet is concreet aangegeven om welke inrichtingen het gaat, zodat die stelling geen doel treft.

Deurcontactschakelaar in koel- en vriescellen

2.7.    De nadere eis luidt:

De verlichting van de koel- en vriescellen moet worden uitgeschakeld bij het sluiten van de deur door middel van een deurcontactschakelaar. De ventilator van de verdamper van de vriescel moet bij het openen van de deur worden uitgeschakeld met behulp van een deurcontactschakelaar. De schakelaar moet uiterlijk 31 maart 2007 zijn geplaatst. Indien de vriesinstallatie is voorzien van Adap-kool met signalering van een open deur of een gelijkwaardig systeem, dan kan worden afgezien van het uitschakelen van de ventilator.

2.7.1.    Tegen deze voorziening heeft appellante sub 3 aangevoerd dat het aanbrengen van een deurcontactschakelaar het praktisch onmogelijk maakt om werkzaamheden met gesloten deur te verrichten in de koelcel, aangezien er dan geen licht is.

2.7.2.    Volgens verweerders is aan dit bezwaar tegemoet te komen door de plaatsing van een deurcontactschakelaar met bewegingsdetectie, waardoor bij gesloten deur het licht in een cel aanblijft zolang daarin werkzaamheden worden uitgevoerd.

2.7.3.    De Afdeling ziet in het standpunt van verweerders redenen om aan te nemen dat deze maatregel zonder praktische belemmeringen kan worden uitgevoerd en redelijkerwijs kan worden verlangd. De beroepen zijn op dit punt ongegrond.

Condensordruk

2.8.    De nadere eis luidt:

De koelinstallatie wordt voorzien van een regeling die zorgt dat het temperatuurverschil over de condensor ten opzichte van de buitentemperatuur niet meer bedraagt dan 15 0C of een regeling op de laagst mogelijke waarde in relatie tot de buitentemperatuur. De regeling moet uiterlijk 31 maart 2007 zijn aangebracht.

2.8.1.    Appellanten sub 1 en 3 voeren aan dat de terugverdientijd van deze voorziening ongeveer tien jaar is en dat deze nadere eis daarom niet mag worden gesteld. Appellanten sub 2 voeren aan dat vijf van hun vestigingen al aan deze eis voldeden vanwege het daar toegepaste Wurm-systeem.

2.8.2.    Volgens verweerders gaan appellanten sub 1 en 3 er ten onrechte van uit dat de bestaande installatie moet worden vervangen en kan aan de nadere eis ook worden voldaan door aanpassingen aan de condensor, waarvan de terugverdientijd minder is dan vijf jaar.

2.8.3.    De Afdeling gaat er op grond van het deskundigenbericht van uit dat met aanpassing van de bestaande condensor kan worden voldaan aan deze nadere eis en dat de terugverdientijd daarvan minder is dan vijf jaar. De beroepen van appellanten sub 1 en 3 zijn op dit onderdeel ongegrond.

2.8.4.    De Afdeling stelt vast dat appellanten sub 2 als zienswijze tegen het ontwerp-besluit hebben ingebracht dat door middel van het in hun vestigingen aanwezige Wurm-systeem al wordt voldaan aan deze nadere eis. In de besluiten van 16 november 2006 wordt dit bevestigd voor de vestigingen Baarsjesweg 269, Admiraal De Ruyterweg 56 A, Gaaspstraat 41 H, Bolestein 41 en Nieuwe Weteringstraat 24. Niet is gemotiveerd waarom ten aanzien van deze supermarkten toch nadere eisen zijn gesteld. De besluiten van 16 november 2006 berusten in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuurrecht niet op een deugdelijke motivering. De besluiten van 16 november 2006 met kenmerken J06/4095 DMB 2005, locatie Baarsjesweg 269 (200609175/1), J06/4187 DMB 2007, locatie Admiraal De Ruijterweg 56 A (200609176/1), W06/4105 DMB 2005, locatie Gaaspstraat 41 H (200609178/1), W06/4256 DMB 2005, locatie Bolestein 41 (200609180/1), en A06/4151 DMB 2005, locatie Nieuwe Weteringstraat 24 (200609181/1), dienen wat deze nadere eis betreft te worden vernietigd.

Isolatie leidingen en appendages

2.9.    De nadere eis luidt:

De leidingen en appendages van de cv-, koel- en vriesinstallaties moeten worden geïsoleerd. In uitzondering hierop mag isolatie van de koelleidingen met een temperatuur hoger dan de ruimtetemperatuur achterwege blijven, maar alleen indien de ruimte waar deze leidingen lopen niet is voorzien van een ruimtekoeling. De isolatie moet uiterlijk 31 maart 2007 zijn aangebracht. Isolatie van cv-leidingen is niet van toepassing voor zover de leidingen door verwarmde ruimten lopen.

2.9.1.    Appellante sub 3 voert aan dat haar vestiging IJdoornlaan 601 te Amsterdam altijd al voldeed aan deze nadere eis.

2.9.2.    Volgens het verweerschrift is bij een bedrijfscontrole op 7 juli 2005 vastgesteld dat niet volledig aan deze nadere eis werd voldaan en is ook niet aannemelijk geworden dat daaraan sindsdien wel is voldaan.

2.9.3.    De Afdeling stelt vast dat volgens het ontwerp van deze nadere eis alle leidingen dienden te worden geisoleerd, ongeacht de ruimtetemperatuur. Appellante sub 3 heeft daartegen als zienswijze ingebracht - kort gezegd - dat ten behoeve van de energiebesparing juist niet alle leidingen geïsoleerd moeten worden. Het ontwerpbesluit is in die zin aangepast door rekening te houden met de ruimtetemperatuur. Daarom kan worden aangenomen dat bij de bedrijfscontrole, die is uitgevoerd voordat het ontwerp is opgesteld, nog geen aandacht was geschonken aan de ruimtetemperatuur, zodat de enkele verwijzing naar die controle niet meer volstaat om aannemelijk te maken dat appellante sub 2 ten tijde van het nemen van het besluit niet voldeed aan de nadere eis. Het besluit van 21 februari 2007, kenmerk N06/4111 DMB 2005, locatie IJdoornlaan 601 (200702367/1), is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en dient wat deze nadere eis betreft te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Tijdschakelaar boilers

2.10.    De nadere eis luidt:

In de inrichting aanwezige elektrische boilers worden met behulp van een tijdschakelaar tussen 22.00 uur en 06.00 uur uitgeschakeld. Deze verplichting geldt niet voor elektrische boilers met een drie fase aansluiting. De tijdklok moet uiterlijk 31 maart 2007 zijn aangebracht.

2.10.1.    Tegen deze nadere eis hebben appellanten aangevoerd dat de supermarkten de mogelijkheid wordt ontnomen om gebruik te maken van het nachttarief, dat niet alleen goedkoper is maar ook milieuvriendelijker. Volgens hen wordt met deze maatregel ook de kans op een legionellabesmetting onnodig in de hand gewerkt.

2.10.2.    Verweerders stellen dat bij de kleine boilers waarop deze nadere eis betrekking heeft volgens de regeling Legionellapreventie in leidingwater kan worden volstaan met het verwarmen van het boilerwater gedurende één uur op minimaal 60 0C om legionella te voorkomen. Volgens hen kan de tijdklok zodanig worden ingesteld, dat de boiler tussen 06.00 en 07.00 uur opwarmt en er geheel aan de bezwaren tegemoet kan worden gekomen.

2.10.3.    Volgens het deskundigenbericht betreft dit een energiebesparende maatregel met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar, waarbij er geen gevaar voor de volksgezondheid is te duchten indien het water in de boiler gedurende minimaal één uur per dag ten minste 60 0C is.

2.10.4.    De Afdeling ziet op grond van het deskundigenbericht geen grond om aan te nemen dat verweerders de nadere eis niet in redelijkheid hebben kunnen stellen.

Keteltemperatuur

2.11.    De nadere eis luidt:

De watertemperatuur van de ketel van de cv-installatie moet op de buitentemperatuur worden afgestemd door een doelmatige weersafhankelijke regeling. De regeling moet uiterlijk 31 maart 2007 zijn aangebracht.

2.11.1.    Volgens appellanten sub 2 is deze maatregel niet rendabel bij hun vestigingen Pijnackerstraat 36 en Baarsjesweg 259, omdat daar onlangs een nieuwe cv is geïnstalleerd. Appellante sub 3 voert aan dat deze maatregel al getroffen was vóór het nemen van het besluit en de nadere eis daarom ten onrechte is gesteld.

2.11.2.    De Afdeling stelt vast hetgeen appellanten sub 2 hierover in beroep naar voren brengen inhoudelijk overeenkomt met hetgeen zij als zienswijzen hebben ingebracht tegen de ontwerpbesluiten op dit punt. Bij de weerlegging daarvan hebben de desbetreffende verweerders overwogen dat het om een apparaat gaat dat eenvoudig kan worden aangesloten op bestaande ketels en dat volgens het informatieblad van Infomil een terugverdientijd heeft van minder dan 5 jaar. Appellanten sub 2 hebben niet aangegeven waarom die weerlegging onjuist zou zijn. Hun beroepen treffen op dit punt geen doel.

2.11.3.    In het bestreden besluit van 21 februari 2007 ten aanzien van de supermarkt van appellante sub 3 aan de Pretoriusstraat 9 heeft de desbetreffende verweerder overwogen dat na hercontrole is gebleken dat deze voorziening daar al was getroffen en dat de voorgenomen nadere eis daarom komt te vervallen. Door desondanks een nadere eis te stellen over deze voorziening is dat besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Het besluit van 21 februari 2007 met kenmerk U06/4163 DMB 2005, locatie Pretoriusstraat 9 (200702366/1), dient wat deze nadere eis betreft te worden vernietigd.

Reclameverlichting

2.12.    De nadere eis luidt:

De reclameverlichting wordt voorzien van een schemerschakelaar en een tijdschakelaar die zodanig zijn ingesteld dat de reclameverlichting pas gaat branden als het donker wordt en de verlichting weer wordt uitgeschakeld om uiterlijk 24.00 uur. De schakelaars moeten uiterlijk op 31 maart 2007 zijn aangebracht en ingesteld.

2.12.1.    Appellanten sub 2 voeren aan dat die voorzieningen al aanwezig waren in haar supermarkten aan de Pijnackerstraat 36, de Gaaspstraat 41 H en Bolestein 41.

2.12.2.    Verweerders hebben in de desbetreffende besluiten overwogen dat bij controle weliswaar is vastgesteld dat tijdschakelaars aanwezig zijn, maar dat tevens is vastgesteld dat de reclameverlichting in werking was buiten de in de nadere eis genoemde uren.

2.12.3.    De Afdeling stelt vast dat de instelling van de tijdschakelaars een onderdeel vormt van de nadere eis en dat moet worden aangenomen dat op het moment van het nemen van de besluiten de tijdschakelaars niet waren ingesteld overeenkomstig de nadere eis. Op dit onderdeel zijn de beroepen ongegrond.

Conclusie

2.13.    Het beroep van appellante sub 1 is in 11 aangegeven zaken gegrond. In die zaken dienen de desbetreffende besluiten te worden vernietigd. Van appellanten sub 2 en 3 zijn 5 respectievelijk 2 beroepen gedeeltelijk gegrond. In die gevallen dienen de desbetreffende besluiten gedeeltelijk te worden vernietigd. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14.    Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1, 2 en 3 te worden veroordeeld.

   Gelet op de zwaarte van de zaak zal de Afdeling ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt wegingsfactor 2 als bedoeld in de bijlage genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht toepassen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. In het tweede lid is bepaald dat samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door één of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. In dit verband ziet de Afdeling aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Afdeling zal hierbij, gelet op het aantal samenhangende zaken, ten aanzien van appellante sub 1 en appellanten sub 2 wegingsfactor 1,5 zoals bedoeld in de bijlage genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht toepassen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellante sub 1 in zaaknummers 200607391/1, 200607393/1, 200607396/1, 200607413/1, 200607414/1, 200607415/1, 200607416/1, 200607417/1, 200607418/1, 200607420/1 en 200607424/1 gegrond, de beroepen van appellante sub 2 in zaaknummers 200609175/1, 200609176/1, 200609178/1, 200609180/1 en 200609181/1 gedeeltelijk gegrond en de beroepen van appellante sub 3 in zaaknummers 200702366/1 en 200702367/1 gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van 31 augustus 2006 met de kenmerken C06/4104 DMB 2005, locatie Frederik Hendrikstraat 81 (200607391/1), en C06/4154 DMB 2005, locatie Spaarndammerstraat 73 (200607393/1);

vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud West van 24 augustus 2006, kenmerk D06/4129 DMB 2005, locatie Overtoom 116 H (200607396/1);

vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van 24 augustus 2006, met de kenmerken U06/4092 DMB 2005, locatie Eerste Van Swindenstraat 91 (200607413/1), U06/4109 DMB 2005, locatie Helmholtzstraat 63 (200607414/1), U06/4156 DMB 2005, locatie Krugerplein 3 (200607415/1) en U06/4119 DMB 2005, locatie Linnaeusstraat 40 H (200607416/1);

vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid van 24 augustus 2006 met de kenmerken V06/4190 DMB 2005, locatie Amstelveenseweg 186 H (200607417/1), V06/4090 DMB 2005, locatie Van Baerlestraat 33 A (200607418/1), V06/4087 DMB 2005, locatie Gerrit Van Der Veenstraat 57 (200607420/1), en V06/4139 DMB 2005, locatie Van Woustraat 148 1 (200607424/1), vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van 16 november 2006 met kenmerk J06/4095 DMB 2005, locatie Baarsjesweg 269 (200609175/1), voor zover het betreft de nadere eisen over hoogfrequent verlichting en condensordruk en met kenmerk J06/4187 DMB 2007, locatie Admiraal De Ruijterweg 56 A (200609176/1), voor zover het betreft de nadere eis over condensordruk vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel van 16 november 2006, met de kenmerken W06/4105 DMB 2005, locatie Gaaspstraat 41 H (200609178/1), en W06/4256 DMB 2005, locatie Bolestein 41 (200609180/1), voor zover het betreft de nadere eisen over condensordruk; vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van 16 november 2007, kenmerk A06/4151 DMB 2005, locatie Nieuwe Weteringstraat 24 (200609181/1), voor zover het betreft de nadere eis over condensordruk;

vernietigt de besluiten van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van 21 februari 2007, met kenmerk U06/4163 DMB 2005, locatie Pretoriusstraat 9 (200702366/1), voor zover het betreft de nadere eis over keteltemperatuur, en met kenmerk N06/4111 DMB 2005 (200702367/1), locatie IJdoornlaan 601, voor zover het betreft de nadere eis over isolatie leidingen en appendages;

III.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1490,30 (zegge: veertienhonderdnegentig euro en dertig cent), waarvan een gedeelte groot € 724,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellante sub 1 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud West tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1490,30 (zegge: veertienhonderdnegentig euro en dertig cent), waarvan een gedeelte groot € 724,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1490,30 (zegge: veertienhonderdnegentig euro en dertig cent), waarvan een gedeelte groot € 724,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellante sub 1 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1490,30 (zegge: veertienhonderdnegentig euro en dertig cent), waarvan een gedeelte groot € 724,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellante sub 1 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellanten sub 2 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellanten sub 2 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum tot vergoeding van bij appellante sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellante sub 3 onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald.

V.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 3091,00 (zegge: drieduizend eenennegentig euro) voor appellante sub 1, € 1405,00 (zegge: veertienhonderdenvijf euro) voor appellanten sub 2 en € 570,00 (zegge: vijfhonderdzeventig euro) voor appellante sub 3 vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Stolker

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007

157-191-433.