Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
12-09-2007
Zaaknummer
200702137/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2005 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) een verzoek van appellant om de titel ingenieur (afgekort tot ir.) te mogen voeren afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702137/1.

Datum uitspraak: 12 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/ 1506 van de rechtbank Almelo van 13 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2005 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) een verzoek van appellant om de titel ingenieur (afgekort tot ir.) te mogen voeren afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2005 heeft de hoofddirectie het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2007 heeft de hoofddirectie van antwoord gediend.

Bij brief van 13 juli 2007 heeft appellant nog nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de hoofddirectie toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de hoofddirectie, vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7.23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW), voor zover hier van belang, kan de hoofddirectie aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verkregen, naar het oordeel van de hoofddirectie ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.2.    Ter invulling van de beoordelingsvrijheid die de hoofddirectie op grond van voormeld artikel toekomt, heeft zij de beleidsregel 'verzoeken tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een buitenlandse opleiding' (Stcrt. 5 augustus 2005, nr. 150, 8; hierna: de beleidsregel) vastgesteld. Blijkens deze beleidsregel wordt de gelijkwaardigheid van een opleiding aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs vastgesteld aan de hand van het eindniveau van de opleiding, met als weegfactoren de vooropleidingsvereisten, de nominale studieduur en de nominale studieomvang. Of sprake is van een overeenkomstige opleiding wordt beantwoord aan de hand van de vraag of voor de buitenlandse opleiding een soortgelijke Nederlandse opleiding bestaat, blijkend uit de bestudeerde vakken, de aanwezigheid van een stage- en/of thesisverplichting, het opleidingskarakter en de opleidingsdoelstelling.

2.3.    Bij besluit van 8 september 2005 heeft de hoofddirectie het verzoek van appellant om de titel ingenieur (afgekort tot ir.) te mogen voeren afgewezen, omdat de door appellant in Frankrijk gevolgde opleiding aan de Conservatoire National de Arts et Métiers geen toegang geeft tot promotie en die opleiding ook meer toepassingsgericht dan wetenschappelijk van aard is, zodat de gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. Bij de beslissing op bezwaar heeft de hoofddirectie dit besluit gehandhaafd.

2.4.    In geschil is nog slechts de vraag of de hoofddirectie zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant gevolgde opleiding niet rechtstreeks toegang geeft tot promotie en de door appellant gevolgde opleiding op die grond niet gelijkwaardig is.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoofddirectie zijn verzoek om het voeren van de titel ingenieur heeft kunnen afwijzen op de grond dat de door hem gevolgde opleiding niet rechtstreeks toegang geeft tot promotie.

2.5.1.     Het recht op toelating tot promotie maakt een wezenlijk onderdeel uit van de na een Nederlandse wetenschappelijke opleiding verkregen graad en is daarmee wezenlijk voor het niveau van de Nederlandse opleiding. De hoofddirectie heeft dan ook bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de genoten opleiding aan de gestelde overeenkomstige Nederlandse opleiding in beginsel mogen betrekken, of de gevolgde opleiding in het land waar deze is genoten toegang biedt tot promotie. De door de hoofddirectie gestelde eis mag er, gelet op het uitgangspunt van de wet dat de opleiding moet worden vergeleken met een overeenkomstige Nederlandse opleiding, evenwel niet toe leiden dat aan buiten Nederland gevolgde opleidingen hogere eisen worden gesteld dan aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. De enkele omstandigheid dat het Diplôme d'Ingenieur in Frankrijk slechts toegang tot het doctorat zou bieden na het behalen van het Diplome d'Etudes Approfondis, is dan ook niet zonder meer doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gelijkwaardige opleiding. De conclusie dat geen sprake is van een gelijkwaardige opleiding, kan alleen worden getrokken nadat onderzoek is verricht naar de vraag of er wezenlijke verschillen bestaan tussen het Franse en het Nederlandse promotietraject. Te meer nu appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat het Diplome d'Etudes Approfondis onderdeel uitmaakt van de promotie in Frankrijk en hij met zijn diploma wordt toegelaten tot promotie in Nederland, wat daarvan ook zij, had de hoofddirectie daarin aanleiding moeten vinden hiernaar onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Zij heeft dit ten onrechte nagelaten. Het besluit van 18 november 2005 is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

   Aan het betoog ter zitting van de hoofddirectie dat het onderwijs dat leidt tot het Diplome d'Etudes Approfondis, wetenschappelijke onderzoeksvaardigheden en kennis behelst die in Nederland reeds in het initiële onderwijs worden onderwezen, zodat het onderwijs niet gelijkwaardig is, gaat de Afdeling voorbij, nu de hoofddirectie de door appellant gevolgde opleiding, afgezien van het recht op toelating tot promotie, op alle overige punten van beoordeling gelijkwaardig heeft geacht aan de gestelde overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2005 van de hoofddirectie alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.7.    De hoofddirectie dient op na te melden wijze in de proceskosten, voor zover deze op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 februari 2007 in zaak no. 05/ 1506;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de hoofddirectie van 18 november 2005, kenmerk D-TL01A/000785967;

V.    veroordeelt de hoofddirectie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 220,76 (zegge: tweehonderdentwintig euro en zesenzeventig eurocent); het dient door de Informatie Beheer Groep aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Informatie Beheer Groep aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdentweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Poot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2007

362.