Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB3330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
200703496/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / tegenwerpen misdrijf / aanvang termijn

In paragraaf B1/2.2.4.1, onderdeel "Termijnen", (oud) van de Vc 2000 is een eenduidige beleidsregel gegeven omtrent de dag waarop de in dat beleidsonderdeel genoemde termijn aanvangt. Gelet op de daarbij vermelde peildata moet worden aangenomen dat omstandigheden die van invloed zijn geweest op de datum waartoe toepassing van de desbetreffende peildatum in het concrete geval leidt, niet van betekenis zijn geacht. Door de omstandigheid dat de vreemdeling is uitgezet wegens illegaal verblijf en de hem opgelegde straf niet in een eerder stadium ten uitvoer is gelegd, niettemin van belang te achten voor de toepassing van artikel 4:84, van de Awb, heeft de rechtbank dat miskend. Nu op voorhand duidelijk was dat de door de vreemdeling gestelde omstandigheden geen aanleiding konden geven tot afwijking van het beleid, bestaat evenmin grond voor het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van de vreemdeling in de bezwaarprocedure. De grieven slagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/472

Uitspraak

200703496/1.

Datum uitspraak: 6 september 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/45310 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 april 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2005 heeft Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 april 2007, verzonden op 19 april 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn twee, onderling samenhangende, grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in het kader van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid het besluit van 12 september 2005 van een nadere motivering had dienen te voorzien. Daartoe betoogt hij onder meer dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het door haar in beginsel niet kennelijk onredelijk geachte beleid in paragraaf B1/2.2.4.1 (oud) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) voorziet in de mogelijkheid dat de ene vreemdeling eerder aan de in dat beleid vermelde termijn zal toekomen dan de andere. Dat de vreemdeling thans wordt geconfronteerd met een termijn die in haar uitwerking langer zal zijn dan gemiddeld, is derhalve geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), aldus de staatssecretaris. Voorts klaagt de staatssecretaris dat in het licht van het voorgaande de overweging van de rechtbank dat ten onrechte is afgezien van het horen van de vreemdeling in de bezwaarprocedure evenmin juist is.

2.1.1. In paragraaf B1/2.2.4.1, onderdeel "Termijnen", (oud) van de Vc 2000 is een eenduidige beleidsregel gegeven omtrent de dag waarop de in dat beleidsonderdeel genoemde termijn aanvangt. Gelet op de daarbij vermelde peildata moet worden aangenomen dat omstandigheden die van invloed zijn geweest op de datum waartoe toepassing van de desbetreffende peildatum in het concrete geval leidt, niet van betekenis zijn geacht. Door de omstandigheid dat de vreemdeling is uitgezet wegens illegaal verblijf en de hem opgelegde straf niet in een eerder stadium ten uitvoer is gelegd, niettemin van belang te achten voor de toepassing van artikel 4:84, van de Awb, heeft de rechtbank dat miskend. Nu op voorhand duidelijk was dat de door de vreemdeling gestelde omstandigheden geen aanleiding konden geven tot afwijking van het beleid, bestaat evenmin grond voor het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van de vreemdeling in de bezwaarprocedure. De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de grieven is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.3. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.4. Gelet op het vorengaande zal de Afdeling het door de vreemdeling tegen het besluit van 12 september 2005 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 april 2007 in zaak no. AWB 05/45310;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Van Helvoort

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2007

361.

Verzonden: 6 september 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak