Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
200607346/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder de door appellante sub 1 gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een motorsportterrein aan de [locatie] te Axel, gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd. Dit besluit is op 31 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/56 met annotatie van Te Hofsté
M en R 2007, 78K
Milieurecht Totaal 2007/4644

Uitspraak

200607346/1.

Datum uitspraak: 5 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Recreatieve Exploitatie Smitsschorre", gevestigd te Axel, gemeente Terneuzen,

2.    [appellanten sub 2], wonend te Axel, gemeente Terneuzen,

3.    [appellant sub 3], wonend te Axel, gemeente Terneuzen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder de door appellante sub 1 gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een motorsportterrein aan de [locatie] te Axel, gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd. Dit besluit is op 31 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 9 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2006, appellanten sub 2 bij brief van 9 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 3 bij brief van 4 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2006, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 3 november 2006.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1, appellanten sub 2 en verweerder. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2007, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. S. te Hofsté, mr. H.S. de Vries, P.Th. Apers en J.A. Huizer, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, appellant sub 3, eveneens vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P. Michelsen, P.W.D. Beijaard en ing. A. Scherbeijn, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1.    Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting of een revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

   Het standpunt van appellante sub 1 dat de appellanten die wonen buiten de geluidzone van 50 dB(A) geen belanghebbenden zijn, kan niet worden gevolgd. Anders dan appellante sub 1 betoogt is de zonegrens rondom het motorcrossterrein niet bepalend voor de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is bij het bestreden besluit. Ook buiten de zonegrens kunnen zich immers milieugevolgen van de inrichting, waaronder geluidemissie, voordoen.

   Ten aanzien van het door [een van appellanten sub 2] ingestelde beroep overweegt de Afdeling dat deze appellant op een afstand van ten minste 7 km van de inrichting woont. Het is niet aannemelijk dat hij daar milieugevolgen van de inrichting kan ondervinden. Hij kan dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het beroep van appellanten sub 2, voor zover ingesteld door [een van appellanten sub 2], is niet-ontvankelijk.

   Voor wat betreft de overige appellanten bestaat geen grond om deze niet als belanghebbenden aan te merken.

2.2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor zover is verzocht om:

- het formaliseren van de juniorenmotorcrossbaan;

- een flexibele indeling van de loop van de motorcrossbaan met vastliggende markeringspunten;

- aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in de vorm van grondwallen.

   Vergunning is geweigerd voor zover is verzocht om:

- het verruimen en een flexibele indeling van de openingstijden tijdens trainingen en wedstrijden;

- een toename van het aantal dagen (inclusief zondagen) voor trainingen;

- een uitbreiding van het aantal motoren dat gelijktijdig in de baan is tot 40 motoren bij trainingen en wedstrijden;

- een toename van het aantal bondswedstrijden (ook op zondag) van 9 naar 15 en een afname van het aantal clubwedstrijden van 18 naar 15 dagen;

- het gebruik van een omroepinstallatie tijdens de bondswedstrijden; behoudens het doen van noodzakelijke mededelingen.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Rondom het terrein waarop de inrichting is gelegen is bij besluit van 10 oktober 1990 op grond van artikel 53 van de Wet geluidhinder een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden. Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder naar aanleiding van een opgesteld saneringsprogramma voor de gevels van twee woningen binnen de geluidzone een waarde van 55 dB(A) vastgesteld als de maximaal toelaatbare waarden van de geluidbelasting vanwege het motorcrossterrein (hierna: mtg's). Op het gezoneerde terrein zijn geen andere inrichtingen gevestigd.

2.5.    Appellanten sub 2 en appellant sub 3 hebben bezwaar tegen voorschrift 3.13 van de vergunning.

   Ingevolge dit voorschrift, voor zover hier van belang, moeten de luidsprekers zodanig zijn opgesteld dat de uitstralingsrichting niet is gericht in de richting van Axel.

   Appellanten vrezen dat dit leidt tot geluidhinder bij woningen aan de andere kant van de inrichting.

   De Afdeling overweegt dat verweerder bij het vaststellen van dit voorschrift het belang van de omwonenden van de inrichting in de kern van Axel voor ogen heeft gehad. Uit de stukken blijkt echter niet welke gevolgen het voorschrift heeft voor de geluidhinder ter plaatse van andere woningen dan die in de kern van Axel, waaronder de woning van appellant sub 3. Verweerder heeft hiernaar onvoldoende onderzoek gepleegd, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb, onzorgvuldig is voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

2.6.    Appellante sub 1 keert zich tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning. De vergunningaanvraag dient volgens haar wat betreft het aspect geluid uitsluitend te worden getoetst aan de zonegrenswaarde en de mtg's. Zij stelt dat de geluidbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten aan deze waarden kan voldoen, zodat de vergunning ten onrechte is geweigerd.

2.6.1.    Verweerder heeft de weigering van de vergunning gebaseerd op het provinciaal milieubeleidsplan "Groen Licht" (hierna: het milieubeleidsplan), waarin is aangegeven dat een terughoudend beleid wordt gevoerd ten aanzien van lawaaisporten. Dit beleid is, aldus verweerder, er op gericht om hinder van lawaaisporten niet te laten toenemen. Verweerder wijst er op dat ingevolge artikel 8.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer met het milieubeleidsplan rekening moet worden gehouden. Volgens verweerder leidt vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten weliswaar niet tot overschrijding van de zonegrenswaarde en de mtg's maar, gelet op het milieubeleidsplan en de hinderbeleving door omwonenden, moet de vergunning toch worden geweigerd voor zover het veranderingen en uitbreidingen betreft die resulteren in meer geluidhinder voor de omgeving.

2.6.2.    Ingevolge artikel 8.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.

   Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen voortvloeit uit de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.6.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de geluidbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten in de inrichting niet leidt tot een overschrijding van de zonegrenswaarde en de mtg's. Verweerder baseert de weigering van de vergunning op het uitgangspunt dat, gelet op het milieubeleidsplan, de geluidhinder van lawaaisporten niet mag toenemen en gaat daarbij uit van lagere geluidnormen dan die op grond van artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in acht moeten worden genomen. De Afdeling constateert dat het in het milieubeleidsplan opgenomen beleid zeer algemeen geformuleerd is ("De provincie voert ten aanzien van lawaaisporten een terughoudend beleid") en dat het met het oog op aanscherping van normen verwijst naar verdere regulering op lokaal niveau via bestemmingsplannen en algemene plaatselijke verordeningen. Het milieubeleidsplan kan naar het oordeel van de Afdeling echter in zoverre niet als basis dienen voor het hanteren van lagere geluidgrenswaarden dan de waarden die uit de Wet geluidhinder voortvloeien en evenmin voor het hanteren van het uitgangspunt dat de geluidemissie van de inrichting, ondanks dat wordt voldaan aan de zonegrenswaarden en de mtg's, niet mag toenemen. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de vergunning is geweigerd, berust aldus niet op een deugdelijke motivering en komt reeds hierom wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.7.    Gelet op de samenhang tussen de activiteiten waarvoor vergunning is verleend en waarvoor de vergunning is geweigerd, komt het gehele besluit voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden van appellanten sub 2 behoeven, gelet hierop, geen bespreking.

2.8.    Ten aanzien van appellante sub 1 en appellanten sub 2 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het zelfstandige beroep van appellant sub 3, die ook behoort tot de groep van appellanten sub 2, kan niet worden gesproken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [een van appellanten sub 2];

II.    verklaart de beroepen van appellante sub 1, appellanten sub 2 voor het overige en van appellant sub 3 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 22 augustus 2006, kenmerk RMW0609421/17;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zeeland aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 678,73 (zegge: zeshonderdachtenzeventig euro en drieënzeventig cent); het dient door de provincie Zeeland aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Zeeland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 1, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 2 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007

190.